← België

Arrest 155694 - - 01/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.694 Rolnummer: A. 124305/XIV-10949 Zaak: Arrest 155694 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 11:35 Fiche Arrest nr 155.694 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.694 van 1 maart 2006 in de zaak A. 124.305/XIV-10.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX, van Turkse nationaliteit, op 23 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 juni 2002 van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-10.949-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Op 27 mei 1980 wordt XXX, van Turkse nationaliteit, in het bezit gesteld van een identiteitskaart voor vreemdelingen. 1.
  4. Op 9 juli 1984 heeft verzoekster zich bij het gemeentebestuur van Genk aangeboden om haar tijdelijke afwezigheid te signaleren. Er wordt haar op deze datum een attest van vertrek afgegeven. 1.
  5. Op 23 januari 1992 wordt de echtgenoot van verzoekster in het bezit gesteld van een aankomstverklaring door het gemeentebestuur van Genk, nadat hij was teruggekeerd naar België. De echtgenoot van verzoekster dient tevens een aanvraag in om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  6. Op 1 juni 1992 wordt het verzoek van de echtgenoot van verzoekster op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet verworpen en op 10 juni 1992 wordt hem een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
  7. De door de echtgenoot van verzoekster tegen deze beslissingen van 1 juni 1992 en 10 juni 1992 ingediende vordering tot schorsing wordt door de Raad van State bij arrest nr. 40.561 van 1 oktober 1992 verworpen. Ook de vordering tot nietigverklaring wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 45.377 van 21 december
  8. 1.
  9. Op 3 oktober 1994 doen verzoekster en haar echtgenoot opnieuw een aankomstverklaring bij het gemeentebestuur van Genk, nadat zij opnieuw in België waren aangekomen op 26 september
  10. Zij worden toegelaten tot verblijf tot 25 december
  11. XIV-10.949-2/8 1.
  12. Uit een schrijven van het gemeentebestuur van Genk blijkt dat verzoekster vertrokken is naar Nederland op 20 december
  13. De echtgenoot van verzoekster dient op 6 januari 1995 een aanvraag in om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  14. Op 21 augustus 1995 wordt deze aanvraag van de echtgenoot van verzoekster op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet verworpen. Deze beslissing wordt op 4 september 1995 betekend aan Nazile Car, die verklaart dat haar beide ouders vertrokken zijn naar Turkije. 1.
  15. Verzoekster komt opnieuw België binnen. Zij beschikt over een Schengenvisum, waarbij een verblijf van 90 dagen wordt toegestaan, vanaf 5 december
  16. 1.
  17. Op 14 januari 2002 heeft verzoekster zich bij het gemeentebestuur van Genk aangemeld om zich te laten inschrijven. 1.
  18. Op 24 januari 2002 dient verzoekster bij het gemeentebestuur van Genk een aanvraag tot vestiging in als bloedverwant in opgaande lijn. 1.
  19. Op 24 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE VESTIGING MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van artikel 45/ 61 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 gewijzigd door art. 45 § 3 en 4 van het K.B. van 12 juni 1998 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de vestiging, aangevraagd op 24/01/2002 door XXX geboren te Aksaray op 11/03/1931 onderdaan van Turkije, geweigerd. Aan de betrokkene wordt bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 15 dagen. + art. 42 van de wet van 15/12/1980 REDEN VAN DE BESLISSING

(2)" heeft niet binnen de gestelde termijn aangetoond dat hij/zij zich in de voorwaarden bevindt om te genieten van het rech t op vestiging als werknemer/zelfstandige/begunstigde van het recht op voortgezet verblijf/begunstigde van het verblijfsrecht " voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging als werknemer/zelfstandige/begunstigde van het recht op voortgezet verblijf/begunstigde van het verblijfsrecht X voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging als bloedverwant in de opgaande lijn: kan niet beschouwd worden als zijnde ten laste van de Belgische zoon. Betrokkene heeft een Belgisch pensioen. (...).”. XIV-10.949-3/8
  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  2. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, werpt verzoekster de volgende middelen tot nietigverklaring op: - Beslissing op grond van niet-toepasselijke wetgeving: foute motivering: Verzoeksters aanvraag tot vestiging dd. 24/01/02 werd door het MINISTERIE op 24/06/02 afgewezen met verwijzing naar de artikelen 45/61 van het KB van 08/10/1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook naar het artikel 42 van de wet van 15/12/
  3. Als enige redengeving voor haar beslissing gaf het MINISTERIE m.n. op: "voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging als bloedverwant in de opgaande lijn: kan niet beschouwd worden als zijnde ten laste van de Belgische zoon. Betrokkene heeft een Belgisch pensioen." Dat verzoekster, als weduwe van een vroegere mijnwerker, een Belgisch pensioen geniet werd uiteraard nooit betwist. (Stuk 3) Verzoekster, die inmiddels reeds op leeftijd is gekomen, wenst zich evenwel in België te vestigen bij haar Belgische zoon omdat zij in Turkije geen naaste familieleden meer heeft die kunnen instaan voor haar zorgen. Wegens haar toenemende ouderdom lijdt verzoekster bovendien momenteel aan reumatische klachten; ondervindt zij toenemende pijnen en gangmoeilijkheden van de onderste ledematen. (Stukken 5-6) Verzoekster is wegens haar ouderdom en medische klachten daarom toegewezen op de uitsluitende zorgen van haar Belgische zoon die ook effectief aan verzoekster die zorgen geeft. In die zin heeft het MINISTERIE in casu een verkeerde toepassing gemaakt van de wet. Immers, het begrip "ten laste van" heeft een ruimere betekenis dan alleen maar het "financiële". Artikel 40 van de Vreemdelingenwet houdt immers nergens een verduidelijking of uitleg in van het begrip "ten laste van". Gezien het begrip "ten laste van" een ruimere betekenis heeft dan louter maar het financiële aspect, heeft het artikel 40 van de Vreemdelingenwet i.c. op verzoekster wel degelijk toepasselijkheid. En aangezien de bestreden beslissing berust op een motief dat niet is opgenomen in art. 40 e.v. van de Vreemdelingenwet volgt hieruit dat de bestreden beslissing in feite op een onwettig motief steunt.”; 2.1.2.
  4. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat door de bestreden beslissing een verkeerde toepassing van de wet werd gemaakt en dat de bestreden beslissing in feite op een onwettig motief steunt, aangezien zij berust op een motief dat niet is opgenomen in artikel 40 en volgende van de Vreemdelingenwet, dat de bestreden beslissing stelt dat verzoekster niet kan beschouwd worden als zijnde ten laste van haar Belgische zoon, aangezien verzoekster een Belgisch pensioen heeft; dat verzoekster van oordeel is dat het begrip “ten laste van” in artikel 40 van de Vreemdelingenwet een ruimere betekenis heeft dan alleen maar het financiële, aangezien deze bepaling nergens een verduidelijking of uitleg inhoudt van dit begrip “ten laste van”; dat verzoekster oordeel is dat artikel 40 van de Vreemdelingenwet wel degelijk op haar van toepassing is, aangezien zij meent dat dit begrip een ruimere betekenis heeft dan louter het financiële aspect; dat verzoekster erop wijst dat zij wegens haar ouderdom en medische klachten aangewezen is op de hulp van haar Belgische zoon; XIV-10.949-4/8 2.1.2.
  5. Overwegende dat verzoekster beweert dat het begrip “ten laste van” ruimer dient te worden geïnterpreteerd dan louter het financieel aspect zonder echter concreet aan te tonen dat dit begrip inderdaad ruimer dient geïnterpreteerd; dat er dient op gewezen dat het begrip “ten laste van” in de taalkundige betekenis wordt omschreven als “voor rekening van, op kosten van”, zoals blijkt uit “Van Dale - Groot Woordenboek der Nederlandse taal”, hetgeen erop wijst dat dit begrip eerder een financiële betekenis heeft; dat verzoekster niet kan overtuigen met de loutere bewering dat dit begrip een ruimere betekenis heeft dan het “financiële”; dat het argument van verzoekster luidens hetwelk “zij wegens haar toenemende ouderdom en medische klachten toegewezen is op de uitsluitende zorgen van haar Belgische zoon die ook effectief die zorgen aan verzoekster geeft”, niet aantoont dat zij ten laste is van deze persoon; dat verzoekster dan ook niet zonder meer kan stellen dat artikel 40 van de Vreemdelingenwet op haar van toepassing is; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “- schending van de wet van 29/07/91 betreffende de formele motivering van administratieve handelingen en akten: De bestreden beslissing dd. 24/06/02 is onvoldoende gemotiveerd. Wanneer een bestuurlijke overheid over een appreciatiebevoegdheid beschikt, dient ze deze bevoegdheid uit te oefenen en haar beslissing formeel te motiveren op een zulkdanige wijze dat verzoekster geïnformeerd is over de redenen die de overheid ertoe hebben gebracht om te beslissing zoals ze heeft beslist. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing dd. 24/06/02 blijkt alleszins nergens dat het MINISTERIE de bijzondere redenen die verzoekster had ingeroepen ter staving van haar aanvraag tot vestiging bij haar Belgische zoon, wel degelijk onderzocht heeft teneinde te bepalen of deze redenen al of niet de negatieve beslissing dd. 24/06/02 rechtvaardigen.”; 2.2.
  7. Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft aan de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich te weren tegen die handeling; dat uit de bewoordingen van het verzoekschrift zelf blijkt dat verzoekster de wettelijke basis van de bestreden beslissing kent; dat het doel van de formele motiveringsplicht dan ook is bereikt; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.3.
  8. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “- Schending van het artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de-fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 04/11/1950 (B.S. 19/08/1955): Het is duidelijk dat het MINISTERIE i.c. onzorgvuldig is tewerkgegaan. Vermits sedert het overlijden van verzoeksters echtgenoot, zij geen naaste familieleden meer heeft in Turkije, heeft verzoekster méér dan ooit nood aan de nabijheid en morele steun van haar kinderen, die in België wonen. (Stuk 4) XIV-10.949-5/8 De bestreden beslissing moet daarom aanzien worden als een inmenging in het gezinsleven van verzoekster. De beslissing diende m.n. te vermelden welk wettig doel , zoals bedoeld in paragraaf 2 van het artikel 8 E.V.R.M., zij nastreefde en diende toe te lichten in hoeverre de inmenging evenredig was met dit doel. Het Gemeentebestuur van Genk kénde immers de familiale redenen van verzoekster die aan de aanvraag tot vestiging ten grondslag lagen. Verzoekster had zich immers samen met haar zoon en schoondochter aangeboden op het gemeentebestuur van Genk zodat de dienst redelijkerwijze ervan op de hoogte moet zijn geweest dat haar zoon niet wilde dat haar gezin zou worden gescheiden. Daarom heeft de bestreden beslissing onvermijdelijk een inmenging in het gezinsleven van verzoekster teweeggebracht en diende het derhalve te vermelden welke van de in artikel 8, 2/ lid van het E.V.R.M. opgenomen doelstellingen zulke verstoring van verzoeksters gezinsleven zou verantwoorden en in hoeverre deze verstoring in een redelijke verhouding zou staan tot die doelstelling. Het MINISTERIE heeft in die zin het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Er is geen belangenafweging gebeurd tussen de motieven van de beslissing tot weigering van vestiging en de ontwrichting van het gezin van verzoekster. In de bestreden beslissing heeft het MINISTERIE geen rekening gehouden met voormelde elementen van het privé-leven van verzoekster, doch heeft het zich beperkt tot een standaardclausule eigen aan iedere beslissing tot weigering van vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten - zonder de concrete situatie van verzoekster te bespreken (duur van haar vroeger verblijf in België ; verblijf van verzoeksters kinderen in België ; minder goede gezondheid van verzoekster, etc.). Het MINISTERIE heeft ten onrechte de aanvraag tot vestiging van verzoekster geweigerd, gezien zij niet alle gegevens van haar dossier in acht heeft genomen. Om al de hierboven aangehaalde redenen dient derhalve de weigerende beslissing alsook het bevel om het grondgebied te verlaten te worden vernietigd.”; 2.3.2.
  9. Overwegende dat verzoekster in dit middel de schending aanvoert van artikel 8 van het E.V.R.M..; dat verzoekster stelt dat de overheid krachtens artikel 8 van het E.V.R.M. dient af te wegen of er evenredigheid bestaat tussen de motieven van de beslissing tot weigering van vestiging en de door die beslissing veroorzaakte ontwrichting van het gezin van verzoekster; dat zij van oordeel is dat deze belangenafweging in casu niet heeft plaatsgevonden; 2.3.2.
  10. Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op het motief dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging als bloedverwant in opgaande lijn, aangezien zij niet kan beschouwd worden als zijnde ten laste van haar Belgische zoon omwille van het feit dat zij een Belgisch pensioen heeft; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken het feit dat verzoekster sedert het overlijden van haar echtgenoot geen naaste familieleden meer heeft in Turkije en zij nood heeft aan de nabijheid en morele steun van haar kinderen die in België wonen, niet diende te betrekken bij het nemen van de bestreden beslissing, daar deze omstandigheid niets wijzigt aan het feit dat zij ten laste moet zijn van haar Belgische zoon om recht te hebben op vestiging als bloedverwant in opgaande lijn; dat dit door de bestreden beslissing terecht wordt vermeld; dat verzoekster bijgevolg niet aannemelijk maakt dat er een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. is; 2.3.2.
  11. Overwegende dat verzoekster tevens van oordeel is dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; XIV-10.949-6/8 2.3.2.
  12. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de gemachtigde van de Minister de situatie van verzoekster grondig heeft onderzocht en op basis van de vaststelling dat verzoekster een Belgisch pensioen heeft, heeft beslist dat verzoekster niet beschouwd kon worden als zijnde ten laste van haar Belgische zoon; dat om deze reden de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken heeft besloten dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van het recht op vestiging als bloedverwant in de opgaande lijn; dat het derde middel niet gegrond is;
  13. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.949-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.949-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.694 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.