← België

Arrest 155703 - - 01/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.703 Rolnummer: A. 164479/XIV-23138 Zaak: Arrest 155703 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 11:37 Fiche Arrest nr 155.703 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.703 van 1 maart 2006 in de zaak A. 164.479/XIV-23.

  1. In zake : XXX, wonende te B. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 20 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 10 mei 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-23.138-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. VERSLYPE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “Middel genomen uit de schending van: - De artikelen 52 §2 2/ en § 1 7/ en 62 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (de Vreemdelingenwet) - De Algemene Rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht - De artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen Eerste middel: Schending van de materiële motiveringsplicht De bestreden beslissing is gesteund op een niet correcte feitenvinding die de motivering van de beslissing in zijn geheel aantast. Tweede middel: Schending van de formele motiveringsplicht De bestreden beslissing maakt geen melding van afdoende en draagkrachtige motieven. Derde middel: Schending van het verbod op machtsafwending De bestreden beslissing is het resultaat van een onzorgvuldig gevoerd onderzoek. 3.
  4. Toelichting Eerste middel: Schending van de materiële motiveringsplicht Overeenkomstig het Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur van de materiële motiveringsplicht, dient iedere bestuurshandeling te worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar en draagkrachtig zijn gecontroleerd. [R.v.St., Rammant, nr. 25.491, 18 juni 1985; R.v.St., N. V. Cimenteries, nr. 26.852, 9 juli 1986, R.v.St., Osier, nr. 74.395, 3 juli 1998] De Afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft, in zijn advies dd. 15.02.1984, de materiële motiveringsplicht als een niet-geschreven grondrecht gekwalificeerd. Deze motiveringplicht is van toepassing op alle administratieve rechtshandelingen. [R.v.St., Vandermeulen, nr. 52.232, 15 maart 1995] In concreto bestaat de plicht tot motivatie uit motieven die kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig dienen te zijn. De draagkrachtvereiste veronderstelt dat de motivering deugdelijk is, hetgeen een toetsing aan vier aspecten omvat: 1/ De begrijpelijkheid van de motivering: De motivering moet logisch en consistent zijn en mag niet zijn aangetast door tegenstrijdigheden. 2/ Aanvaardbaarheid van de motivering met het oog op het recht: Een administratieve rechtshandeling zal niet draagkrachtig gemotiveerd zijn indien een onjuiste wettelijke grondslag is gehanteerd of wanneer zij uitgaat van een verkeerde interpretatie van de wet. 3/ Aanvaardbaarheid van de motivering met het oog op de feiten: Elke bestuurshandeling moet gebaseerd zijn op juiste en relevante feiten. Een beslissing gemotiveerd door materieel onjuiste feiten is vatbaar voor een vernietiging door de Raad van State. XIV-23.138-2/8 [R.v.St., Rohr-Dartevelle, nr. 65.055, 10 maart 1997] De feiten dienen zorgvuldig vastgesteld te zijn en juist te worden gekwalificeerd. Het bestuur dient volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. [VAN MEENSEL, A., “De uitdrukkelijke motiveringsplicht” in VAN EECKHOUTTE, W. (ed.), Publiekrecht, de doorwerking van het privaatrecht in het Publiek Recht] 4/ Aanvaardbaarheid van de motivering met het oog op het beleid. Tweede middel: schending van de formele motiveringsplicht Artikel 62 van de Vreemdelingenwet stelt dat de administratieve beslissingen met redenen moeten omkleed worden. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991, moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd dienen te worden in de beslissing zelf. [VAN ORSHOVEN, P., "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W. 1991-92, 490-491] Maakt zodoende geen afdoende motivering uit: vage, duistere, of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motivering. Derde middel: schending van het verbod op machtsafwending Het verbod op machtsafwending verbiedt dat eender welk overheidsorgaan zijn wettelijk voorziene macht zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk tewerk moet gaan. De zorgvuldigheidsplicht verplicht de overheid ertoe om zich volledig en correct in te lichten alvorens een beslissing te nemen. Zij dient alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Wat betreft de concrete toepassing van dit principe in het licht van de Vreemdelingenwet, heeft Uw Raad geoordeeld dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen haar beslissing moet stoelen op een correcte feitenvinding. [R.v.St., nr. 104.255, 4 maart 2005-07-15] Tenslotte mogen de voor een belanghebbende negatieve gevolgen van een beslissing niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beslissing te dienen doeleinden. 3.
  5. Toepassing op de bestreden beslissing
  6. De beslissing van het Vaste Beroepscommissie is gebaseerd op een onjuiste en onvolledige overweging van de relevante feiten met betrekking tot het werkelijke gevaar dat verzoekende partijen lopen in geval van een terugkeer naar hun land en schendt bijgevolg de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht.
  7. Verwerende partij geeft vooreerst blijk van een duidelijke tegenstrijdigheid bij de beoordeling van de feiten. Immers, er wordt gesteld dat verzoekende partij zijn "asielrelaas ongeloofwaardig is gezien hij niet in staat is om de verschillende gebeurtenissen te koppelen aan een jaartal; Dat dit op zich geen overtuigend weigeringsmotief is gezien appellant [lees: verzoekende partij] wel op een coherente manier een chronologisch overzicht van deze gebeurtenissen kan geven". Dat verzoekende partij zodoende blijk geeft van een zeer vreemde redenering. Het feit dat verzoekende partij op "een coherente manier een chronologisch overzicht" kan geven van de gebeurtenissen toont ontegensprekelijk aan dat hij een waarheidsgetrouw en nauwgezet een feitenrelaas kan geven van zijn ervaringen en dat deze niet berusten op een fictie. Desalniettemin wordt hem ten laste gelegd dat hij geen tijdsgebonden uiteenzetting kan geven. Het komt verzoekende partij voor dat verwerende partij hiermee blijk geeft van inconsequente besluitvorming en bovendien nalaat dit verder uitgebreid te motiveren. Bovendien weze duidelijk dat verzoekende partij inderdaad moeilijk de feiten kan koppelen aan een jaartal daar het systeem van jaartallen dat wij kennen niet XIV-23.138-3/8 overeenstemt met de dat van zijn geboorteland. Verwerende partij heeft nagelaten hier rekening mee te houden.
  8. Verwerende partij maakt melding van publieke informatie waarover zij beschikt zonder te melding te maken van de oorsprong van deze informatie of de waarde van het zgn. 'publiek karakter' van deze gegevens. Daarenboven wenst verzoekende partij er op te wijzen dat afstand waarvan sprake is tussen Sultanpur en Sorkhrod gecorrigeerd, minstens dient genuanceerd te worden. Het gaat immers om een bergachtige regio waardoor moeilijk kan gesteld worden dat de wandelafstand tussen beide zich beperkt tot tien tot twintig minuten. Verzoekende partij wil hierbij benadrukken dat door het bergachtige reliëf het effect van de bombardementen niet zomaar kunnen veralgemeend worden. Desalniettemin meent verwerende partij dat louter op deze grond verzoekende partij geen erkenning kan verkrijgen.
  9. Daarenboven dient verzoekende partij vast te stellen dat verwerende partij op uiterst gebrekkige wijze de gegevens nagaat van de feiten aangehaald door verzoekende partij. Immers, op geen enkele wijze wordt waarde gehecht aan de ervaringen met Hazrat Ali of het verdacht overlijden van de broer van verzoekende partij. Opnieuw wordt louter gekeken naar het tijdstip zonder daarbij rekening te houden met het verschil in tijdsplaatsing tussen Afghanistan en België. Daarbij weze duidelijk dat na het aantreden van de Regering Karzai de chaos en onveiligheid die zich binnen Afghanistan afspeelden niet van de baan waren; integendeel. De moeilijkheden die de Regering Karzai ondervindt bij het organiseren en centraliseren van haar bestuurstaken, en waar uitgebreid in de Westerse media over wordt bericht, tonen de complexiteit aan van de sociale, etnische en religieuze realiteit die zich afspeelt in Afghanistan. Het hoeft geen betoog dat dit helaas vooralsnog niet kan verhinderen dat er zich verder interne en micro-sociale mistoestanden afspelen, hetgeen in casu ontegensprekelijk het geval is. De overgangsperiode tussen het regime van de Taliban en de democratisch verkozen nieuwe regering wordt gekleurd door persoonlijke afrekeningen tussen voor- en tegenstanders van beide regimes en de centrale en lokale machthebbers. Desalniettemin stelt verzoekende partij vast dat verwerende partij hieromtrent het stilzwijgen bewaart en daarbij onrecht doet aan haar motiveringsplicht om de feiten die verzoekende partij aanhaalt te verifiëren en gemotiveerd te beoordelen.
  10. Ter informatie wenst verzoekende partij te verwijzen naar volgende uiteenzetting inzake de persoon van Hazrat Ali: "Hazrat Ali is considered the strongest power broker in Jalalabad and Nuristan in eastern Afghanistan. Backed by the United States against the Taliban, Hazrat Ali is the only power that really matters in Jalalabad. Supported by American military might and money, Ali represents a potent new force in post-Taliban Afghanistan, challenging a weak central government that has no choice but to work with him. [...] All's rivals say his gunmen routinely threaten anyone who disagrees with them that they will call down B-52 airstrikes from the Americans. Ali commands
  11. 000 fighters, making his force the largest in eastern Afghanistan. Six thousand of his soldiers are in Jalalabad and surrounding Nangahar province. [...] Disarming the men serving under Hazrat A li and others [...] is widely regarded as the key to Afghanistan's success as a viable unified state. Coalition forces, the United Nations and the Afghan government are forcing warlords like Hazrat Ali to submit to a program called Disarmament, Demobilization and Reintigration (DDR). Such a transition for Hazrat Ali and his men will be difficult, but not impossible. The main challenge will not be to convince Hazrat A Ii and his fighters is a step in the right direction, but rather that the young men under his command find enough work to keep them in civilian clothes. Another challenge the central government faces vis a vis Hazrat Ali is the control of the opium trade." XIV-23.138-4/8 [GLASSER, S., “U.S. Backing Helps Warlord Solidify Power” Washington Post 18.02.2002]
  12. Verzoekende partij wordt zodoende geconfronteerd met een gewapende militie die vooral optreedt in de regio waar hij verbleef. Uit de aangehaalde uiteenzetting in supra blijkt eveneens de dubbele rol die wordt toegekend aan Hazrat Ali: enerzijds een medestander van het nieuwe regime, anderzijds een gevreesde lokale machthebber met een uitgebreide militaire macht (een militaire militie). Dit verklaart waarom verzoekende partij genoodzaakt was om te vluchten en asiel te zoeken in België.
  13. Het lijdt geen twijfel dat een terugkeer naar Afghanistan een levensbedreigende situatie zou uitmaken daar tot op heden er nog steeds geen tekens van verandering zijn gesignaleerd. Immers, in een recent officieel rapport van de Verenigde Naties blijkt dat de situatie in Afghanistan nog steeds niet als veilig kan worden beschouwd. "The independant expert draws attention to a number of pressing human rights issues that demand the immediate attention of the Government and the international community, including: (a) The continued power and influence of factional commanders involved in illegal land seizures, extortion and intimidation. [...] “Factional commanders" refers to individuals who retain command and control over irregular forces that vary in size, strength and relation to ethnic and/or tribal systems, and continue to engage in violent activities that threaten or challenge the legal rule of the State. [...] After decades of armed conflict, Afghanistan continues to be affected by factional commanders. The power of these commanders varies, yet they generally exist outside Qf and are often opposed to, formal State systems, partly because of their authority is bound to local power structures involving ethnic and tribal allegiances. While the Government is making progress in delegitimizing and disarming some of these actors, they continue to pose a threat to national security and human rights, especially in light of their involvement in the rapidly expanding drug trade. " [BASSIOUNI, C., Report of the independent expert on the situation of human rights in Afghanistan, United Nations, Economic and Social Council, Commission of Human Rights, 11 March 2005] 3.
  14. Besluit Verzoekende partij voldoet aan art. 1, A, 2 van de Conventie van Genève dat de vluchteling definieert als zijnde 'de persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep ofzijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bedoelde vrees, niet wil inroepen, ...' In casu behoort hij tot een familie waarvan een lid een aanhanger en militant was van een van de vorige regimes en dus met een politieke overtuiging. De loutere verwantschap in hoofde van verzoekende partij met zijn broer geeft verzoekende partij de gegronde vrees dat hij eveneens zal worden gedood. Uit de uiteenzetting in supra blijkt duidelijk dat het voor verzoekende partij onmogelijk is om hulp te zoeken bij de centrale overheid daar deze hiertoe over onvoldoende feitelijke macht en controle beschikt. Uit de documenten en verklaringen blijkt dat, zelfs indien zijn niet beschouwd kunnen worden als vluchtelingen het in ieder geval onmogelijk is om, zonder gevaar voor eigen leven, terug te keren naar zijn geboorteland. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie bevat geen enkel element op basis waarvan de beweringen aangaande de bedreigingen van de gewapende militie worden weerlegd. Verzoekende partij meent te kunnen stellen dat de aangebrachte middelen derhalve als gegrond dienen beschouwd te worden.”; XIV-23.138-5/8 1.2.
  15. Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat er geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van verzoeker omwille van de strijdigheid van de gegeven verklaringen met algemeen bekende informatie over het beweerde gebied van herkomst, zoals op afdoende wijze wordt uiteengezet; dat tevens wordt aangegeven waarom geen rekening werd gehouden met de neergelegde documenten; dat aldus blijkt dat de bestreden beslissing op afdoende wijze materieel is gemotiveerd; dat het middel er zich in wezen toe beperkt algemeenheden te formuleren zonder deze te betrekken op de bestreden beslissing zelf; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.
  16. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.2.
  17. Overwegende dat voor zover het middel gericht is tegen de procedure op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het niet in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de bestreden beslissing of de wijze waarop deze tot stand is gekomen; dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is gemotiveerd; dat hij niet kan worden gevolgd daar de motivering, waarnaar wordt verwezen, als volgt luidt: “Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt dat appellants asielrelaas ongeloofwaardig is gezien hij niet in staat is om de verschillende gebeurtenissen te koppelen aan een jaartal; Dat dit op zich geen overtuigend weigeringsmotief is gezien appellant wel op een coherente manier, een chronologisch overzicht van deze gebeurtenissen kan geven; Overwegende dat de geloofwaardigheid van appellants asielrelaas wél fundamenteel ondermijnd wordt doordat zijn verklaringen manifest is strijd zijn met publieke informatie waarover de Commissie beschikt en waarmee hij ter zitting geconfronteerd werd;”; dat uit deze overwegingen duidelijk blijkt dat het gebruik van jaartallen in het relaas van verzoeker ten hoogste van bijkomende aard was; dat het doorslaggevende motief duidelijk een manifeste strijdigheid is met publiek beschikbare informatie, zoals genoegzaam wordt uiteengezet in de bestreden beslissing; dat de bestreden beslissing zelf de vindplaats op internet aangeeft van deze informatie; dat de mate van geloofwaardigheid en de algemene bekendheid van deze informatie een feitenkwestie is die de feitenrechter soeverein beoordeelt; dat, gelet op het feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op afdoende wijze aangeeft waarom zij geen geloof hecht aan het relaas van verzoeker, dit impliceert dat zij niet meer op de feiten zelf die verzoeker naar voren heeft gebracht diende in te gaan om de bestreden beslissing op afdoende wijze te motiveren; dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van XIV-23.138-6/8 artikel 1, A

(2), van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat niet wordt aangetoond op welke wijze er machtsafwending is gepleegd; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid te buiten zou gaan mocht zij, wegens het belang van de zaak voor hem, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen; dat daarenboven moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing nergens stelt dat verzoeker dient terug te keren naar zijn land van herkomst; dat de beweerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet wordt ontwikkeld en bovendien, gelet op het karakter van de bestreden beslissing, niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het derde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  1. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart+ tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-23.138-7/8 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.138-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.703 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.