id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.702 Rolnummer: A. 119316/XIV-9435 Zaak: Arrest 155702 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 11:36 Fiche Arrest nr 155.702 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.702 van 1 maart 2006 in de zaak A. 119.316/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van haar twee minderjarige kinderen : XXX (26.03.1988) en XXX (16.07.1992), 3.XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat A. VAN DE STEEN, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van haar twee minderjarige kinderen XXX en XXX en XXX, allen van Albanese nationaliteit, op 8 april 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 april 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-9435-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. HERMANS die, loco Advocaat A. VAN DE STEEN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, XXX handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van haar twee minderjarige kinderen XXX en XXX en XXX, allen van Albanese nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 15 augustus 1999 en verklaren zich op 18 augustus 1999 vluchteling. 1.
- Op 8 september 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot onontvankelijkheid van hun asielaanvraag en wordt hen het verblijf in het Rijk geweigerd. Verzoekers zijn in het bezit van een visa, geldig tot 5 januari 2000 en uitgereikt door de Franse ambassade. Zij doen in overeenstemming met de Conventie van Dublin een asielaanvraag in Frankrijk. Deze aanvraag wordt in beroep op 5 november 2001 verworpen. 1.
- Op 13 februari 2002 dienen de verzoekende partijen een aanvraag om machtiging tot verblijf in, met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 5 maart 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij hun aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. De beslissing wordt aan XIV-9435-2/16 betrokkenen ter kennis gebracht op 13 maart
- Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX en XXX en kinderen XXX, XXXen XXX geboren te Korce op 25/09/1956 nationaliteit: Albanië adres: Naarstigheidsstraat 2, 1ste verd. 9300 Aalst XXX referentie: SP/EM/ in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat de drie kinderen hier naar school gaan en hier zeer goede resultaten halen, het gezin reeds twee en een half jaar in Aalst verblijft, zij zeer goed Nederlands spreken, een grote vriendenkring hebben, zij geen economische vluchtelingen zijn en geen OCMW-steun genieten is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9,3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. De problemen in hun land hebben bovendien reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag in Frankrijk. Deze aanvraag werd afgewezen; de problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Daarnaast hebben betrokkenen reeds op 08/09/1999 een beslissing 'Weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten' gekregen van de Dienst Vreemdelingenzaken met een annex 26 quater omdat enkel Frankrijk de asielaanvraag van betrokkenen kan behandelen aangezien de visa van betrokkenen door een Franse ambassade werden uitgereikt. Het gezin meldde zich in Frankrijk maar bleef illegaal in België wonen. Het feit dat zij reeds meer dan twee en een halfjaar in België wonen, is hun eigen beslissing geweest die indruiste tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 08/09/
- Dit kan dan ook niet aanvaard worden als uitzonderlijke omstandigheid. Wat de medische omstandigheden betref, deze kunnen, indien nodig, even goed in Frankrijk behandeld worden als in België. Frankrijk is sowieso verantwoordelijk voor de verwijdering van betrokkenen uit het Schengen-gebied, dus kunnen zij hun medische problemen daar voorleggen. Er zal opnieuw een aanvraag tot overname aangevraagd worden aan Frankrijk, waar hun asielprocedure op 05/11/2001 in beroep werd verworpen. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 9, 3DE LID VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN EN DE OMZENDBRIEF DD. 15 DECEMBER 1998 XIV-9435-3/16 De bestreden beslissing schendt artikel 9, 3de lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag tot machtiging verblijf op basis van art.9, alinea 3 van de wet van 15december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk verklaarde stellende: “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat de drie kinderen hier naar school gaan en hier zeer goede studieresultaten halen, het gezin reeds twee en een halfjaar in Aalst verblijft, zij zeer goed Nederlands spreken, een grote vriendenkring hebben, zij geen economische vluchtelingen zijn en geen OCMW-steun genieten is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. De problemen in hun land hebben bovendien reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag in Frankrijk. Deze aanvraag werd afgewezen; de problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9.3 van de wet van 1980 in België worden ingediend. Daarnaast hebben betrokkenen reeds op 08/09/1999 een beslissing "Weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten" gekregen van de Dienst Vreemdelingenzaken met een annex 26 quater omdat enkel Frankrijk de asielaanvraag van betrokkenen kan behandelen aangezien de visa van betrokkenen door een Franse ambassade werden uitgereikt. Het gezin meldde zich in Frankrijk maar bleef illegaal in België wonen. Het feit dat zij reeds meer dan twee en een halfjaar in België wonen, is hun eigen beslissing geweest die indruiste tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 08/09/
- Dit kan ook niet aanvaard worden als uitzonderlijke omstandigheid. Wat de medische omstandigheden betreft, deze kunnen, indien nodig, even goed in Frankrijk behandeld worden als in België, Frankrijk is sowieso verantwoordelijk voor de verwijdering van betrokkenen uit het Schengen-gebied, dus kunnen zij hun medische problemen daar voorleggen. Er zal opnieuw een aanvraag tot overname aangevraagd worden aan Frankrijk, waar hun asielprocedure op 05/11/2001 in beroep werd verworpen.” Terwijl verzoeker toch van mening is dat in het kader van de procedure aanvraag tot machtiging verblijf op basis van art.9, alinea 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een dubbele motivering dient worden gesteld: - m.b.t. de ontvankelijkheid dienen buitengewone omstandigheden worden opgeworpen - m.b.t. de gegrondheid dienen bijzondere reden worden aangehaald Kwestieuze beslissing stelt dat er geen buitengewone omstandigheden zijn die de aanvraag to machtiging tot verblijf vanuit België kunnen verantwoorden en besluit dan tot de onontvankelijkheid van de aanvraag. Conform de omzendbrief dd. 15 december 1998 dienen buitengewone omstandigheden worden aangehaald die in logisch verband staan met de onmogelijkheid of onhaalbaarheid van een tijdelijk verblijf in het land van herkomst. Toelichting In casu zijn er zeer gegronde buitengewone omstandigheden. Verzoeker heeft deze in zijn aanvraag tot machtiging zeer omstandig uiteengezet en zal deze argumentatie hier beknopt herhalen. Verzoeker verwijst naar stuk 3 voor de volledige omschrijving van de buitengewone omstandigheden. Er zijn zeer ernstige doodsbedreigingen in Albanië door de Albanese maffia ten aanzien van verzoekers en hun gezin geuit. Te dezen bleef het duidelijk niet alleen bij verbale agressie. Verzoekers tonen duidelijk aan dat zij met hun leven bedreigd worden omwille van hun openlijke steunbetuigingen aan de Democratische Partij. (zie feiten boven en zie stuk 3 en 5) Kwestieuze beslissing antwoordt op deze ernstige bedreigingen die zeker als buitengewone omstandigheden kunnen aangemerkt worden: XIV-9435-4/16 “De problemen in hun land hebben bovendien reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag in Frankrijk. Deze aanvraag werd afgewezen; de problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9.3 van de wet van 1980 in België worden ingediend” Het volstaat echter niet te verwijzen naar een onderzoek in het kader van een asielaanvraag in Frankrijk. Deze omstandigheden werden niet onderzocht door de Dienst Vreemdelingenzaken dus kan de Dienst Vreemdelingenzaken zich hier ook niet over uitspreken. Bovendien komt de Dienst Vreemdelingenzaken door met een simpele verwijzing naar de asielaanvraag in Frankrijk te antwoorden ook nog te kort in haar motiveringsplicht (zie verder) en is er te dezen ook sprake van machtsafwending (zie verder). Het moge uit de stukken duidelijk blijken dat met betrekking tot de doodsbedreigingen in Albanië er zeker sprake is van buitengewone omstandigheden die in logisch verband staan met de onmogelijkheid of onhaalbaarheid van een tijdelijk verblijf in het land van herkomst. Immers indien verzoekers naar Albanië zouden terugkeren riskeren zij hun leven. Hoe kunnen zij daar dan een machtiging verblijf voor België aanvragen? Ook uit de gegevens met betrekking tot de vlucht uit Albanië blijkt dat verzoekers uit hun moederland zijn moeten vluchten wegens buitengewone omstandigheden. Bovendien werpen verzoekers op dat de kinderen bij een terugkeer naar Albanië zeker een schooljaar zullen verliezen. Indien de familie toch naar Albanië zou terug gestuurd worden om van daaruit de nodige documenten te bekomen, zou dit zeker aan de kinderen een schooljaar kosten. De administratieve formaliteiten nemen gelet op de omstandigheden in dit land zeer veel tijd in beslag. De tijdelijke inbreuk op het gezinsleven door iemand te dwingen haar aanvraag in het land van herkomst in te dienen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid, doch dat is wel het geval wanneer de tijdelijke verwijdering blijvende gevolgen heeft, bijvoorbeeld omdat een tijdelijke verwijdering aan het kind van betrokkene een schooljaar zou kosten. (Cfr. RvSt. , nr. 73.025 dd. 9 april 1998 en nr. 73.041 dd. 10 april 1998) Daarenboven dient ook rekening gehouden te worden met de onwil van ambtenaren die vaak in dit regime benoemd werden door de politieke tegenstanders van de democratische oppositiepartij. Niets waarborgt de onafhankelijkheid van deze ambtenaren, die in het huidig politiek regime van Albanië quasi automatisch de nodige documenten zullen weigeren. Alle omstandigheden in acht genomen, zou een aanvraag in het buitenland voor betrokkenen zeker een "buitengewone" omstandigheid betekenen. Verzoekers verwijzen dan ook naar de rechtspraak van de Raad van State die herhaaldelijk stelt dat er een belangenafweging dient te gebeuren tussen enerzijds het doel en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9, 3 de lid Vw. En, anderzijds de min of meer gemakkelijke toepassing ervan en de ongemakken die dit veroorzaakt in een concreet geval. Indien de ongemakken niet in verhouding staan tot het beoogde doel en de beoogde gevolgen, dan is de administratieve rechtshandeling "buitengewoon" nadelig voor de betrokkene en kunnen buitengewone omstandigheden ingeroepen worden. Het verlies van een schooljaar voor de drie kinderen en de moeilijkheid voor verzoekers om aan de nodige documenten in Albanië te geraken wordt in de kwestieuze beslissing niet weerlegt. Verzoekers zijn eveneens in medische behandeling in België (stuk 8). Kwestieuze beslissing stelt: Wat de medische omstandigheden betreft, deze kunnen, indien nodig, even goed in Frankrijk behandeld worden als in België, Frankrijk is sowieso verantwoordelijk voor de verwijdering van betrokkenen uit het Schengen-gebied, dus kunnen zij hun medische problemen daar voorleggen.” Het gaat echter niet op verzoekers met de medische problemen gewoon naar Frankrijk te verwijzen, aangezien verzoekers hier in België in behandeling zijn. De specialisten alsook de huisarts komen immers bij verzoekster tot de diagnose van posttraumatische paniekstoornis met hyperventilatieaanvallen secundair aan de doorstane en aanslepende problematiek. Tijdens de verdere begeleiding slaagden de artsen erin de incidenten beduidend te verminderen. De prognose is op langere termijn XIV-9435-5/16 gunstig, mits verdere begeleiding en mits het vermijden van de uitlokkende factoren. Een verhuis naar Frankrijk brengt het gezin opnieuw in een zeer onzekere situatie en kan ongetwijfeld de gemaakte vooruitgang teniet doen. Inderdaad zou een nieuwe aanslepende procedure in Frankrijk het gezin op medisch vlak grote schade toebrengen. Kwestiueze beslissing verwijst in de motivatie naar de zogenaamde bevoegdheid van Frankrijk, doch het is in casu duidelijk dat verzoekers in de toepassingsvoorwaarden vallen van artikel 9,3 van de Vreemdelingenwet. Het gaat derhalve niet op verzoekers naar een ander land door te verwijzen indien zij hier onder de toepassing van dit artikel vallen. Artikel 9,3 van de Vreemdelingenwet dient dan ook correct toegepast worden. Uit dit alles blijkt duidelijk dat aan de vereiste van de in artikel 9,3 van de Vreemdelingenwet genoemde buitengewone omstandigheden (en bijzondere redenen) in casu zeker is voldaan. Kwestieuze beslissing schendt artikel 9,3 van de Vreemdelingenwet en bovengenoemde omzendbrief Het middel is gegrond”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers stellen dat het niet volstaat in de bestreden beslissing te verwijzen naar een onderzoek in het kader van hun asielaanvraag in Frankrijk; dat de doodsbedreigingen in Albanië niet werden onderzocht door de Dienst Vreemdelingenzaken als buitengewone omstandigheid; dat hun kinderen bij een terugkeer minstens een schooljaar zullen verliezen en hun, door de onwil van de ambtenaren in het huidig politieke regime van Albanië, bijna automatisch de nodige documenten zal worden geweigerd; dat het verlies van een schooljaar en de moeilijkheid om aan de documenten te geraken in de beslissing niet wordt weerlegd; dat het evenmin opgaat om hen, met hun medische problemen, te verwijzen naar Frankrijk aangezien zij in België in behandeling zijn en de prognose luidt dat “uitlokkende factoren”, zoals een verhuizing naar Frankrijk dienen vermeden te worden; 2.1.2.
- Overwegende dat artikel 9 van de Vreemdelingenwet, luidt als volgt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; dat artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet aldus als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat aldus blijkt dat enkel wanneer er “buitengewone omstandigheden” aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze XIV-9435-6/16 buitengewone omstandigheden niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in de aanvraag tot voorlopig verblijf, op grond van art. 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, de verzoekende partijen als buitengewone omstandigheden aanvoeren : doodsbedreigingen in Albanië, verlies van een schooljaar voor de kinderen, moeilijkheid om in Albanië aan de nodige documenten te geraken en, medische behandeling in België; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de motivering ervan ingaat op de redenen waarom de aangevoerde omstandigheden niet als u buitengewoon worden beschouwd: de problemen in hun land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van hun asielaanvraag in Frankrijk en werden afgewezen en kunnen omwille daarvan niet meer als buitengewone omstandigheid worden beschouwd; wat het verlies van een schooljaar van de kinderen betreft merkt de verwerende partij op dat verzoekers reeds op 8 september 1999 een “beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten” hadden gekregen van de Dienst Vreemdelingenzaken omdat enkel Frankrijk hun asielaanvraag kon behandelen; dat verzoekers zich in Frankrijk meldden maar illegaal in België bleven wonen; dat het feit dat verzoekers reeds meer dan twee jaar in België wonen, is hun eigen beslissing geweest die indruiste tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten waardoor het niet kan aanvaard worden als uitzonderlijke omstandigheid, de aanvraag om machtiging tot verblijf dient ingediend te worden via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, niets verplicht verzoekers zich te richten tot onwillige ambtenaren “(...) die in het huidige regime van Albanië quasi automatisch de nodige documenten zullen weigeren.”; dat verzoekers even goed in Frankrijk medisch behandeld kunnen worden als in België, aangezien Frankrijk verantwoordelijk is voor de verwijdering van verzoekers uit het Schendingen-gebied dienen zij hun medische problemen daar voor te leggen, verzoekers tonen overigens niet in concreto aan dat hun gezondheidstoestand zodanig verslechterd is dat zij niet meer kunnen verhuizen naar Frankrijk, de stelling dat hun medische toestand bij een verhuizing naar Frankrijk zal verslechteren is een loutere veronderstelling van verzoekers; dat de verzoekende partijen de vaststellingen van de minister betreffende de door hen aangehaalde buitengewone omstandigheden niet weerleggen ,doch zich beperken tot de letterlijke herhaling van hun aanvraag en het formuleren van een aantal algemene beweringen; dat zij voorbij gaan aan het illegale karakter van hun verblijf; dat verzoekers niet aantonen dat de conclusie van de minister, dat zij geen aanvaardbare buitengewone omstandigheden hebben ingeroepen om hun aanvraag niet via gewone weg in te dienen, is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat de verwerende partij derhalve, zonder schending van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, kon stellen dat geen XIV-9435-7/16 uitzonderlijke omstandigheid werd aangehaald waarom de machtiging tot voorlopig verblijf niet in het buitenland kon worden afgehaald; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “TWEEDE MIDDEL: NIET-NALEVING VAN DE HOORPLICHT De bestreden beslissing schendt de beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald de verplichting om de betrokkene te horen. Doordat de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag tot machtiging verblijf op basis van art.9, alinea 3 van de wet van 15decernber 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk verklaarde zonder aan verzoekers zelfs nog maar de kans te geven bijkomende inlichtingen te verstrekken. Terwijl verzoekers toch van mening zijn dat in het kader van de procedure aanvraag tot machtiging verblijf op basis van art. 9, alinea 3 van de wet van 15decernber 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen verzoekers dienen gehoord te worden, daar de hoorplicht een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is. Welnu, door het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag tot machtiging verblijf op basis van art.9, alinea 3 van de wet van 15decernber 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ten onrechte onontvankelijk verklaarde, heeft zij aan verzoekers het recht ontnomen om gehoord te worden, daar waar zij er als bestuurlijke overheid net toe gehouden is de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de hoorplicht, te eerbiedigen ... “De hoorplicht heeft enerzijds tot doel het vrijwaren van de belangen van de individuele burger, door hem de mogelijkheid te bieden een voor hem ongunstige beslissing te vermijden ; anderzijds het vrijwaren van het belang van het bestuur, door te vermijden dat het bestuur zonder kennis van zaken onzorgvuldige beslissingen zou nemen.” (OPDEBEEK, I., “Het recht van verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen" in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur", Antwerpen, Kluwer, 1993, 4; In casu staat het vast dat deze hoorplicht van toepassing was, daar tegen verzoekers een ernstige maatregel (met name de onontvankelijkheidsbeslissing van hun aanvraag) kon worden getroffen die van aard was om hun belangen zwaar aan te tasten. “Algemeen wordt aangenomen dat de regel, dat aan betrokkenen vooraf gelegenheid moet worden geboden tot het voorbrengen van hun standpunt ter zake, niet alleen geldt bij disciplinaire maatregelen, maar een algemeen karakter heeft, in die zin, dat hij ook zonder uitdrukkelijk wettelijk voorschrift, toepassing behoort te vinden in alle gevallen waarin iemand bedreigd wordt met een maatregel die hem nadeel berokkent dan wel door hem als kwetsend wordt ervaren, doch slechts in zoverre die maatregel gebaseerd is op gegevens die de betrokkene als een tekortkoming worden aangerekend, eensdeels, en het horen van de betrokkene als een tekortkoming er niet toe leidt de noodzakelijke concrete gezagsuitoefenening binnen de dienst onmogelijk maken, anderdeels.” R.v.St., 18 september 1984, nr. 24.651, W. Thys) Hieruit kan zonder twijfel worden besloten dat de bestreden beslissing de hoorplicht manifest geschonden heeft! Het middel is gegrond.”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoekers stellen dat de verwerende partij hun aanvraag onontvankelijk verklaarde zonder hen zelfs nog maar de kans te geven bijkomende inlichtingen te verstrekken en te worden gehoord; 2.2.2.
- Overwegende dat de procedure die wordt geregeld door de Vreemdelingenwet voor de minister of zijn gemachtigde en voor de Commissaris-generaal XIV-9435-8/16 voor de vluchtelingen en de staatlozen, een administratieve procedure is en geen jurisdictionele; dat de minister niet verplicht is de partijen vooraf mondeling te horen; dat verzoekers overigens tijdens het onderzoek van hun aanvraag steeds de mogelijkheid hadden om bijkomende stukken en inlichtingen in te dienen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoekers als derde middel aanvoeren: “DERDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET RECHT VAN VERDEDIGING DOOR EEN GEBREK, ONDUIDELIJKHEID EN DUBBELZINNIGHEID IN DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING Schending van artikel 3 van de wet de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze heeft geantwoord op de aanvraag tot machtiging verblijf, door verzoekers op 28.01.2002 verzonden naar de burgemeester van Aalst. Dat de kwestieuze beslissing derhalve niet ten genoege van rechte heeft aangetoond dat verzoekers niet in de toepassingsvoorwaarden van artikel 9,3 van de vreemdelingenwet vallen wegens een gebrek aan uitzonderlijke omstandigheden. Kwestieuze beslissing antwoordt namelijk niet op een aantal omstandigheden door verzoekers aangehaald. Terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en vooral afdoende motivering van een dergelijke beslissing vereisen. Dat het volgens verzoekers niet volstaat om verzoekers louter te verwijzen naar Frankrijk. De bestreden beslissing is dan ook uiterst onduidelijk en zeer karig wat haar motivering betreft met betrekking tot een aantal door verzoekers aangehaalde middelen. Toelichting: De bestreden beslissing stelt: “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat de drie kinderen hier naar school gaan en hier zeer goede studieresultaten halen, het gezin reeds twee en een halfjaar in Aalst verblijft, zij zeer goed Nederlands spreken, een grote vriendenkring hebben, zij geen -economische vluchtelingen zijn en geen OCMW-steun genieten is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. De problemen in hun land hebben bovendien reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag in Frankrijk. Deze aanvraag werd afgewezen; de problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9.3 van de wet van 1980 in België worden ingediend. Daarnaast hebben betrokkenen reeds op 08/09/1999 een beslissing "Weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten" gekregen van de Dienst Vreemdelingenzaken met een annex 26 quater omdat enkel Frankrijk de asielaanvraag van betrokkenen kan behandelen aangezien de visa van betrokkenen door een Franse ambassade werden uitgereikt. Het gezin meldde zich in Frankrijk maar bleef illegaal in België wonen. Het feit dat zij reeds meer dan twee en een halfjaar in België wonen, is hun eigen beslissing geweest die indruiste tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 08/09/
- Dit kan ook niet aanvaard worden als uitzonderlijke omstandigheid. Wat de medische omstandigheden betreft, deze kunnen, indien nodig, even goed in Frankrijk behandeld worden als in België, Frankrijk is sowieso verantwoordelijk voor de verwijdering van betrokkenen uit het Schengen-gebied, dus kunnen zij hun medische problemen daar voorleggen. Er zal opnieuw een aanvraag tot overname aangevraagd worden aan Frankrijk, waar hun asielprocedure op 05/11/2001 in beroep werd verworpen.” XIV-9435-9/16 De bestreden beslissing beantwoordt op geen enkele manier de volgende omstandigheid, door verzoeker in zijn aanvraag zeer omstandig beschreven, nl. de moeilijkheid om in Albanië aan de nodige documenten te geraken - verlies van een schooljaar voor de kinderen. “... de kinderen bij een terugkeer naar Albanië zeker een schooljaar zullen verliezen. Indien de familie toch naar Albanië zou terug gestuurd worden om van daaruit de nodige documenten te bekomen, zou dit zeker aan de kinderen een schooljaar kosten. De administratieve formaliteiten nemen gelet op de omstandigheden in dit land zeer veel tijd in beslag. De tijdelijke inbreuk op het gezinsleven door iemand te dwingen haar aanvraag in het land van herkomst in te dienen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid, doch dat is wel het geval wanneer de tijdelijke verwijdering blijvende gevolgen heeft, bijvoorbeeld omdat een tijdelijke verwijdering aan het kind van betrokkene een schooljaar zou kosten. (Cfr. RvSt. , nr. 73.025 dd. 9 april 1998 en nr. 73.041 dd. 10 april 1998) Daarenboven dient ook rekening gehouden te worden met de onwil van ambtenaren die vaak in dit regime benoemd werden door de politieke tegenstanders van de democratische oppositiepartij. Niets waarborgt de onafhankelijkheid van deze ambtenaren, die in het huidig politiek regime van Albanië quasi automatisch de nodige documenten zullen weigeren. Alle omstandigheden in acht genomen, zou een aanvraag in het buitenland voor betrokkenen zeker een "buitengewone" omstandigheid betekenen. Verzoekers verwijzen dan ook naar de rechtspraak van de Raad van State die herhaaldelijk stelt dat er een belangenafweging dient te gebeuren tussen enerzijds het doel en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9, 3de lid Vw. En, anderzijds de min of meer gemakkelijke toepassing ervan en de ongemakken die dit veroorzaakt in een concreet geval. Indien de ongemakken niet in verhouding staan tot het beoogde doel en de beoogde gevolgen, dan is de administratieve rechtshandeling "buitengewoon" nadelig voor de betrokkene en kunnen buitengewone omstandigheden ingeroepen worden...” Het verlies van een schooljaar voor de drie kinderen en de moeilijkheid voor verzoekers om aan de nodige documenten in Albanië te geraken wordt in de kwestieuze beslissing niet weerlegt. Wat betreft de situatie in Albanië verwijst de bestreden beslissing naar een onderzoek in het kader van een asielaanvraag in Frankrijk dat "diepgaand" wordt genoemd. Het is niet omdat de aanvraag daar werd afgewezen dat de problemen niet meer aanvaard kunnen worden als buitengewone omstandigheden in het kader van artikel 9,3 van de vreemdelingenwet, zoals de bestreden beslissing stelt. Bijgevolg volstaat het evenmin wat betreft de medische problemen te verwijzen naar Frankrijk, stellende dat de problemen daar ook kunnen behandeld worden. De beslissing werd dan ook niet op afdoende wijze gemotiveerd. Het middel is gegrond.”; 2.3.2.
- Overwegende dat verzoekers opnieuw verwijzen naar de door hen aangehaalde buitengewone omstandigheden, met name, het verlies van een schooljaar voor de kinderen en de moeilijkheid om in Albanië aan de nodige documenten te geraken en stellen dat de verwerende partij hierop niet heeft geantwoord; dat het niet is omdat hun asielaanvraag werd afgewezen in Frankrijk dat hun problemen in Albanië niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheid in het kader van hun verblijfsaanvraag; dat het evenmin volstaat dat de verwerende partij, wat hun medische problemen betreft, verwijst naar Frankrijk stellende dat de problemen daar ook kunnen worden behandeld; 2.3.2.
- Overwegende dat de door verzoekers aangehaalde buitengewone omstandigheden door de minister niet als buitengewone omstandigheden werden aangenomen; dat de appreciatie van feitelijke gegevens in de eerste plaats een zaak van de XIV-9435-10/16 overheid is; dat de Raad van State enkel moet nagaan of de overheid bij de beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat wat de motivering betreft in de bestreden beslissing waarom de aangehaalde buitengewone omstandigheden niet worden aangenomen, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat uit deze bespreking blijkt dat de appreciatie van de aangehaalde buitengewone omstandigheden niet kennelijk onredelijk en willekeurig is; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers als vierde middel aanvoeren: “VIERDE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 33 VAN DE CONVENTIE VAN GENÈVE MET BETREKKING TOT DE STATUS VAN VLUCHTELING VAN 8 JULI 1951 Doordat de bestreden beslissing verzoekers verplicht dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Zodat de Dienst Vreemdelingenzaken in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekers bij een terugkeer naar Albanië. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. Toelichting: Doordat de Dienst Vreemdelingenzaken zich niet de moeite getroostte de situatie in Albanië met betrekking tot verzoekers na te kijken (er werd enkel verwezen naar de asielprocedure in Frankrijk), kon zonder enig verder onderzoek de aanvraag van verzoekers afgewezen worden. Nochtans blijkt uit de feitelijke omschrijving (zie boven) duidelijk dat het in casu gaat om het bedreigen van het leven en de vrijheid van verzoekers omwille van hun politieke overtuiging. Door op geen van deze elementen in te gaan werd de verplichting om de verklaringen van verzoekers te toetsen aan hun waarachtigheid geschonden. Dat verzoekers tot op heden bevreesd zijn voor een terugkeer naar Albanië, is begrijpelijk nu ons nog zeer regelmatig berichten bereiken omtrent terreur en geweld in Albanië ten aanzien van leden van de DP, waardoor tot op heden slachtoffers vallen (zie bovenaangehaalde verslagen van Amnesty International en Human Rights Watch). Gelet op deze situatie is het geenszins aangewezen verzoekers met hun familie terug te sturen naar hun geboorteland. Bovendien volstaat het te dezen evenmin verzoekers naar Frankrijk door te sturen daar zij dan door Frankrijk zullen teruggestuurd worden naar Albanië. De vrees voor een terugkeer is derhalve gerechtvaardigd, zodat kwestieuze beslissing ten onrechte werd genomen. Het middel is derhalve gegrond.”; 2.4.
- Overwegende dat artikel 33 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het vierde middel niet ontvankelijk is; 2.5.
- Overwegende dat verzoekers als vijfde middel aanvoeren: “VIJFDE MIDDEL: Schending van art. 3 van het Europees Verdrag, ter vrijwaring van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. XIV-9435-11/16 Doordat artikel 3 van voormeld verdrag de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan een onmenselijke en/of vernederende behandeling. De schending van artikel 2 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de rechtstreekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr. 161 Terwijl de bestreden beslissing verzoekers verplicht het Belgisch grondgebied te verlaten. Zodat verzoekers op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens. Toelichting: Verzoekers kunnen hiervoor verwijzen naar hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet: bij een terugkeer zullen zij hun leven en dat van hun kinderen op het spel zetten. Daarnaast zijn er ook nog andere redenen die een terugkeer voor verzoekers onmogelijk maken: de medische problemen van de familie XXX, de moeilijkheid om in Albanië aan de nodige documenten te geraken en het verlies van een schooljaar voor de kinderen. Het gezin XXX is op de vlucht om humanitaire redenen. Voor een omstandige beschrijving van de situatie in Albanië,de concrete situatie van verzoekers in Albanië en de gevaren bij een terugkeer naar dit land verwijzen verzoekers naar de omschrijving in de feiten (zie boven). Ook dit middel is derhalve gegrond.”; 2.5.
- Overwegende dat de bestreden beslissing NIET tot gevolg heeft dat verzoekers worden teruggeleid naar het land van herkomst; dat de verzoekende partijen niet aantonen ze in Frankrijk aan folteringen en onmenselijke/vernederende straffen zullen worden onderworpen; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.6.
- Overwegende dat verzoekers als zesde middel aanvoeren: “ZESDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL Doordat het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden. Terwijl de bestreden beslissing zomaar zonder enig aangetoond verder en nuttig onderzoek besluit tot de weigering van de aanvraag tot machtiging verblijf in België. Zodat de bestreden beslissing geenszins op redelijke wijze werd genomen. Toelichting: Dat verzoeker steeds zijn motieven om een machtiging tot verblijf in België in te dienen, klaar en duidelijk heeft gesteld. De Dienst Vreerndelingenzaken heeft zeker geen zorgvuldig onderzoek gevoerd, doch zich enkel beperkt tot het verwijzen van verzoekers wat betreft de situatie in Albanië en de zeer ernstige problemen daar naar Frankrijk. Evenals wat betreft de medische problemen heeft de Dienst vreemdelingenzaken zich beperkt tot het verwijzen naar Frankrijk. Verzoekers hebben nochtans bepaalde stukken en documenten ter hand gesteld van de alhier onderzoekende overheden en steeds op een volledig onderzoek heeft aangedrongen. (zie ondermeer de foto's van de kapotgeschoten deur, de documenten m.b.t. het lidmaatschap van de DP, ... ) Indien er een zorgvuldig onderzoek was voorafgegaan aan de bestreden beslissing en er bovendien kans was gegeven aan verzoekers om hun middelen van staving uiteen te zetten, dan zou nooit de kwestieuze beslissing genomen zijn. Men zou hiertoe niet zijn overgegaan omdat uit een mogelijk ernstig onderzoek van de feitelijke gegevens en de medische situatie zou zijn gebleken en zou kunnen worden XIV-9435-12/16 bevestigd dat verzoekers wel degelijk buitengewone omstandigheden, conform artikel 9,3 van de vreemdelingenwet kunnen inroepen. Een dergelijk onderzoek had eveneens kunnen bevestigen wat er met verzoekers werkelijk was gebeurd en dat zij nog steeds alle redenen hebben om te geloven in het feit dat er gevaar bestaat dat de regels zoals vervat in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 aldaar geschonden werden en worden. Ook dit middel is derhalve gegrond.”; 2.6.
- Overwegende dat, wat het redelijkheidsbeginsel betreft, de Raad van State het zal geschonden achten indien het voordeel voor de overheid voortspruitende uit de bestreden beslissing buiten elke redelijke verhouding staat tot het nadeel dat verzoekers ondergaan; dat in casu verzoekers geen gevolg hebben gegeven aan het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat om de afgifte van een verblijfsmachtiging in België te verantwoorden, aanvaardbare buitengewone omstandigheden moeten worden ingeroepen, wat blijkens de bespreking van het eerste middel niet het geval was; dat, wat de situatie in Albanië betreft en de ernstige problemen aldaar de verwerende partij terecht stelt dat deze problemen reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek in het kader van hun asielaanvraag in Frankrijk; dat in het kader van de aanvraag tot verblijfsmachtiging op deze elementen niet meer kan worden ingegaan en de verwerende partij aldus terecht verwijst naar de asielaanvraag van verzoekers in Frankrijk die op 5 november 2001 in beroep werd verworpen; dat, wat hun medische toestand betreft uit de bestreden beslissing blijkt dat een eventuele behandeling van de medische problemen even goed in Frankrijk kan plaatsvinden; dat verzoekers niet in concreto aantonen dat een medische behandeling in Frankrijk niet mogelijk is; dat de schending van het redelijkheidsbeginsel bijgevolg niet wordt aangetoond; dat het zesde middel niet gegrond is; 2.7.
- Overwegende dat verzoekers als zevende middel aanvoeren: “ZEVENDE MIDDEL: MACHTSAFWENDING Doordat de bestreden beslissing werd ingegeven om andere dan wettelijke motieven door de Dienst Vreemdelingenzaken, nu deze verzoekers verwijst naar Frankrijk voor de behandeling van de medische problemen alsook wat betreft het onderzoek naar de problemen in Albanië. Terwijl het verbod van machtsafwending verbiedt dat eender welk overheidsorgaan zijn wettelijk voorziene macht om de rechtsmiddelen die verzoekers hebben aangewend, zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen. Zodat de Dienst Vreemdelingenzaken zich schuldig maakte aan machtsafwending. Toelichting: Verzoekers verwijten de Dienst Vreemdelingenzaken dat deze zijn taak niet naar behoren heeft uitgevoerd, doordat deze heeft nagelaten in het land van herkomst alle beschikbare informatie te vergaren aangaande de toestand van verzoekers, terwijl deze net hiertoe het best geplaatst is. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft dit duidelijk niet gedaan. Het is duidelijk dat de Dienst Vreemdelingenzaken hiervoor haar macht heeft afgewend om de volgehouden stellingen van verzoekers niet te moeten onderzoeken, althans niet op een manier die wettelijk van het Dienst Vreemdelingenzaken mocht worden verwacht. Het middel is gegrond.”; XIV-9435-13/16 2.7.
- Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de algemene beschouwingen die de verzoekende partijen in het middel formuleren, niet aantonen dat er sprake is van machtsafwending; dat het zevende middel niet gegrond is; 2.8.
- Overwegende dat verzoekers als achtste middel aanvoeren: “ACHTSTE MIDDEL: MENSELIJKE OVERWEGINGEN De bestreden beslissing heeft evenmin rekening gehouden met een aantal menselijke argumenten. Doordat de beslissing enkel gebaseerd was op het feit dat verzoekers hun aanvraag geen buitengewone omstandigheden bevatten. Terwijl in verslagen van Amnesty International en Human Rights Watch duidelijk blijkt dat er nog steeds reëel gevaar is voor verzoekers omwille van zijn politieke overtuiging: dagelijks worden nog wraakacties uitgevoerd, regelmatig worden mensen vermoord en huizen afgebrand, en tenslotte doet zelfs de corrupte politie mee aan dergelijke gewelddaden. Terwijl bovendien nog een aantal menselijke overwegingen meespelen. Uit de feitelijke uiteenzetting is reeds gebleken dat verzoekers hier in België wonen en leven met zijn gezin, en al het nodige doen om zich zo snel als mogelijk te integreren in de Belgische samenleving, hetgeen ondermeer wordt aangetoond met bijgevoegde stukken. Het gezin XXX woonde hier (voor ze naar Frankrijk dienden te vertrekken ) in de Naarstigheidsstraat 2, 9300 Aalst. De familie XXX heeft zich reeds volledig geïntegreerd in de Belgische samenleving. Het gezin XXX verblijft ook reeds meer dan twee en een half jaar te Aalst. De kinderen lopen hier reeds gedurende twee en een half jaar school en hebben veel vriendjes in de klas. XXX is negen jaar en zit in het derde leerjaar van de Vrije Basisschool, Raffelgemstraat 8, 9300 Aalst. Hij doet zoals uit zijn rapport en dd. September 2001 en November- december 2001 van erg zijn best in de klas. (stukken 19 a t.e.m. f) XXXhaalde in september zelfs een 10 voor taalschat, waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal zeer goed spreekt! Uit zijn eigen handgeschreven (en in zeer vlot Nederlands voor een negenjarige) blijkt dat hij zeer goed geïntegreerd is. Hij heeft hier zelfs een meter en peter. Hij gaat naar de muziekschool en heeft vele vriendjes.(stuk 20) Ook XXX gaat graag naar school. Ze loopt school bij de Dames van Maria te Aalst. Ze heeft er vele klasvriendjes. Zij beheerst ook zeer goed de Nederlands taal, hetgeen blijkt uit haar handgeschreven verklaring. (stukken 21 a t.e.m. j. en stuk 22) In dezelfde school is ook de oudste dochter van het gezin, XXX ingeschreven. Ook zij heeft al zeer goed de Nederlands taal onder de knie. (stuk 23 zie stuk 21d) Het hele gezin is reeds geïntegreerd en spreekt vloeiend Nederlands. Dit blijkt uit de vele verklaringen van hun uitgebreide vriendenkring die hen omschrijft als "vriendelijke, rechtschapen en gastvrije mensen..." Mevrouw en meneer XXX zullen binnenkort naar alle waarschijnlijkheid hier aan het werk kunnen. Zij spreken immers zeer goed Nederlands, zijn uitermate goed geïntegreerd, en vlot en vriendelijk in de omgang. Mevrouw XXX zal kunnen tewerkgesteld worden als poetsvrouw en meneer Gini als klusjesman (voorlopig: hij is immers van beroep eigenlijk boekhouder). De familie XXX is ook sociaal en cultureel geïntegreerd. XXX is een echte aanwinst voor het solidariteitskoor "Dwarsbalk" te Haaltert, aangezien hij een professionele muzikant is. (stuk 22 en 23a en b) Uit de vele verklaringen van de hele gemeenschap blijkt dat het gezin XXX niet alleen zeer goed geïntegreerd is in onze samenleving, maar dat het hele gezin een meerwaarde XIV-9435-14/16 geeft aan de gemeenschap. Het zijn echt zeer vriendelijke, behulpzame, mensen, die de democratische waarden een warm hart toe dragen. Het gezin wordt immers in Albanië door de maffia bedreigd omwille van zijn democratische ideeën, waarvoor ze zich actief hebben ingezet. Bovendien is het gezin XXX in België in behandeling voor het verwerken van de trauma's die zij reeds te verduren hebben gekregen. Deze brachten niet alleen psychische letsels teweeg, doch hadden ook ernstige fysische gevolgen. (zie stuk 5: het medisch attest van Dr. E. Samyn) Het middel is gegrond.”; 2.8.
- Overwegende dat het feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de appreciatie van de minister geen “middel” tot vernietiging van de bestreden beslissing is; dat in casu verzoekers zich beperken tot de vermelding dat de bestreden beslissing nietig is wegens het gebrek aan menselijke overwegingen zonder te preciseren welke wetsbepaling of rechtsbeginsel werd overtreden; dat de verzoekende partijen het niet aan de Raad van State mogen overlaten om uit deze uiteenzetting een middel te distilleren; dat het achtste middel niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-9435-15/16 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-9435-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.