← België

Arrest 155698 - - 01/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.698 Rolnummer: A. 127765/XIV-12046 Zaak: Arrest 155698 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:35 Fiche Arrest nr 155.698 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.698 van 1 maart 2006 in de zaak A. 127.765/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. SAMPERMANS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Koningin Astridlaan 46 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 7 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 augustus 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard alsook van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-12.046-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. ANDOULSI die, loco Advocaat M. SAMPERMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 5 september 2001 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) ingediend. 1.
  4. Op 23 augustus 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de voormelde aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing: “(...) ONONTVANKELIJKHEID VAN EEN AANVRAAG OM MACHTIGING TOT VERBLIJF De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 08/10/01 bij de burgemeester van Borgerhout door XXX geboren te Ijarmaouas op 00/00/1960, onderdaan van Marokko, verblijvende Guldensporenstraat 68 2140 Borgerhout, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: kan de verplaatsing naar Marokko niet financieren, familie die legaal op het grondgebied verblijven, volledig geïntegreerd is, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Bijgevolg dient de vreemdeling: " na afloop van zijn studies het land te verlaten " gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op ! gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend (...).”. 1.
  5. Op 5 september 2002 wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. XIV-12.046-2/6 Dit is de tweede bestreden beslissing: “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN - Model B In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt aan XXX (M) geboren te IJARMAOUAS, MAROKKO op 00-00-1960 onderdaan van MAROKKO verblijvend: Guldensporenstraat 68 2140 Antwerpen-Borgerhout het bevel gegeven om uiterlijk op 10-09-2002 het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van de volgende Staten: Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Oostenrijk, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden, Denemarken

(1). REDEN VAN DE BESLISSING - art 7 al 1 - 1ste "verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten" - geen geldig visum Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt hij (zij) gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. (...).”.
  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  2. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “A. OMTRENT HET ANNULATIEBEROEP: Dat verzoeker bij toepassing van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de vernietiging vordert van de bestreden beslissing; Dat dit annulatieberoep volgens de omstandigheden van de zaak op ernstige gronden gevoerd wegens:
  3. Machtsoverschrijding en het niet naleven van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en wegens foutieve en onvoldoende motivering van de beslissing;
  4. schending van het redelijkheidsprincipe. I. ONMOGELIJKHEID TOT TERUGKEER: Allereerst is het zo dat verzoeker alhier verblijft sedert 1982; Dat niet van verzoeker kan verwacht worden en dit tevens onredelijk zou zijn dat wanneer hij alhier 15 jaar een eigen leven heeft opgebouwd dat hij dit zomaar achter zich laat om in zijn land van herkomst een formaliteit te gaan vervullen; Dat het leven van een mens primeert op het vervullen van een formaliteit (namelijk deze aanvraag richten via de Belgische Ambassade of Consulaat uit het land van herkomst); Ten tweede beschikt verzoeker niet over de vereiste documenten en verkeert hij tevens buiten zijn wil in een administratieve onmogelijkheid tot terugkeer omdat hij zijn documenten niet op wettige wijze kan bekomen; Verzoeker heeft er zodoende alle belang bij, zowel persoonlijk, rechtstreeks, actueel en wettig, om deze aanvraag vanuit België te richten; Dat dit ten zeerste een uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt; “De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, Janssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519); Krachtens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is het een substantiële vormvereiste dat motivering -en dan nog noodzakelijkerwijze een juiste en juridisch aanvaardbare motivering- gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen. XIV-12.046-3/6 Uit de voorgaanden blijkt dat de bestreden beslissing niet juist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridisch onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is daar de bestreden beslissing louter verwijst naar het feit dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden heeft aangehaald en bijgevolg zijn verzoekschrift onontvankelijk is; Dat de bestreden beslissing noch minder melding maakt wat volgens hen dan wel een buitengewone omstandigheid is; Dat artikel 9 par. 3 van de Vreemdelingenwet dd. 23/08/2002 inderdaad melding maakt van 'buitengewone omstandigheden' doch dat deze niet gespecifieerd zijn; Dat de `buitengewone omstandigheden' van geval tot geval dient bekeken te worden en telkens opnieuw dient getoetst te worden bij ieder nieuw ingediend verzoekschrift; Dat de motivering die de bestreden beslissing aanhaalt manifest ontoereikend is en derhalve faalt zij in rechte; II. DUURZAME BINDINGEN EN HUMANITAIRE REDENEN Dat verzoeker sedert 1982 alhier verblijft en zodoende 20 jaar; Dat verzoeker uiteraard meer dan voldoende voldoet aan de vereiste 5 of 6 jaar bij de procedure regularisatie conform de Wet van 22/12/1999; Dat zodoende de Minister van Binnenlandse Zaken onmiddellijk positief mag beschikken; Dat hier in hoofde van verzoeker zeker aan voldaan is; Dat de bestreden beslissing zelfs aan de integratie van verzoeker niet twijfelt of in vraag stelt maar enkel haalt zij aan dat verzoeker zijn aanvraag even goed in zijn land van herkomst kan doen; Dat dit incorrect is gelet op het hierboven uiteengezette; Dat zelfs de bestreden beslissing overtuigd is van verzoekers' integratie; Dat de integratie van verzoeker zéker duurzame sociale bindingen heeft teweeggebracht; Dat verzoeker ondertussen de Nederlandse taal goed spreekt en perfect begrijpt; Dat op basis hiervan verzoeker al zeker een regularisatie zou kunnen bekomen. Dat ten gevolge van dergelijke flagrante schendingen van hogervermelde middelen de bestreden beslissing dient vernietigd te worden;”; 2.2.
  5. Overwegende dat uit het enig middel blijkt dat dit enkel gericht is tegen de eerste bestreden beslissing; dat verzoeker geen middelen aanvoert tegen het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoeker de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel; dat het eerste onderdeel van het middel betrekking heeft op de “onmogelijkheid tot terugkeer”; dat het tweede onderdeel van het middel betrekking heeft op het al dan niet voorhanden zijn van “duurzame bindingen en humanitaire redenen”; 2.2.
  6. Overwegende dat artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat het hem in “buitengewone omstandigheden” evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet verward mogen worden met de argumenten die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, XIV-12.046-4/6 verzoeker meent dat, aangezien hij in België een eigen leven heeft opgebouwd, het niet redelijk is dat van hem wordt verwacht dat hij dit zomaar achterlaat om in zijn land van herkomst “een formaliteit” te vervullen, met name het indienen van een aanvraag op een Belgische diplomatieke post in Marokko; dat daarenboven verzoeker stelt dat hij buiten zijn wil om in de administratieve onmogelijkheid verkeert om de “vereiste documenten” te bekomen; dat volgens verzoeker deze gegevens aantonen dat hij er alle belang bij heeft om zijn aanvraag in België in te dienen en dat dit bijgevolg een buitengewone omstandigheid vormt; dat door louter te verwijzen naar een gebrek aan buitengewone omstandigheden volgens verzoeker de formele motiveringsplicht wordt miskend; dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een bepaalde beslissing heeft genomen, zodat kan worden geoordeeld of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waar hij over beschikt; dat aan de motiveringplicht is voldaan wanneer de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop de beslissende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat dient vastgesteld dat de motieven op duidelijke wijze in de bestreden beslissing worden verwoord, met name het niet kunnen financieren van de verplaatsingskosten naar Marokko, het gegeven dat familie van verzoeker legaal in België verblijft en het volledig geïntegreerd zijn in België geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke overwegingen de door hem bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat, in zoverre verzoeker de in de bestreden beslissing weergegeven motivering “onredelijk” vindt, dient opgemerkt dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat het onwettig of kennelijk onredelijk is om de financiële redenen, het hebben van legaal in België verblijvende familie en het langdurig verblijf in België niet als buitengewone omstandigheden te aanvaarden; dat, wat het tweede onderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat er geen buitengewone omstandigheden voorhanden zijn, hij de redenen die betrekking hebben op de zaak zelf niet diende te onderzoeken; dat het enig middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-12.046-5/6 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.046-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.698 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.