id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.724 Rolnummer: A. 120339/XIV-9784 Zaak: Arrest 155724 - - 01/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 11:39 Fiche Arrest nr 155.724 van 1 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.724 van 1 maart 2006 in de zaak A.120.339/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 juni 1984 en van Colombiaanse nationaliteit, op 26 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 december 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-9784-1/6 Gelet op de beschikking van 24 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 januari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROBERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur -afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 3 december 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 20 december 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 maart 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat u krachtens uw nationale wet minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u kan worden toegepast. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Supra Caldes en heeft u de Colombiaanse nationaliteit. U zou niet langer bij uw familie thuis in Cartago hebben gewoond, maar wel op de finca “La Primavera” in Aguila waar u zou hebben ingestaan voor het hoeden van het vee. XIV-9784-2/6 Op 18 mei 2001 zou u plots zijn aangesproken door onbekende gewapende mannen. Ze zouden u hebben gevraagd of u wist wie ze waren. U zou het niet hebben geweten, waarop ze terug zijn zouden weggegaan. U zou wel hebben vermoed dat ze van het FARC (Fuerzas Armadas Revolutionarias de Colombia) waren, omdat ze initialen op hun sjaal hadden. Op de terugweg naar de finca zou u opnieuw zijn tegengehouden door de guerrilla. Ze zouden u hebben beschuldigd informant te zijn van de paramilitairen, maar u zou alles hebben ontkend. Ze zouden u hebben vastgebonden aan een boom, en u hebben geblinddoekt. Op zeker ogenblik zou de opzichter van de finca zijn verschenen en hij zou de paramilitairen hebben uitgelegd dat u voor hem werkte. Ze zouden u hebben vrijgelaten en zich hebben verontschuldigd. Op 23 mei 2001 zou u van andere werknemers hebben vernomen dat iemand aan de guerrilla had verteld dat u informant was voor de paramilitairen. U zou dezelfde nacht nog zijn gevlucht naar Bogota. Daar zou u hebben ingestaan voor het laden en lossen van vrachtwagens. Op 18 augustus 2001 zou één van de vrachtwagenchauffeurs u hebben herkend. Hij zou ‘geprobeerd’ hebben te vertellen dat hij lid was van de Autodefensas en hij zou u hebben bedreigd met een wapen. U zou de plaats zijn ontvlucht en naar Cartago bij u moeder zijn gegaan. Die zou u hebben aangeraden op de finca van uw broer te verblijven, terwijl ze uw vertrek uit Colombia zou regelen. Op 25 november 2001 zou u naar Bogota zijn gereisd, en via Parijs zou u uiteindelijk in Brussel zijn aangekomen, alwaar u op 03 december 2001 asiel aanvroeg. U zou nu nog contact hebben met uw familie in Colombia, die u zou(den) gemeld hebben dat ze een dreigbrief vanwege onbekenden hadden ontvangen, maar verder geen problemen meer hebben gehad. Ter staving van uw asielrelaas legt u de volgende documenten voor : drie afschriften van uw geboorteakte, uw identiteitskaart en uw paspoort met een visum voor Duitsland, Marokko en Egypte. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde feiten of elementen onvoldoende ernstig zijn om te kunnen spreken van een daadwerkelijke, systematische en persoonsgerichte vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. Er zijn immers onvoldoende aanwijzingen dat uw leven of vrijheid op het spel zouden staan overeenkomstig de criteria vermeld in die Conventie. U vreest enerzijds de guerrillero's van het FARC omdat u zij u ervan zouden verdenken informant te zijn voor de paramilitairen. Anderzijds beweert u te worden geviseerd door de paramilitairen. Er moet echter gewezen worden op het feit dat uw beweerde problemen met de guerrilla zich enkel en alleen situeren op de finca in Aguila, in mei
- U beweert dat u plots zou zijn overvallen door gewapende leden van het FARC. Ze zouden u hebben beschuldigd informant te zijn van de paramilitairen, maar u zou alles hebben ontkend. Toen de opzichter van de finca kwam zou hij de guerrillero's hebben uitgelegd dat u voor hem werkte. Daarop zouden zij u hebben vrijgelaten en zich zelfs hebben verontschuldigd voor het incident (verhoorverslag CGVS p.8). Nadien heeft u noch indicaties van problemen, noch problemen zelf gehad met deze groepering. U kunt met andere woorden niet aannemelijk maken dat u zou worden geviseerd en gezocht door het FARC. Daarenboven verklaart u uitdrukkelijk dat u nooit enige activiteit heeft gehad voor de paramilitairen noch blijkt uit uw relaas dat u op enige wijze aan hen zou kunnen worden gelinkt. Het louter feit dat u van een collega hoorde dat een andere collega u bij de guerrilla had aangewezen als informant van de paramilitairen is onvoldoende om aannemelijk te maken dat u door hen zou vervolgd worden in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het gaat hier immers louter om een vermoeden en u heeft geen enkel objectief element kunnen aanbrengen waarom die uit de lucht gegrepen beschuldiging tot problemen met de guerrilla zou leiden. Bovendien heeft u nadien geen enkele indicatie gehad dat u effectief wordt gezocht door de guerrilla. Wat betreft uw beweerde problemen met de paramilitairen kan er worden gesteld dat het hoogst ongeloofwaardig is dat u door hen zou worden gezocht. Vooreerst heeft u gezegd nooit enige politieke of sociale activiteit te hebben gehad (voor of tegen de paramilitairen). U heeft geen objectieve elementen (aangevoerd) die kunnen aantonen waarom u zou worden vervolgd door de paramilitairen. Daarnaast baseert u zich op een louter vermoeden om te zeggen dat u werd bedreigd door de paramilitairen. U verklaarde immers dat de man die u bedreigde in Bogota u aankeek alsof hij u herkende en dat hij ‘probeerde’ te zeggen dat hij van de autodefensas was (verhoorverslag CGVS p.9). Dit éénmalige incident met iemand van wie u niet eens zeker weet of hij paramilitair was, vormt op zich geen reden om te besluiten tot een persoonlijke en systematische vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Gezien de ongeloofwaardigheid van uw vluchtmotieven kan er ook getwijfeld worden aan het feit dat de dreigbrief van onbekenden die uw familie zou hebben ontvangen, met uw beweerde problemen te maken heeft. De door u voorgelegde documenten (geboorteaktes, identiteitskaart en paspoort) zijn in het licht van bovenstaande vaststellingen ook niet van die aard dat ze iets wijzigen aan de appreciatie daar ze enkel uw identiteit aantonen, welke hier niet ter discussie staat. (...).”. XIV-9784-3/6 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) en van de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijk motiveringswet van 19 juli 1991; dat hij hieraan toevoegt dat de Commissaris-generaal een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan; Overwegende dat uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden overweegt dat verzoeker onvoldoende gegevens aanvoert om een daadwerkelijke, systematische en persoonsgerichte vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie te bewijzen; dat hij bovendien betoogt dat er onvoldoende aanwijzingen voorhanden zijn waaruit zou kunnen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoeker in gevaar zouden zijn, overeenkomstig de criteria van voornoemde Conventie; Overwegende dat wat voorafgaat tevens steun vindt in de omstandigheid dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker vaag is, weinig precies en niet gedetailleerd; dat het onwaarschijnlijk karakter van de aangevoerde vervolging blijkt uit het feit dat verzoeker zijn land van herkomst verliet, terwijl hij in het bezit was van zijn identiteitskaart, en van een paspoort met een visum voor Duitsland, Marokko en Egypte, wat erop wijst dat verzoeker niet gezocht wordt in zijn land van herkomst; Overwegende tenslotte dat het asielrelaas van verzoeker in wezen tegenstrijdig is: het klinkt ongeloofwaardig dat verzoeker enerzijds de guerillera’s van het FARC vreest omdat zij verzoeker verdenken een informant te zijn van de paramilitairen en dat hij anderzijds zou geviseerd worden door de paramilitairen; dat dit het determinerend motief uitmaakt van de bestreden beslissing, dat pertinent, deugdelijk, en draagkrachtig is; Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal een beoordelingsfout heeft gemaakt; dat het tegendeel blijkt uit de vorige consideransen; Overwegende dat verzoeker evenmin aantoont dat hij als minderjarige niet correct, grondig en met eerbied voor zijn rechten en belangen werd verhoord op het Commissariaat-generaal; dat het tegendeel blijkt uit het interview op het Commissariaat- generaal dat twaalf bladzijden omvat; dat verzoeker aldaar werd bijgestaan door een tolk Spaans - Nederlands en grondig werd gehoord door de interviewer-jurist die een duidelijk leesbaar verslag neerschreef, dat zijn neerslag vindt in de bestreden beslissing; dat verzoeker niet bewijst dat de vertaling van het Spaans naar het Frans en van het Frans naar het Nederlands gebeurde, het gebruik van enkele Franse woorden ten spijt; dat de Advocaat van verzoeker het interview niet bijwoonde, zodat de “indirecte” vertaling niet is bewezen, XIV-9784-4/6 daargelaten de vraag of een dergelijke vertaling een invloed heeft op de inhoud van de bestreden beslissing; Overwegende dat de dreigbrief, waarvan sprake in de bestreden beslissing en in de verzoekschriften, zich niet bevindt in het administratief dossier, noch gevoegd is bij de verzoekschriften, zodat de Raad van State op dit stuk geen acht kan slaan; Overwegende dat verzoeker voor het overige zijn asielrelaas overdoet en bepaalde feiten en gegevens anders interpreteert, vergeleken met de weergave van de feiten in de bestreden beslissing; Overwegende dat het niet behoort tot de wettigheidscontrole van de Raad van State om met volle rechtsmacht zoals een appelrechter, kennis te nemen van de feitelijke gegevens die in dringend beroep aan bod kwamen en werden geduid en geïnterpre- teerd in de bestreden beslissing, behalve, wanneer de bestreden beslissing zou uitgaan van onjuiste feitelijke gegevens die in strijd zouden zijn met de gegevens van het administratief dossier en van het rechtsplegingsdossier; dat dit in casu niet het geval is; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 118 van “het K.B. van 8 oktober 1981”; Overwegende dat de Commissaris-generaal in dringend beroep uitspraak doet over de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 december 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat hij niet bevoegd is om uitspraak te doen over een concrete uitvoeringsmaatregel van zijn beslissing in dringend beroep; dat dit laatste behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde; dat laatstgenoemde geen partij is in huidig geding, zodat het tweede middel niet dienstig wordt aangevoerd en niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9784-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, ten belope van 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-9784-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.