← België

Arrest 155806 - - 02/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.806 Rolnummer: A. 123054/XIV-10589 Zaak: Arrest 155806 - - 02/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 11:45 Fiche Arrest nr 155.806 van 2 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.806 van 2 maart 2006 in de zaak A. 123.054/XIV-10.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN DER WEEËN, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 april 1967 en van Iraanse nationaliteit, op 18 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 21 mei 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 7 november 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 8 november 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.589-1/11 Gelet op de beschikking van 24 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 januari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN DER WEEËN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 20 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 augustus
  4. 1.
  5. Op 30 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 21 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U hebt verklaard de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Abadan. Ter staving van uw asielaanvraag hebt u volgende verklaard: u werkte voor een raffinaderij in Abadan. Uit vrees ontslagen te worden, om betere werkomstandigheden af te dwingen en een hoger loon te bekomen vonden er drie manifestaties plaats. Tijdens deze manifestaties beperkte uw bijdrage zich tot het roepen van slogans. De eerste betoging vond plaats tijdens de tiende maand van 1378 (Perzische kalender, komt overeen met december 1999/januari 2000 volgens de Gregoriaanse kalender) en verliep zonder problemen. De tweede betoging, op 5/12/1378 (24 februari 2000), eindigde in rellen met de aanwezige Herasat (geheime dienst binnen de overheidsinstellingen) en de Ettelaat van de Sepah-é Pasdaran (geheime dienst van de XIV-10.589-2/11 Revolutionaire Garde) van de raffinaderij. Enkele personen, waaronder u, werden aangehouden en geblinddoekt weggevoerd en gedurende één dag opgesloten. Enkelen dienden voor de rechtbank te verschijnen en werden veroordeeld tot een celstraf en zweepslagen, van anderen hebt u nooit meer iets vernomen. U werd vrijgelaten en bij uw vrijlating kreeg u een waarschuwingsbrief van het bedrijf waarop te lezen stond dat u niet meer aan betogingen mocht deelnemen. In de eerste maand van 1329 (maart/april 2000) was er terug een betoging van zo’n 700 tot 1000 personen. Toen de Herasat en de Ettelaat van de Sepah-é Pasdaran van de raffinaderij de manifestanten omsingelde slaagde u erin te vluchten. Toen u opmerkte dat de ordediensten zich naar huizen van medebetogers begaven, dook u onder in de omgeving van Shiraz. Daar vernam u dat uw familie verschillende malen ondervraagd was en dat uw familie, via vrienden, vernomen had dat uw dossier overgebracht was naar de Revolutionaire Rechtbank. Toen u dit laatste vernam besloot u Iran te ontvluchten. Toen u in België was, heeft uw familie twee convocaties ontvangen. U hebt Iran verlaten op 20/5/1379 (11 augustus 2000) en bent op 20 augustus 2000 in België aangekomen. Op 21 augustus 2000 hebt u asiel aangevraagd. Vooreerst dient gewezen te worden op het feit dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde niet politiek actief te zijn (DVZ, p. 8) en u op het Commissariaat-generaal herbevestigt dat u geen lid of sympathisant was van een politieke partij (CGVS, p. 3). U poneerde bovendien tijdens het interview op het Commissariaat-generaal tweemaal expliciet dat deze bedrijfsprotesten enkel georganiseerd werden met het oog op het vermijden van ontslagen, de verbetering van de werkomstandigheden en een beter loon (CGVS, p.6&7). Aldus kan gesteld worden dat de problemen voor dewelke u Iran verliet (economische eisen als werknemer) strikt juridisch gezien niet onder één van de criteria van de Geneefse Vluchteling- enconventie ressorteert (redenen van politieke of religie(u)ze overtuiging, uw nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep). Aldus kan vastgesteld worden dat de problemen waarvoor u uw land verliet, buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen. Ten tweede dient vastgesteld te worden dat uw opeenvolgende verklaringen tegenstrijdighe- den bevatten waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt aangetast. Zo beweerde u aan de Dienst Vreemdelingenzaken dat u een brief in de brievenbus van uw huis kreeg waarin u verwittigd werd dat u niet opnieuw mocht staken of problemen maken buiten het bedrijf (DVZ p.8). In uw dringend beroep op het Commissariaat-Generaal verklaarde u echter dat u deze brief rechtstreeks uit de handen van de ordediensten kreeg op het moment dat u vrijgelaten werd na uw eenmalige arrestatie (CGVS, p.5). Verder stelde u, met betrekking tot de problemen die uw familie had, in uw interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dat de Ettelaat éénmaal bij u thuis was binnengevallen om u te zoeken (DVZ, p.9), terwijl uit uw verklaringen in dringend beroep nergens blijkt dat ze bij u thuis zijn binnengevallen. U vermeldt enkel dat het huis onder controle stond en dat uw familie verschillende malen werden ondervraagd (CGVS, p.8). Deze elementen doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Tenslotte legde u in uw dringend beroep convocaties neer waarvan u verklaarde dat ze werden afgeleverd toen u zich in België bevond (CGVS, p.8). Na vertaling van de convocaties blijkt echter dat één convocatie enkele dagen vóór uw vertrek uit Iran werd afgeleverd, de andere meer dan drie maanden vóór uw vertrek. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde kopies van documenten (twee gerechtelijke convocaties, een waarschuwing van uw bedrijf en uw burgerlijk boekje) kunnen bovenstaande conclusie niet wijzigen. Uw identiteitskaart kan enkel uw identiteit staven. De convocaties wijzen, evenmin als de waarschuwing van uw bedrijf, op een vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. (...).”.
  7. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 22 december 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 22 juni 2004 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting meedeelt dat hij volhardt in het verzoekschrift; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactuali- seerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemde- XIV-10.589-3/11 lingencontentieux en met de mobiliteit van de verzoekende partij; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 22 juni 2004 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft,en nog doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zoals in casu, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang;
  8. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  9. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert “van het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing”, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het niet volstaat te verwijzen naar de beslissing van 30 augustus 2000 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, teneinde hem de hoedanigheid van vluchteling te weigeren; dat verzoeker stelt dat “geen van beide motieven klemmen, nu geen van beide voorzien is als een reden tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling (...)”; dat verzoeker uiteenzet dat het niet volstaat te stellen dat hij niet heeft aangetoond dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden, of te verwijzen naar vage verklaringen die verzoeker tijdens zijn asielprocedu- res zou hebben afgelegd; dat verzoeker betoogt dat de beweerde tegenstrijdigheden “niet van aard zijn om te gewagen van de vaststelling dat verzoeker bedrieglijk zou hebben gehandeld”; dat verzoeker aanvoert dat uit zijn verklaringen duidelijk is gebleken “dat hij tenminste voldoende redenen had en heeft om minstens te vermoeden dat zijn leven en/of vrijheid in gevaar is in het land van herkomst”; dat verzoeker verwijst naar de onwil en de onbekwaamheid van de overheid om bescherming te bieden en maatschappelijke dreigingen te bestrijden, en stelt dat er voldoende aanwijzingen en getuigenissen voorhanden zijn die de verregaande discriminatie van de inwoners van Abadan aantonen; dat verzoeker betoogt dat ook Amnesty International zijn bezorgdheid heeft geuit over wat de personen die aan protestacties hebben deelgenomen te wachten staat bij hun terugkeer naar Iran; dat verzoeker tenslotte uiteenzet dat het de opdracht van de Commissaris-generaal is om na te gaan in hoeverre het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken op correcte wijze is verlopen, en dat de tegenstrijdigheden die in de bestreden beslissing worden aangevoerd te verklaren zijn, hetzij door verwarring van gegevens, hetzij door een gebrekkige vertaling; XIV-10.589-4/11 Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert “van het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing”, blijkt dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat het niet volstaat te verwijzen naar de beslissing van 30 augustus 2000 van de gemachtig- de van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, teneinde hem de hoedanigheid van vluchteling te weigeren; dat de Commissaris-generaal op goede gronden kan volstaan met een verwijzing naar de motivering van een eerdere beslissing betreffende verzoeker, op voorwaarde dat verzoeker kennis heeft of kan krijgen van deze beslissing, en mits zij afdoende is gemotiveerd; dat dit onderdeel van het eerste middel bovendien feitelijke grondslag mist, vermits uit de bestreden beslissing blijkt dat zij is gebaseerd op artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels voormeld artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat dit artikel aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat: - verzoeker tijdens het interview op het Commissariaat-generaal tot tweemaal toe heeft verklaard dat de bedrijfsprotesten enkel werden georganiseerd met het oog op het vermijden van ontslagen, de verbetering van de werkomstandigheden en een beter loon; XIV-10.589-5/11 - dat de problemen waarvoor verzoeker Iran verliet (economische eisen als werknemer), niet onder één van de criteria van de Vluchtelingenconventie vallen; dat de problemen waarvoor verzoeker zijn land verliet, bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingencon- ventie vallen; Overwegende dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaring- en van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  10. van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat : - de opeenvolgende verklaringen van verzoeker tegenstrijdigheden bevatten waardoor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas wordt aangetast; dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij een brief in de bus kreeg waarin hij werd verwittigd dat hij niet opnieuw mocht staken of problemen maken buiten het bedrijf; dat verzoeker op het Commissariaat-Generaal evenwel verklaarde dat hij deze brief rechtstreeks uit de handen van de ordediensten kreeg op het moment dat hij, na zijn eenmalige arrestatie, werd vrijgelaten; - verzoeker, tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken, verklaarde dat de Ettelaat éénmaal bij hem thuis was binnengevallen om hem te zoeken terwijl dit niet blijkt uit zijn verklaringen in dringend beroep, waar verzoeker enkel verklaarde dat zijn huis werd gecontroleerd en dat zijn familie verschillende malen werd ondervraagd; - verzoeker op het Commissariaat-generaal convocaties neerlegde waarvan hij verklaarde dat ze werden afgeleverd toen hij reeds in België was, terwijl na vertaling blijkt dat alle convocaties werden afgeleverd vóór zijn vertrek uit Iran; Overwegende dat, waar verzoeker aanvoert dat het niet volstaat te stellen dat hij niet heeft aangetoond dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden, of te verwijzen naar vage verklaringen die verzoeker tijdens zijn asielprocedures zou hebben afgelegd, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot algemeenheden en beweringen, doch nalaat deze de staven met een begin van bewijs; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat, waar verzoeker verwijst naar de onwil en de onbekwaamheid van de overheid om bescherming te bieden en maatschappelijke dreigingen te bestrijden, stelt dat er voldoende aanwijzingen en getuigenissen voorhanden zijn die de verregaande discriminatie van de inwoners van Abadan aantonen, en betoogt dat ook XIV-10.589-6/11 Amnesty International zijn bezorgdheid heeft geuit over wat de personen die aan protestacties hebben deelgenomen te wachten staat bij hun terugkeer naar Iran, blijkt dat verzoeker zich opnieuw beperkt tot algemene affirmaties en tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, of op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, doch nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat, waar verzoeker aanvoert dat uit zijn verklaringen duidelijk is gebleken “dat hij (...) voldoende redenen had en heeft om minstens te vermoeden dat zijn leven en/of vrijheid in gevaar is in het land van herkomst”, dat het de opdracht van de Commissaris-generaal is om na te gaan in hoeverre het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken op correcte wijze is verlopen, en dat de tegenstrijdigheden die in de bestreden beslissing worden aangevoerd, te verklaren zijn, hetzij door verwarring van gegevens, hetzij door een slechte vertaling, blijkt dat verzoeker een verklaring post factum geeft die de tegenstrijdigheden niet opheft; Overwegende dat de overwegingen van de bestreden beslissing steun vinden in het administratief dossier, meer bepaald in de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker eerstgenoemd verslag heeft ondertekend, en aldus heeft te kennen gegeven dat voormeld verslag overeenstemt met de inlichtingen die hij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat verzoeker verklaarde dat hij de tolk goed heeft begrepen; dat verzoeker er niet in slaagt enig vertaalprobleem aannemelijk te maken; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas kon besluiten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat artikel 33 van de Vluchteling- lingenconventie de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit wijzen of terug te XIV-10.589-7/11 drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoeker bij een terugkeer naar Iran; dat verzoeker betoogt dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd; Overwegende dat, wat de schending van artikel 33 van de Vluchte- lingenconventie betreft, deze verdragsbepaling een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat in casu erkende vluchtelingen en eveneens kandidaat- vluchtelingen zich tevens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen, zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 3.
  12. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 57/11 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat “de bestreden beslissing verwijst naar de eerder genomen beslissing dd. 30/08/2000 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, en geen toepassing heeft gemaakt van artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980, inzonderheid aangaande het laten instellen van een aanvullend onderzoek door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en bovendien verzoeker kennelijk geen kans heeft gehad zijn middelen concreet uiteen te zetten”; dat verzoeker stelt dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van verder onderzoek door het Commissariaat-generaal, en dat de Commissaris-generaal, op basis van de hem ter beschikking gestelde elementen niet wettig kon beslissen dat verder onderzoek niet noodzakelijk was; Overwegende dat voor de analyse van dit middel wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waar uitvoerig werd uiteengezet dat de Vluchtelingencon- ventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels voormeld artikel 52 van de Vreemdelingenwet, dat aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel XIV-10.589-8/11 wettigen, en omdat zij bedrieglijk is; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal, alvorens de bestreden beslissing te nemen, verzoeker uitvoerig heeft gehoord; dat verzoeker aldus de mogelijkheid heeft gehad alle feitelijke gegevens en elementen die hij nuttig achtte met het oog op het nemen van de bestreden beslissing, aan de Commissaris-generaal mee te delen; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; 3.
  13. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij bij zijn terugkeer zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens; Overwegende dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten; dat hij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet behept is met een onwettigheid, artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat het vierde middel ongegrond is; 3.
  14. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing “dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden”; dat verzoeker stelt dat “bestreden beslissing (evenwel) (...) zonder enig aangetoond verder en nuttig onderzoek besluit tot de weigering van erkenning van het statuut van vluchteling aan verzoeker (...), (en dat zij) geenszins op redelijke wijze werd genomen”; dat verzoeker betwist dat hij te weinig elementen heeft aangehaald die wijzen op een daadwerkelijke, systematische en persoonsge- richte vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, en aanvoert dat de Commissaris- generaal nooit tot de bestreden beslissing zou zijn gekomen, indien er een zorgvuldig onderzoek aan was voorafgegaan; Overwegende dat, waar verzoeker een schending van het redelijkheids- beginsel aanvoert, wordt verwezen naar de analyse van het eerste en het derde middel, waar XIV-10.589-9/11 reeds uitvoerig is uitgezet dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat de bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk is, en geen schending inhoudt van het redelijkheidsbegin- sel; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris- generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd gehoord voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat het verhoor gebeurde in aanwezigheid van een tolk die de Iraanse taal machtig is, en dat de verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om alle inlichtingen te verschaffen die hij belangrijk en noodzakelijk achtte; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat de Commissaris- generaal het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; Overwegende dat het vijfde middel ongegrond is; 3.
  15. Overwegende dat verzoeker een zesde middel put uit “menselijke overwegingen”; Overwegende dat luidens artikel 20, tweede lid, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten die tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat verzoeker zich beperkt tot een feitelijke uiteenzetting, maar niet aangeeft welke rechtsre- gel(s) en rechtsbeginselen door de bestreden beslissing werden geschonden; dat het middel niet beantwoordt aan de criteria vervat in artikel 20, tweede lid, 2/van voormeld koninklijk besluit; dat de Raad van State op een dergelijke grond niet vermag zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; Overwegende dat het zesde middel onontvankelijk is;
  16. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de XIV-10.589-10/11 vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.589-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.