id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.722 Rolnummer: A. 130032/XIV-12835 Zaak: Arrest 155722 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 11:38 Fiche Arrest nr 155.722 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.722 van 1 maart 2006 in de zaak A.130.032/XIV-12.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 3 januari 1984 en van Slowaakse nationaliteit, op 20 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 9 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST d.d. 21 september 2004, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 24 september 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 24 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 januari 2006 om 14.00 uur; XIV-12.835-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt voor de tweede maal België binnen op 14 juli 2002 en verklaart zich vluchteling op 31 juli
- 1.
- Op 13 september 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 23 oktober 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u het bevel om het grondgebied te verlaten, zoals eerder gegeven door de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde op te volgen (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent Slowaaks staatsburger van de Rom-origine. U diende reeds een eerste asielaanvraag in op 18 juli
- De Dienst Vreemdelingenzaken besliste negatief op 23 augustus
- Deze beslissing werd op 27 september 2001 bevestigd door het Commissariaat-Generaal. U kwam in juli 2002 opnieuw naar België samen met uw man en dochter. U diende op 31 juli uw tweede asielaanvraag in. In september-oktober 2001 keerde u naar Slowakije terug. Daar werd u met dezelfde soort problemen geconfronteerd als vroeger. U ontving een uitkering die nauwelijks voldoende was om te overleven. Tijdens uw zwangerschap (nog voor uw eerste asielaanvraag in België) incasseerde u van twee racisten slagen. U vermoedt dat de handicap van uw dochter hiervan het resultaat is. Tijdens eerder medisch onderzoek van uw dochter, gedurende de eerste asielprocedure, was door Belgische artsen gezegd dat haar arm kon worden voorbereid op het dragen van een prothese later. De Slowaakse artsen beweren echter uw gehandicapte dochter XIV-12.835-2/5 niet te kunnen helpen. Uw man werd ook één maal door de politie gevraagd of u de verblijfplaats van een bepaald persoon kende. Toen hij negatief antwoordde kreeg hij een klap in het aangezicht. Regelmatig werden u en uw gezin verbaal aangevallen. Uw man werd één maal door racisten fysiek aangevallen. Dit leidde tot hospitalisatie in januari 2002 nadat hij bewusteloos geslagen was. Dit alles deed u besluiten dat het veiliger was Slowakije te verlaten. Ter staving van uw identiteit en relaas legde u de volgende documenten voor: Internationaal paspoort man, internationaal paspoort vrouw, geboorteakte dochter, medisch attest betreffende dochter uit Slowakije, drie medische attesten betreffende dochter van Belgische artsen. Uit uw relaas blijkt dat de voornaamste reden voor uw komst naar België de medische situatie van uw dochter is. U vernam van Slowaakse artsen dat ze uw dochter niet konden verder helpen (CGVS man, p.1, 4-5, 8 en CGVS vrouw, p. 4-5). U wenst nu door Belgische artsen te worden geholpen. Uit de door u voorgelegde documenten blijkt echter nergens dat hulp levensnoodzakelijk is. Bovendien stellen de Belgische artsen voor nog een aantal jaren te wachten eer eventuele verdere stappen te ondernemen. U haalt voorts één concreet incident met de politie aan. Uw man zou een klap in het gezicht hebben gekregen, maar de agenten lieten u hierop verder met rust (CGVS man, p. 2-3, 5 en CGVS vrouw, p. 2-3). Dit feit kan dan ook niet bestempeld worden als een systematische en zwaarwichtige vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Voorts haalt u nog een feit aan waarbij uw echtgenoot naar het ziekenhuis diende te gaan. Hij was aangevallen door privé-personen. Hij verloor het bewustzijn na een verwonding aan het hoofd en werd twee dagen gehospitaliseerd. U diende echter nooit klacht in bij de politie ter onderzoek van het incident (CGVS man, p. 6-7 en CGVS vrouw, p. 3), en nam in het algemeen geen enkel initiatief om bescherming van de overheden te bekomen. U kan dus niet aannemelijk maken dat u onmogelijk op bescherming kon rekenen. Daarenboven vermeldde uw echtgenoot nog twee soortgelijke aanvallen in januari en februari
- Hij diende respectievelijk met een gebroken neus en gebroken rib te worden gehospitaliseerd. Hij diende geen klacht in tegen de daders (CGVS man, 6-7). U vermeldde deze feiten echter niet. Meer nog, U verklaarde uitdrukkelijk dat uw man slechts één maal gehospitaliseerd werd (CGVS vrouw, p. 2). Er kan dan ook geen geloof worden gehecht aan deze twee laatste feiten. Ten slotte vermeldde u dat u een erg beperkte toelage krijgt. U zegt hierover dat dit niet de reden is waarom u Slowakije verlaten hebt (CGVS vrouw, p. 5). Het geheel van deze vaststellingen laat niet toe in hoofde van u een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelelingenconventie vast te stellen. De door u voorgelegde documenten bevestigen uw identiteit, maar doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat op 2 december 2005 de Advocaat van verzoekster de beschikking tot vaststelling van 24 november 2005 voor ontvangst ondertekende; dat de openbare terechtzitting op 11 januari 2006 om 14.00 uur plaatsvond; dat in bijlage van deze beschikking een vragenlijst is gevoegd, om in het belang van een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling het dossier van de verzoekende partij te actualiseren, dat vraag zes van deze lijst als volgt luidt: “Is de actuele woon-of verblijfplaats van de verzoekende partij correct?”; Overwegende dat uit de vragenlijst met bijna onleesbare antwoorden, die de Advocaat van de verzoekende partij ter griffie indient op 27 december 2005, blijkt dat de meester van het geding op vraag zes enkel ja antwoordt, zonder enige precisering; Overwegende dat uit de brief d.d. 28 december 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat in hoofde van verzoekster een “afvoering van ambtswege” XIV-12.835-3/5 plaatsvond op 31 januari 2003; dat dit concreet betekent dat verzoekster geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, sedert meer dan drie jaar; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de medewerkster van de meester van het geding niets afweet van de huidige verblijfstoestand van verzoekster die, na de afwijzing van haar eerste asielaanvraag op 27 september 2001 door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, naar Slowakije is teruggekeerd en terug naar België is gekomen met haar gezin in juli 2002, dat zij op 31 juli 2002 een tweede asielaanvraag indiende die kennelijk ongegrond en bedrieglijk werd verklaard, en die het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing; Overwegende dat de medewerkster van de dominus litis evenmin kan zeggen, hoe, waar en wanneer Advocaat K. Hinnekens voor het laatst contact had met zijn cliënte, zodat feitelijk vaststaat, gelet op de rechtspraak van deze kamer, dat verzoekster niet langer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang bij de annulatieprocedure, zodat de vordering die zij heeft ingesteld, onontvankelijk is; Overwegende dat de Raad van State zich in ondergeschikte orde aansluit bij de analyse door het Auditoraat van de vijf middelen die verzoekster heeft ontwikkeld; Overwegende dat de bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat het asielrelaas van verzoekster vreemd is aan de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), vermits uit haar relaas blijkt dat de voornaamste reden van haar komst naar België de medische toestand van haar dochter is, die niet levensbedreigend is, XIV-12.835-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot nietigverklaring wordt onontvankelijk verklaard. Artikel
- De kosten, ten belope van 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.835-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.