id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.720 Rolnummer: A. 125326/XIV-11264 Zaak: Arrest 155720 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 11:37 Fiche Arrest nr 155.720 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.720 van 1 maart 2006 in de zaak A. 125.326/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. ROGIERS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 augustus 1975 en van Ugandese nationaliteit, op 12 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 16 augustus 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 22 augustus 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-11.264-1/6 Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. ROGIERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 2 januari 2002 en verklaart zich vluchteling op 3 januari
- 1.
- Op 17 januari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde afkomstig te zijn van Jinja (Jinja district), alwaar u school liep tot uw twintigste maar niet verder raakte dan het eerste jaar secundair onderwijs. Nadat u uw studies definitief had stopgezet ging u werken bij ‘Uganda Fish Packers’ te Kampala. In 1997 ging u in Mbiko (Mukono district) wonen met uw vriendin Nalubowa Kurusum. In de nacht van 20 mei 2001 ging u op stap met uw vriend Beica Mulondo in de ‘Ragence’. Om 1 uur ’s morgens kwamen plots twee jullie onbekende personen naast jullie plaatsnemen. Ze vroegen of jullie wel degelijk Lubanga en Beica waren en zegden dat er buiten de club iemand was die jullie wilde spreken. De twee heerschappen wezen naar de wagen waarin de persoon die jullie zogezegd wou spreken zich bevond maar eensklaps sprongen daaruit zes militairen die jullie zonder iets XIV-11.264-2/6 te zeggen in de wagen sleurden, van al jullie bezittingen ontdeden en hardhandig sloegen. Na een ongeveer drie uur durende rit naar een voor u onbekende bestemming hield de wagen halt. Bij aankomst werden jullie van elkaar gescheiden en sindsdien hebt u Beica nooit meer gezien. U werd opgesloten in een cel waar reeds om en bij de twintig personen zaten opgesloten. Ook door deze laatsten werd u geslagen omdat u een ‘nieuwkomer’ was. Door de militairen werden jullie iedere morgen wakker gemaakt en mishandeld. Terwijl u geslagen werd, probeerden ze u te doen toegeven dat u campagne had gevoerd voor Besigye, hetgeen u ontkende. De militairen waren immers in de veronderstelling dat u net zoals uw goede vriend Beica actief was geweest tijdens de presidentsverkiezingen voor Besigye. U werd ongeveer zeven maanden opgesloten. Op een nacht haalde één van de militairen u uit de cel. Hij stelde u gerust en zei dat hij van uw vader geld had ontvangen om u te helpen ontsnappen. Hij hielp u de voor u onbekende plaats uit en iets verder stond uw vader u op te wachten in zijn wagen. Hij bracht u naar zijn woning in Jinja en de volgende dag, 1 januari 2002, stelde hij u voor aan een voor u onbekende heer waarmee u samen naar Nairobi (Kenia) reisde. Samen namen jullie daar het vliegtuig richting België. Op 3 januari 2002 wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte er uw asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een geïndividualiseerde “vrees voor vervolging” in de betekenis van de Vluchtelingen- conventie van Genève. Meerbepaald legde u geen aannemelijke verklaringen af voor het Commissariaat-generaal (verder CGVS) omtrent uw beweerde detentie in een ‘safe house’. Zo is het in het geheel niet geloofwaardig dat u niet bleek te weten waar u zat opgesloten terwijl u terzelfdertijd verklaarde dat uw vader u stond op te wachten bij uw ontsnapping iets buiten de omheining van uw detentieplaats (CGVS p.6). Uw verklaring dat u hier niet over gepraat hebt met uw vader en dat niet hij maar een zekere Babalalewo het nodige heeft gedaan om u vrij te krijgen is weinig overtuigend. Van deze laatste wist u trouwens enkel te vertellen dat hij een zakenman is die veel personen kent in de regering. U kon niet aangeven wie in de regering Babalalewo (hem) dan wel heeft gecontacteerd om u vrij te krijgen (CGVS p.7). U wist verder geen enkele naam te geven van de om en bij de twintig andere gevangenen die in uw cel waren opgesloten, noch van uw bewakers (CGVS p.7) en zelfs niet van de militair die u hielp bij uw ontsnapping (CGVS p.6). Wat betreft de politieke activiteiten van uw vriend Beica en de verdachtmakingen aan uw adres dient het volgende te worden opgemerkt. Aanvankelijk verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u uw vriend Beica vergezelde bij bijeenkomsten van Besigye (CGVS p.4). Niettegenstaande de bij herhaling gestelde vraag van de interviewer naar het aantal keren dat u en Beica samen naar dergelijke samenkomsten gingen, bleek u niet in staat om daar ook maar bij benadering een cijfer op te kleven (CGVS p.6). Alsook verklaarde u voor het Commissariaat-generaal de beste vriend te zijn van Beica ((ik) ben de hele tijd samen met hem) (CGVS p.4) maar toch bleek u niet te weten wanneer hij ‘campaign manager’ werd buiten uw opmerking dat het in 2001 was, het jaar dat de campagne begon (CGVS p.4). Ook wist u niet te zeggen waarom Beica deze taak op zich nam, noch hoe men ‘campaign manager’ wordt of hoe Besigye en Beica elkaar hebben ontmoet (CGVS p.4). Los van bovenstaande opmerkingen kan het volgende worden opgemerkt aangaande uw bewering als zou u zijn opgepakt omdat de autoriteiten u ervan verdenken ook campagne te voeren voor Besigye. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat de autoriteiten Beica en u door twee personen in burger zouden laten schaduwen, arresteren en afvoeren door in het totaal acht manschappen zonder eerst een onderzoek te voeren of iemand al dan niet de oppositie steunde. Het is weinig overtuigend dat u tijdens het verhoor in dringend beroep de naam niet bleek te weten van de persoon die u begeleidde op weg naar België, van de luchtvaartmaatschappij waarmee u reisde en van de plaats waar het vliegtuig een tussenlanding deed (CGVS p.7 en p.8). U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat de controle van uw identiteit of reisweg mogelijk zou kunnen maken. De door uw raadsheer, Mr. Rogiers, neergelegde informatie (zie administratief dossier) is van algemene aard en brengt geen bewijs aan van uw persoonlijk problemen. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”.
- Overwegende dat uit de brief van 29 november 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat er op 10 oktober 2002 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting meedeelt dat hij geen uitdrukkelijke instructies heeft van XIV-11.264-3/6 zijn cliënt, maar dat zijn mandaat niet werd herroepen zodat hij volhardt in de aangevoerde middelen; dat, wanneer een Advocaat ter zitting verschijnt voor een partij, zijn mandaat wordt vermoed, tenzij er elementen voorhanden zijn die het mandaat in twijfel trekken; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 10 oktober 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang;
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet); van de beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht; dat verzoeker aanvoert dat het niet als ongeloofwaardig kan worden beschouwd dat hij niet wist waar hij opgesloten was, omdat de tocht naar het “safe house” ongeveer drie uur duurde, omdat het donker was en omdat verzoeker ondertussen werd geslagen; dat verzoeker ook een uitleg geeft waarom hij de identiteit van zijn medegevangenen en van de militairen niet kende; dat verzoeker eveneens uitleg verschaft over de politieke activiteiten van zijn vriend Beica en hoe de oppositie in Oeganda wordt behandeld; dat verzoeker tenslotte uitleg verschaft over het verloop van zijn reis naar België; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de XIV-11.264-4/6 ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op basis van volgende motieven: - verzoeker legde geen aannemelijke verklaringen af voor het Commissariaat-generaal omtrent zijn beweerde detentie in een “safe house”; - wat betreft de politieke activiteiten van zijn vriend BEICA en de verdachtmakingen aan verzoekers adres, verklaarde verzoeker dat hij BEICA vergezelde naar bijeenkomsten, maar hij kon geen concrete informatie geven over het aantal bijeenkomsten, waarom en wanneer BEICA “campaign manager” werd, hoe BESIGYE en BEICA elkaar hebben ontmoet; - de bewering dat verzoeker werd opgepakt omdat de autoriteiten hem ervan verdachten ook campagne te voeren voor BESIGYE, lijkt weinig waarschijnlijk omdat de autoriteiten niet zoveel moeite zouden doen zonder eerst een onderzoek te voeren of die persoon al dan niet de oppositie steunde; - het is weinig overtuigend dat verzoeker tijdens het interview in dringend beroep de naam niet bleek te kennen van zijn begeleider naar België, evenmin van de luchtvaartmaatschappij waarmee hij reisde en van de plaats waar het vliegtuig een tussenlanding maakte; - verzoeker is niet in het bezit van enig document dat de controle van zijn identiteit of reisweg mogelijk zou kunnen maken; de informatie neergelegd door zijn Advocaat is van algemene aard; het verzoekschrift in dringend beroep brengt geen andere elementen aan die vermogen om de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen; Overwegende dat verzoeker in het middel een verklaring post factum verschaft voor de onduidelijkheden in zijn relaas; dat verzoeker hierdoor in wezen aan de Raad van State vraagt om de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan op wettige wijze haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; XIV-11.264-5/6 Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing afdoende zijn, pertinent, deugdelijk en terzake dienend; dat de motiveringsplicht niet werd geschonden, evenmin als het redelijkheidsbeginsel; Overwegende dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.264-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.