id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.723 Rolnummer: A. 134857/XIV-14471 Zaak: Arrest 155723 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 11:39 Fiche Arrest nr 155.723 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.723 van 1 maart 2006 in de zaak A.134.857/XIV-14.471. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 december 1977 en van Armeense nationaliteit, op 1 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 10 maart 2003; Gelet op de beschikking van 8 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST d.d. 29 juni 2004, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 1 juli 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 24 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 januari 2006 om 14.00 uur; XIV-14.471-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat P. VAN HOECKE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op een onbekende datum en verklaart zich vluchteling op 20 april 2000. 1.2. Op 7 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 6 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde in 1977 in Azerbeidzjan te zijn geboren maar vanaf 1980 in Armenië te zijn opgegroeid. U verklaarde dat u in 1989 met uw vader naar Oekraïne vluchtte, waar u woonde tot uw vlucht naar België in 2000. U verklaarde nooit een staatsburgerschap te hebben gehad. U verklaarde dat u in Armenië en in Oekraïne problemen had omwille van uw origine. Ter staving van uw asielaanvraag haalde u voor het Commissariaat-generaal volgende feiten aan. In 1988 begon het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan. Uw familie werd meermaals door de buren geslagen omdat uw grootmoeders van Azeri origine zijn en omdat uw vader zich tot de Azeri religie bekeerde. In februari 1989 vielen Armenen uw huis aan. Zelf vluchtte u naar de buren, maar uw vader en moeder werden geslagen. Ze werden in het ziekenhuis opgenomen, waar uw moeder twee dagen later overleed. Uw vader had breuken aan zijn armen en problemen met zijn rug. In maart of april 1989 vertrok u samen met uw vader uit Armenië. Jullie vertrokken naar Oekraïne. Vanaf de leeftijd van 13 à 14 jaar kreeg u problemen met de politie omdat u geen documenten had. U werd verschillende keren opgepakt tijdens identiteitscontroles, u had geen papieren en u bent donker van huidskleur. Tijdens deze arrestaties werd u steeds geslagen. Vanaf u(
- w)zestien jaar was probeerde u documenten te bekomen bij het paspoortbureau maar dat werd u geweigerd omdat u van Kaukasische afkomst bent. Ook had u vanaf uw 18 jaar problemen met jongens uit de buurt omdat u niet met hen optrok en omdat u geen echte Oekraïener was. In 1998 werd u door jongens aangevallen toen u buiten met een meisje liep. Ze brachten u met een auto naar een huis waar ze u sloegen. Ze vroegen waarom u daar rondliep en ze zeiden dat het hun territorium was. Ze sloegen u opnieuw, u hield er een lidteken (litteken) aan over aan uw wenkbrauw. Een oudere zei dat het wel voldoende was, en u kon terug naar huis gaan. U werd nog een keer geslagen in een kapsalon toen u uw plaats niet wilde afstaan. Vanaf 1998 werkte uw vader als tandtechnicus in dienst van een Jood, Abraham. Uw vader werkte er in het zwart, maar Abraham had uw vader verzekerd dat dit geen probleem was. U kende het vak ook en soms hielp u uw vader. Vanaf januari 2000 werd uw vader XIV-14.471-2/5 afgeperst door de maffia. U raadde uw vader aan om naar de politie te stappen, maar uw vader zei dat de maffia jullie dan zou doden. Uw vader kon de maffia niet betalen en hij werd geslagen. Op 10 of 15 februari 2000 vielen leden van de maffia het appartement van (
- de)A. binnen. Ze vernielden kostbare kunstwerken en vermoordden de vrouw van (
- de)A.. De dag na de moord kwam A. bij uw vader, A. was kwaad en sloeg uw vader. Ze gingen samen naar de politie. Uw vader vertelde alles aan de politie. Na vijf dagen werd uw vader vrijgelaten. Ondertussen bleek dat de Joden reeds langer problemen hadden met de maffia en dat Abraham verklaard had dat uw vader onschuldig was. Uw vader werd formeel beschuldigd van de moord en er zou een proces plaatsvinden. V. L. werkte bij de recherche en kwam kijken hoe jullie leefden. Uw vader deed overal aangifte, tot bij de procureur generaal van Kiev en de president. Eind februari 2000 kwam L. opnieuw langs en zei dat uw vader moest ophouden met de klachten. Op 5 maart 2000 werd uw vader doodgeschoten, vermoedelijk door de maffia die banden heeft met L.. U werd op straat geslagen door de maffia. U verstopte zich bij S.. schreef in uw naam naar verschillende instanties in verband met de moord op uw vader. In maart 2000 kreeg u een brief van de procureur, dat er aan de zaak gewerkt werd. Ook kreeg u een oproepingsbrief van L., maar u ging er niet op in. U besloot te vluchten met hulp van K. S., een vriend van uw vader en S.i. Op 16 april 2000 vertrok u vanuit Lvov uit Oekraïne. Op 20 april 2000 vroeg u asiel aan bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering Met betrekking tot de moord op uw vader dient opgemerkt te worden dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal met betrekking tot de omstandigheden van dit incident niet stroken met de eerdere verklaringen die u aflegde in uw schriftelijke verklaring (dd. 8/01/2003) voor het Commissariaat-generaal. Zo verklaarde u in uw schriftelijke verklaring uitdrukkelijk dat u op school was toen uw vader werd vermoord (schriftelijke verklaring, p. 2) terwijl u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u toen thuis was en dat u die dag niet naar school ging (verhoorverslag CGVS, p. 25, 26). Nog met betrekking tot de moord op uw vader verklaarde u in uw schriftelijke verklaring dat u en uw vrienden bezwaarschriften begonnen te schrijven naar de President van Oekraïne, naar de Minister van Binnenlandse Zaken en naar de Procureur Generaal. U verklaarde dat u van deze rechtsinstanties geen enkel antwoord heeft gekregen (schriftelijke verklaring, p. 2). Voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat Sergei een brief schreef in uw naam naar de Procureur en dat u in maart 2000 een antwoord kreeg op uw adres. U verklaarde dat in het antwoord stond dat er iemand aan de zaak werkte (verhoorverslag CGVS, p. 27). Deze tegenstrijdigheden, betreffende de kern van uw asielaanvraag, ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze. Tot slot dient opgemerkt te worden dat u in uw schriftelijke verklaringen neergelegd op het Commissariaat-generaal en waarvan u tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal stelt dat u het zelf hebt opgesteld (verhoorverslag CGVS, p.1) geen enkele melding maakt van problemen met de politie en problemen met jongens toen u ongeveer 18 jaar was en later. Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u nochtans dat u vanaf jonge leeftijd (14-15 jaar) meerdere keren gearresteerd werd door de politie naar aanleiding van identiteitscontroles en u toen soms door de politie geslagen werd (verhoorverslag CGVS, p.15-17). Ook verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u ongeveer vanaf uw 18e meerdere keren door jongens werd geslagen (verhoorverslag CGVS, p.8-9). In uw aanvullende schriftelijke verklaring maakt u geen enkele melding van dergelijke voorvallen. Integendeel, u stelt in uw schriftelijke verklaring dat uw problemen in Oekraïne in 2000 begonnen (u was toen 22-23 jaar oud) en maakte in deze schriftelijke verklaring, na de uiteenzetting van uw problemen, nog de opmerking 'dat dit alles is wat ik kan zeggen over mijn problemen'. Bovenstaande vaststellingen laten niet toe nog langer geloof te hechten aan uw verklaringen in het kader van uw asielaanvraag. Bijgevolg kan in uw hoofde niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het door u aangehaalde document in het kader van uw asielaanvraag (geboorteakte) bevat uitsluitend identiteitsgegevens en kan derhalve bovenstaande tegenstrijdigheden niet weerleggen of verklaren. XIV-14.471-3/5 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat er in de mondelinge verklaringen van verzoeker d.d. 31 januari 2003 tegenstrijdigheden werden vastgesteld, na vergelijking van voornoemde verklaringen met de getypte schriftelijke verklaring van verzoeker, aangetekend verstuurd naar de verwerende partij op 7 januari 2003; Overwegende dat verzoeker betoogt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden in de bestreden beslissing te wijten zijn aan de omstandigheid dat zijn getypte verklaring door een kennis van het Russisch naar het Nederlands werd vertaald en dat in deze vertaling blijkbaar een aantal vertaalfouten zijn geslopen; Overwegende dat verzoeker in wezen de Raad van State verzoekt om het asielrelaas, wat de feitelijke gegevens betreft, aan een nieuw onderzoek te onderwerpen; dat volgens een constante rechtspraak van de Raad een dergelijk onderzoek niet kadert binnen zijn wettigheidscontrole van administratieve beslissingen, zodat de Raad het feitelijk onderzoek van het asielrelaas niet overdoet, vermits hij niet oordeelt met volle rechtsmacht; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat op 21 januari 2003 de Advocaat van verzoeker par fax werd verwittigd dat het interview van verzoeker op het Commissariaat-generaal plaatsvond op 31 januari 2003 om 13.30 uur, zodat de Advocaat of één van zijn medewerkers kon aanwezig zijn op dit interview en eventueel op basis van de getypte tekst van verzoeker d.d. 7 januari 2003 bepaalde tegenstrijdigheden kon rechtzetten en/of nuanceren; dat verzoeker bovendien in het kader van de asielprocedure niet heeft vermeld dat er vertaalfouten werden gemaakt in zijn getypte verklaring van 7 januari 2003; dat de Commissaris-generaal bijgevolg geen rekening kon houden bij het interview met deze eventuele vertaalfouten, vermits hem dit niet werd meegedeeld; Overwegende dat verzoeker de Russische versie van zijn verklaring van 7 januari 2003 kon neerleggen op het Commissariaat-generaal naar aanleiding van zijn XIV-14.471-4/5 interview en dat hij aan de Russische tolk die hem bijstond bij dit interview rechtzettingen of correcties kon meedelen; dat verzoeker dit niet heeft gedaan; dat de verwerende partij, gelet op wat voorafgaat, er moest van uitgaan dat de schriftelijke verklaring van verzoeker een correct verslag is van zijn asielrelaas; dat zij de getypte verklaring mocht gebruiken om een aantal fundamentele tegenstrijdigheden vast te stellen in het asielrelaas van verzoeker die worden vermeld in de bestreden beslissing die wordt weergegeven onder part 1.3. van huidig arrest; dat de bestreden beslissing bijgevolg de bedrieglijkheid van het asielrelaas van verzoeker naar recht verantwoordt; Overwegende dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-14.471-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div