← België

Arrest 155691 - Bewakingsondernemingen - 28/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.691 Rolnummer: A. 168369/VII-37729 Zaak: Arrest 155691 - Bewakingsondernemingen - 28/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:33 Fiche Arrest nr 155.691 van 28 februari 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.691 van 28 februari 2006 in de zaak A. 168.369/XII-

  1. In zake : Didier GUNS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Hermans, kantoor houdende te Lier, Antwerpsesteenweg 280, b 2 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Didier Guns op 1 december 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 29 september 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem de vergunning als privé-detective in bijberoep te weigeren; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat M. Hermans, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4598-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 14 juli 2004 een aanvraag indient om het beroep van privé-detective in bijberoep uit te oefenen; dat, overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé- detective om zijn advies gevraagd, de procureur des Konings op 9 maart 2005 onder meer antwoordt dat de gedragingen van betrokkene tegenover de politiediensten niet getuigen van het nodige respect en van die aard zijn dat ze het vertrouwen zouden kunnen raken dat de overheid in hem stelt; dat verwezen wordt naar verschillende processen-verbaal; dat op 29 september 2005 de minister van Binnenlandse Zaken de gevraagde vergunning als privé-detective in bijberoep weigert omdat “de feiten, zoals weergegeven in de voornoemde processen-verbaal, een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective”; Overwegende dat verzoeker in het zicht van de terechtzitting nog drie aanvullende stukken toestuurt ter bewijs van zijn nadeel; dat het tweede en het derde ook reeds bij het verzoekschrift gevoegd konden zijn; dat voor hun laattijdigheid geen afdoende uitleg wordt verstrekt; dat alleen het eerste in de debatten wordt toegelaten; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker eensdeels financiële problemen doet gelden en anderdeels een zeer ernstige uitsluiting uit zijn beroepsmogelijkheden; Overwegende dat een eerste nadeel hierop neerkomt dat verzoeker sinds 1 juli 2004 slechts een beperkte werkloosheidsuitkering geniet en dat hij bovendien een schorsing van zijn werkloosheidsuitkering riskeert, terwijl hij een XII-4598-2/5 aanzienlijk onderhoudsgeld voor zijn kinderen dient te betalen, op het gevaar af van een strafklacht vanwege zijn ex-echtgenote wegens het misdrijf van familieverlating; Overwegende dat de bestreden beslissing tot weigering van de vergunning als privé-detective in bijberoep niet de oorzaak ervan is dat verzoeker, licentiaat informatica en thans voltijds student in de rechten, werkloos is; dat hij voordien niet het beroep van privé-detective uitoefende; dat, integendeel, hij tot juli 2004 tewerkgesteld was bij een Nederlandse werkgever; dat hij ter terechtzitting toelicht dat de arbeidsovereenkomst in gezamenlijk overleg beëindigd is; Overwegende dat de aangevochten beslissing evenmin de reden ervan blijkt dat hij voort werkloos blijft; dat verzoeker zelf verklaart dat hij vanwege de VDAB twee keer is uitgenodigd om zich aan te bieden voor een betrekking als bewakingsagent en dat hij zulks geweigerd heeft; dat dientengevolge de rijksdienst voor arbeidsvoorziening hem vanaf 25 oktober 2005 van het recht op uitkeringen heeft uitgesloten omdat hij voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt en weigert zijn beroepsaspiraties uit te breiden naar andere beroepen dan dat van privé-detective; dat overigens verzoeker het ter terechtzitting verkeerdelijk zo voorstelt dat de wet hem verbiedt om bewakingsagent te zijn in afwachting van de inwilliging van zijn aanvraag om het beroep van privé-detective uit te oefenen en dat, indien hij bewakingsagent zou worden, het voor hem dan gedurende vijf jaar wettelijk onmogelijk is een vergunning als privé-detective te verkrijgen; dat verwerende partij terecht er op wijst dat de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective alleen uitsluit dat een privé-detective “tegelijkertijd” activiteiten uitoefent in een bewakingsonderneming, een beveiligingsonderneming of een interne bewakingsdienst; dat zij eveneens terecht laat gelden dat de wet niet vereist dat de aanvrager van een vergunning als privé-detective sinds vijf jaar geen bewakingsagent is geweest; Overwegende dat er geen voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bestreden beslissing en het aangevoerde nadeel; Overwegende dat verzoeker een tweede nadeel als volgt omschrijft : “Met de wet van 10 april 1990 wordt bedoeld de wet op de bewakings- ondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten. Dat verzoekende partij -die voordien nochtans bij Group 4 Securitas evenals bij de Politie Haaglanden (Den Haag, Nederland) was tewerkgesteld- geacht wordt thans niet meer, c.q. nooit meer, te voldoen aan de -niet-geschreven- moraliteitsvoorwaarden gesteld in de wet van 10 april 1990 op de bewakings- ondernemingen, de beveiligheidsondernemingen en de interne bewakingsdiensten. XII-4598-3/5 Dat als gevolg van voorgehouden, doch totaal op los zand berustende bewering alsof verzoekende partij niet zou voldoen aan de -niet-geschreven moraliteitsvoorwaarden gesteld in de wet van 10 april 1990, een niet te herstellen zeer ernstig nadeel aan verzoekende partij wordt opgelegd. Immers, verzoekende partij kan, enkel en alleen omwille van de voorgehouden, doch geenszins bewezen bewering van de procureur des Konings, nooit meer volgende betrekkingen bedingen en/of bekleden : C Werkzaam zijn in een bewakingsonderneming, beveiligingsonderneming of interne bewakingsdienst; C Een openbaar ambt te bekleden (advocaat, griffier, notaris, gerechtsdeurwaar- der, rechter,...); C Politieambtenaar worden of bij een inlichtingendienst werken, of gewoon ambtenaar zijn; C Een vertrouwenspositie bekleden; C ...”; Overwegende dat verzoeker met het nadeel tracht munt te slaan uit wat vooralsnog slechts als een materiële vergissing in het advies van 9 maart 2005 van de procureur des Konings wordt beschouwd; dat in zijn advies betreffende “wet van 19 juli 1991 - aanvraag van de vergunning als privé-detective - Guns Didier” de procureur besloot dat verzoeker “niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden gesteld in de wet van 10 april 1990”; dat tenminste in de huidige stand van zaken die verwijzing naar de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, in plaats van naar de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, wordt aangezien als een loutere verschrijving; dat in het advies geen uitspraak is te lezen over de morele geschiktheid van verzoeker voor andere beroepen dan dat van privé-detective; Overwegende overigens dat de ingediende vordering tot schorsing niet het advies van de procureur des Konings tot voorwerp heeft, maar de beslissing van 29 september 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken; dat niet wordt betwist dat de minister zich met die beslissing louter en alleen heeft uitgesproken over de aanvraag van 14 juli 2004 van verzoeker om welbepaald het beroep van privé-detective in bijberoep te mogen uitoefenen; Overwegende dat ook het tweede nadeel verworpen wordt; Overwegende dat verzoeker niet aannemelijk maakt een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel te lijden ten gevolge van de bestreden beslissing; dat aldus niet is voldaan aan een van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, XII-4598-4/5 BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4598-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.691 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.210.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.