id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.690 Rolnummer: A. 167608/VII-37728 Zaak: Arrest 155690 - Bewakingsondernemingen - 28/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:32 Fiche Arrest nr 155.690 van 28 februari 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.690 van 28 februari 2006 in de zaak A.167.608/XII-
- In zake : Lothar GABRIEL, die woonplaats kiest bij advocaat H. Schyvens, kantoor houdende te Antwerpen, Sint-Jozefstraat 43 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lothar Gabriël op 8 november 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 22 april 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatie- kaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten uit te reiken; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Van Kildonck, die loco advocaat H. Schyvens verschijnt voor verzoeker, en van attaché B. Hoffer, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4574-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de BVBA Blok Security Mobile op 30 augustus 2002 een aanvraag indient tot het verkrijgen van een identificatiekaart voor verzoeker voor het uitoefenen van een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming; dat een veiligheidsonderzoek wordt uitgevoerd; dat het verslag van 14 april 2003 van de federale politie, met een verwijzing naar vijf processen-verbaal, melding maakt van feiten van slagen en verwondingen, bezit van verboden wapens en bedreigingen; dat met een brief van 14 april 2003 aan verzoeker wordt meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken vanwege die feiten overweegt de aangevraagde kaart te weigeren; dat verzoekers raadsman op 3 juni 2003 bij de betrokken parketten toelating vraagt tot inzage en kopie van de processen-verbaal waarvan sprake in de brief van 14 april 2003; dat de procureur des Konings te Antwerpen de gevraagde toelating verleent; dat de procureur des Konings te Mechelen de toelating weigert; Overwegende dat in een tweede verslag, van 4 juni 2004, de federale politie melding maakt van nog andere feiten van slagen en verwondingen, evenals van verschillende dossiers die tot “één groot dossier” werden samengevoegd; dat met een brief van 4 juni 2004 aan verzoeker wordt meegedeeld dat de minister van Binnenland- se Zaken ook op basis van de nieuwe inlichtingen overweegt de afgifte van de kaart te weigeren; Overwegende dat verzoekers advocaat op 22 juni 2004 een verweerschrift indient; dat op 22 april 2005 de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart weigert; dat de motivering luidt : “Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Mechelen U in een vonnis d.d. 12 juni 1995 schuldig verklaarde voor het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen. Dat de feiten die aan de basis liggen van het vonnis als volgt kunnen worden samengevat : Op 8 november 1993 heeft U samen met 2 andere portiers het slachtoffer naar een achterkamertje van een discotheek gebracht. Het slachtoffer werd door 2 personen vastgehouden terwijl de derde hem verscheidene slagen toediende. Hierna werd het slachtoffer langs de achterdeur van de zaak buitengegooid. Het slachtoffer liep hierbij verwondingen op aan het aangezicht en was gedurende 3 dagen werkonbekwaam. XII-4574-2/9 Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Mechelen U in een vonnis d.d. 12/06/1995 de opschorting van de uitspraak heeft toegestaan; Dat U in Uw verweermiddelen d.d. 22 juni 2004 stelt dat de feiten niet zwaarwichtig zijn aangezien de rechtbank U de opschorting van de uitspraak toestond. Dat de opschorting van de uitspraak echter inhoudt dat de rechter de feiten bewezen acht maar geen veroordeling uitspreekt; Overwegende dat men U vrij recent opnieuw feiten van opzettelijke slagen en verwondingen worden ten laste gelegd in het proces-verbaal nummer ME.43.38-100304/02 d.d. 31/03/
- In casu slaat en stampt U slachtoffer op zijn lichaam nadat U hem de toegang hebt geweigerd. Overwegende dat het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen in Uwen hoofde wijst op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector. Overwegende dat de wetgever van mening is dat de personen die belast zijn met de bewakingsactiviteit van persoonscontrole vaak geconfronteerd worden, meer dan zij die zich bezighouden met andere bewakingsactiviteiten, met conflictsituaties. Dat de uitoefening van deze delicate bewakingsactiviteit vereist dat men in een conflictsituatie een evenwicht vindt tussen enerzijds een efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens. Dat het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de activiteit van persooncontrole op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische invalshoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de portier zich moet onthouden van elke andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen. Dat beide feiten gebeurden in uitoefening van uw functie als portier, dat het gebruik van geweld niet toegestaan is tijdens de uitoefening van de activiteit van persoonscontrole; Overwegende dat men U in het proces verbaal nummer ME.36.21-001207/2002 d.d. 17/04/2002 verboden wapenbezit ten laste legt. Naar aanleiding van een controle verricht inzake de bewakingswet werden er zoekingen verricht in de voertuigen van de portiers en parkingtoezichters. In Uw voertuig werden toen 3 verboden wapens aangetroffen, meerbepaald 2 vouwmessen en 1 dolkmes. Overwegende dat verboden wapenbezit een doorslaggevend element is in het vormen van een oordeel met betrekking tot de moraliteit van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen. Dat in principe de private bewaking immers op ongewapende wijze gebeurt aangezien ze een louter preventieve functie heeft. Dat er van de bewakingsagent niet verwacht wordt dat hij de goederen die hij bewaakt gewapend verdedigt, noch dat hij zijn wapen hanteert als afschrikkingmiddel. Dat taken waarbij het dragen van wapens noodzakelijk is, in principe worden uitgevoerd door de politie; Overwegende dat de wet specifieert dat de activiteiten van sociale controle of activiteiten, gericht op het handhaven van de orde en veiligheid te allen tijde ongewapend dienen te worden uitgeoefend. Dergelijke bewakers staan vaak tegenover conflictueuze situaties met burgers op plaatsen waar veel publiek aanwezig is. Wapendracht zou enerzijds provocerend kunnen werken naar aanwezige herrieschoppers toe en anderzijds de betrokken bewaker ertoe kunnen aanzetten in een crisissituatie van zijn wapen gebruik te maken, waardoor argeloze aanwezigen gekwetst kunnen worden. Dat inzake het onderzoek aangaande het vervullen van de veiligheidsvoorwaar- den voor het uitoefenen van activiteiten van bewaking en in het bijzonder de controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op voor het publiek toegankelijke plaatsen, het toebrengen van slagen en verwondingen XII-4574-3/9 en bezit van verboden wapens als bijzonder ernstig wordt beschouwd, temeer daar deze allen in uitoefening van functie gebeurden. Overwegende dat voornoemde feiten, het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen en het verboden wapenbezit op zich al volstaan om te besluiten dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, alinea 1, 8/ van de bewakingswet; Overwegende dat U het voorwerp uitmaakt van een klacht inzake opzettelijke slagen en verwondingen. In dit verband werden er 16 dossiers samengevoegd tot één groot dossier onder refertenummer ME.43.21.1239/02 inzake slagen en verwondingen. Dat niet tegenstaande het feit dat U bepaalde aspecten van de klacht ontkent, de gerechtelijke instanties besloten hebben U voor deze feiten te verwijzen naar de Correctionele Rechtbank. Overwegende dat het Parket en de Raadkamer van oordeel zijn dat er ernstige aanwijzingen bestaan omtrent de feiten die U gepleegd heeft. Dit blijkt namelijk uit de verwijzing naar de Correctionele Rechtbank. Dat in afwachting van een uitspraak in deze zaak, de omstandigheden een ernstige twijfel creëren omtrent Uw geloofwaardigheid. Overwegende dat de feiten van opzettelijk slagen en verwondingen en verboden wapendracht bijzonder ernstig zijn uit hoofde van personen die onder meer zouden instaan voor het verzekeren van de veiligheid in dansgelegenheden en discotheken; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector aan moreel en professioneel betrouwbare personen als hoofddoelstelling vooropstelde. Dat de wetgever deze hoofddoelstelling in 1999 niet enkel uitdrukkelijk herhaald heeft, maar tevens ook het accent heeft gelegd op de noodzaak tot sanering van de sector van persoonscontrole. Dat deze vooropgestelde saneringsnoodzaak in de sector persoonscontrole impliceert dat de moraliteit van de betrokkenen met de nodige strengheid wordt beoordeeld; Overwegende dat deze inbreuken dermate ernstig zijn dat zij een weigering tot afgifte van een identificatiekaart rechtvaardigen”;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker twee middelen aanvoert; dat hij in eerste middel de schending doet gelden van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en van de materiële motiveringsplicht, minstens van het beginsel van de zorgvuldige voorbereiding van het dossier en de administratieve beslissing en van het proportionaliteitsbeginsel; dat hij in essentie het bestaan en/of de ernst van de in aanmerking genomen feiten betwist; XII-4574-4/9 3.
- Overwegende dat naar eis van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, de personen die een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming uitoefenen, geen feiten mogen gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; dat alvast in de huidige stand van zaken uit het voorschrift wordt afgeleid dat verwerende partij met recht mag stellen wat volgt : “Er dient een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op deontologisch vlak en op strafrechtelijk vlak. Dezelfde feiten vertonen een andere orde van belangrijkheid naargelang ze op strafrechtelijk vlak of deontologisch vlak bekeken worden. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling of die zelfs door het parket zonder gevolg worden gerangschikt kunnen een weigering rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden op deontologisch vlak”; Overwegende dat, met het oog op de verificatie van de voorwaarde van voormeld artikel 6, eerste lid, 8/, overeenkomstig artikel 7, § 2, van de wet inlichtingen van gerechtelijke of bestuurlijke politie kunnen worden ingewonnen, of beroepsgegevens die ter zake van belang zijn; dat aldus ook te dezen de minister zich heeft bediend van dergelijke informatie, opgenomen in de verslagen van 14 april 2003 en 4 juni 2004 van de federale politie; dat niet a priori vereist lijkt, op grond van enige geschreven of ongeschreven regel, dat aan die inlichtingen steeds de processen-verbaal worden toegevoegd, waaruit zij geput zijn; dat in zoverre de zorgvuldigheid bij de feitenvinding het naar het oordeel van verzoeker in sommige gevallen toch noodzakelijk zou maken dat de minister ook kennis neemt van de processen-verbaal, hij die noodzaak met voldoende precieze en concrete gegevens aannemelijk moet maken; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing in de eerste plaats het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen in aanmerking neemt; dat zij daarvoor verwijst naar een vonnis van 12 juni 1995 en naar de omstandigheid dat aan verzoeker “vrij recent opnieuw feiten van opzettelijke slagen en verwondingen worden ten laste gelegd”, in een proces-verbaal van 31 maart 2002; Overwegende, aangaande de feiten die tot het vonnis van 12 juni 1995 hebben geleid, dat verzoeker opmerkt dat het vonnis hem de gunst van de opschorting verleende, dat het belang van de feiten beperkt dient geacht, dat enkel zijn actuele betrouwbaarheid van verzoeker ter beoordeling van de minister stond en XII-4574-5/9 dat het buiten proportie is om iemand te beoordelen op basis van de geestestoestand waarin hij zich tien jaar geleden zou bevonden hebben; dat, aangaande de feiten waarover het proces-verbaal van 31 maart 2002 gaat, verzoeker uiteenzet dat in het dossier “elk ‘bewijs’ van de feiten” ontbreekt en dat de feiten aanleiding hebben gegeven tot een voorstel tot minnelijke schikking, hetgeen aantoont dat zij naar de mening van de procureur des Konings geen ernstige inbreuk uitmaakten; Overwegende dat verwerende partij in de aangevochten beslissing op het eerste gezicht terecht stelt dat de opschorting van de uitspraak inhoudt dat de rechter de feiten bewezen acht; dat aldus de uitspraak niet belet dat de minister de betrokken feiten in ogenschouw neemt bij de beoordeling van verzoekers morele en professionele betrouwbaarheid voor een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming; dat tevens de minister ín zijn besluit voldoende lijkt te hebben verantwoord waarom hij niet een vergelijkbare mildheid aan de dag heeft gelegd als de strafrechter: namelijk omdat de slagen wijzen op een ingesteldheid die voor de wetgever onverenigbaar is met de bewakingsactiviteit van persooncontrole en omdat de, eveneens door de wetgever gewilde, saneringsnoodzaak in de sector persoonscon- trole impliceert dat de moraliteit van de betrokkenen streng wordt beoordeeld; dat die verantwoording niet foutief lijkt; Overwegende dat oude feiten niet noodzakelijk zonder relevantie zijn; dat te dezen de verwerende partij de relevantie van de feiten uit 1993 staaft aan de hand van nieuwe feiten uit 2002, die in principe de gebleven actualiteit van de eerste feiten kunnen aantonen; Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht -en opvallend- wel het ontbreken van een bewijs van de nieuwe feiten in het administratief dossier bekritiseert, maar niet het bestaan van die feiten op zich; dat, voorts, de omstandigheid dat de procureur des Konings in de nieuwe feiten geen zwaarwichtige strafrechtelijke inbreuk zou hebben gezien, niet uitsluit dat de minister er wél zwaar aan tilt in het kader van de beoordeling om verzoeker al dan niet de aangevraagde identificatiekaart uit te reiken; dat, zoals gezien, de minister te dezen goede redenen lijkt te hebben voor zijn grote(re) strengheid; 3.
- Overwegende dat de aangevochten beslissing ook gestoeld is op verboden wapenbezit, in de uitoefening van de functie van portier, terwijl “in principe de private bewaking [...] op ongewapende wijze gebeurt aangezien ze een louter preventieve functie heeft”; XII-4574-6/9 Overwegende dat verzoeker meent dat het om feiten gaat die “hoogstens” verband houden met zijn privé-leven,”zonder enige bewezen incidentie op de wijze waarop hij zijn beroep uitoefent”, en dat “[o]verigens” in het administratief dossier een kopie van het betrokken proces-verbaal ontbreekt, evenals van de stukken omtrent het strafrechtelijk gevolg aan de feiten; Overwegende dat verzoeker, spijts de afwezigheid in het administratief dossier van de kopieën die hij er blijkbaar had in verwacht, niet lijkt te betwisten dat er in zijn wagen verboden wapens zijn gevonden; dat hij er zich wel tegen verzet dat in dit verband wordt gesproken van verboden wapenbezit “in de uitoefening van de functie van portier”; dat dit op het eerste gezicht niet kan worden bijgevallen; dat de vondst plaatshad ter gelegenheid van een zogenaamde “gerichte controle op de wetgeving [inzake bewaking]” in de voertuigen van de portiers en parkingtoezich- ters van de gecontroleerde inrichting; dat terecht de verwerende partij in de nota opmerkt dat de wapens zich zodoende in verzoekers nabije omgeving bevonden op het ogenblik dat hij activiteiten van persoonscontrole uitoefende, zodat hij er bij problemen had kunnen naar grijpen; dat het vanwege de verwerende partij op het eerste gezicht niet verkeerd lijkt om verzoeker in de gegeven omstandigheden te hebben beschouwd als zijnde in het bezit van verboden wapens in de uitoefening van zijn functie als portier; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing ten slotte ook nog gewaagt van zestien dossiers die zijn samengevoegd tot één groot dossier inzake slagen en verwondingen, waarvoor verzoeker naar de correctionele rechtbank zou zijn verwezen; Overwegende dat ook tegen dit motief verzoeker kritiek uit; dat het evenwel slechts om een overtollig motief lijkt te gaan, waarvan de onwettigheid hoe dan ook niet tot vernietiging kan leiden; dat immers de beslissing uitdrukkelijk overweegt dat de overige motieven “op zich al volstaan” om de conclusie te wettigen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990; 3.
- Overwegende dat vooralsnog niet blijkt dat de bestreden beslissing steunt op motieven die niet naar behoren zijn vastgesteld of vaststaan, of die anderszins niet draagkrachtig zijn; dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de miskenning aanvoert van de rechten van de verdediging, het beginsel audi et alteram partem, XII-4574-7/9 minstens van het fair play-beginsel; dat hij toelicht dat hij geen inzage heeft gehad van de processen-verbaal die de minister, via de omweg van het “veiligheidsrapport” van de federale politie, als grondslag van zijn beslissing aanvoert, noch van de stukken van de eventuele verdere onderzoeken en vervolgingen, dat de minister de overlegging van die stukken in het administratief dossier van zijn diensten had moeten uitlokken, opdat hijzelf en verzoeker er kennis van konden nemen; 4.
- Overwegende, in de eerste plaats, dat de bedoelde processen-verbaal en andere stukken geen deel uitmaken van het administratief dossier; dat de minister er geen acht op geslagen heeft en er zich niet als zodanig op gebaseerd heeft; dat hij zijn beslissing in essentie gesteund heeft op de verslagen vanwege de federale politie en op de daarin vermelde inlichtingen van gerechtelijke of bestuurlijke politie of beroepsgegevens van belang in het kader van de bepalingen van onder meer artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid; dat hij geen inzage heeft gehad van de processen-verbaal die in de verslagen van de federale politie aan bod komen; dat zulks in de bestreden beslissing zelfs uitdrukkelijk bevestigd wordt; dat gespecificeerd wordt dat alleen de verslagen “en niet de PV’s als dusdanig” door de minister bij zijn beoordeling zijn betrokken; Overwegende dat verzoeker van de verslagen en van hun inhoud kennis heeft kunnen nemen; dat hij aldus alle stukken heeft kunnen inzien waarop de minister zijn overtuiging heeft gesteund; dat hij voorts in de gelegenheid is geweest er zijn verweermiddelen tegen in te brengen en de betreffende stukken aan te vechten; 4.
- Overwegende, in de tweede plaats, dat verzoeker er van tevoren van ingelicht is geworden dat hij voor consultatie van de processen-verbaal en gerechtelijke uitspraken waarop de verslagen van de federale politie stoelen, bij het parket van de procureur des Konings terecht moest; dat hij alleen voor vijf processen- verbaal daartoe de nodige stappen heeft gezet; dat hem inzage is geweigerd van vier processen-verbaal; dat drie ervan uitsluitend betrekking hebben op het motief waarvan hiervóór voorlopig is vastgesteld dat het overtollig is; dat het vierde proces-verbaal datgene is waarin gerelateerd wordt dat bij een gerichte controle inzake de bewakingswet verboden wapens in verzoekers wagen zijn gevonden; dat van dat stuk dan weer niet spontaan duidelijk lijkt, en verzoeker evenmin aangeeft, waarom het voor zijn verweer relevant zou zijn; dat de betwisting die hij in verband met het bezit van de wapens opwerpt immers niet het feit van de vondst op zich betreft, maar in essentie alleen de vraag of hij door de vondst geacht kan worden al dan niet “in de XII-4574-8/9 uitoefening van zijn beroep als portier” in het bezit van verboden wapens te zijn geweest; 4.
- Overwegende dat uit een en ander volgt dat het tweede middel alleszins in de huidige stand van de procedure niet ernstig voorkomt;
- Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat aldus aan tenminste een van de cumulatieve grondvoorwaarden voor de schorsing niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4574-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.690 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.682 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div