← België

Arrest 155844 - - 06/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.844 Rolnummer: A. 69313/IX-806 Zaak: Arrest 155844 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:50 Fiche Arrest nr 155.844 van 6 maart 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.844 van 6 maart 2006 in de zaak A. 69.313/IX-

  1. In zake : Henri WILLEMS, wonende te 2000 ANTWERPEN, Lambermontstraat 16 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henri WILLEMS op 11 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de evaluatievermelding ‘onvoldoende’, definitief uitgesproken door het College van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap” waarvan hij op 18 april 1996 in kennis is gesteld; Gezien het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 december 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-806-1/8 Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE CLERCQ, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker is loods met de functie van chefloods bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Afdeling Zeewezen Schelde. 1.
  4. Op 22 januari 1996 heeft hij een evaluatiegesprek, waarna hem door zijn twee evaluatoren de evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend. 1.
  5. Op 8 maart 1996 verklaart de Tweede Kamer van de raad van beroep van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het door verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk en adviseert het college van secretarissen-generaal met drie stemmen voor en een stem tegen dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. IX-806-2/8 Verzoeker wordt bij aangetekend schrijven van 20 maart 1996 in kennis gesteld van het advies van de raad van beroep. Bij schrijven van dezelfde datum wordt het advies overgemaakt aan de voorzitter van het college van secretarissen-generaal. 1.
  6. Luidens een uittreksel uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal aanvaardt dit college op 4 april 1996 het voorstel van haar voorzitter “de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Henri WILLEMS definitief (uit te spreken)” eenparig en belast de voorzitter met de betekening van deze beslissing aan betrokkene. 1.
  7. Met een op 18 april 1996 door verzoeker ontvangen aangetekend schrijven wordt deze in een begeleidend schrijven van 17 april 1996 medegedeeld dat “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten om tegen (hem) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”. Het geformaliseerde besluit van het college van secretarissen- generaal vermeldt als datum van “beraadslaging” 4 april 1996 en als datum van het besluit zelf 15 april
  8. 1.
  9. Op 23 juli 1996 besluit de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat verzoeker eervol ontslag wordt verleend uit zijn ambt van loods en dat hij ertoe gemachtigd is aanspraak te doen gelden op pensioen en de eretitel van zijn ambt te voeren;
  10. Over de grond van de zaak. 2.
  11. Overwegende dat het bevoegde lid van het auditoraat in zijn verslag over de zaak ambtshalve concludeert dat het bestreden besluit het artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het IX-806-3/8 Vlaamse personeelsstatuut), schendt, doordat het bestreden besluit werd genomen op 15 april 1996 en derhalve niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat hij de mening is toegedaan dat het voorgaande niet wordt tegengesproken door het feit dat in de brief van 17 april 1996 wordt vermeld dat het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten tegen verzoeker de vermelding “onvoldoende” definitief uit te spreken, aangezien de ingeroepen bepaling een formele beslissing en niet louter een beraadslaging, zoals vermeld in het besluit van 15 april 1996, vergt; dat met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het auditoraatsverslag beperkt wordt tot dit ambtshalve opgeworpen middel; 2.2.
  12. Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het Vlaamse personeelsstatuut, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoende’”, nadat de raad van beroep binnen de in artikel VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens artikel VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 2.2.
  13. Overwegende dat de brief aan verzoeker van 17 april 1996 als volgt luidt : “Hierbij deel ik u mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten om tegen u de vermelding ‘onvoldoende’ defini- tief uit te spreken. Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik u dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.”; IX-806-4/8 2.2.
  14. Overwegende dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 4 april 1996 met betrekking tot verzoeker het volgende vermelden : “Het college neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Henri WILLEMS, loods bij de afdeling Zeewezen Schelde, administratie Waterwegen en Zeewezen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, en inzonderheid van : - de dienststaat van betrokkene; - de functiebeschrijving; - het beschrijvende evaluatieverslag; - het beroepschrift dd. 11.02.96, met bijlagen, waarbij Henri WILLEMS beroep aantekent tegen de evaluatie ‘onvoldoende’; - de brief dd. 04.03.96, waarbij Henri WILLEMS gebruik maakt van zijn wrakingsrecht; - het gemotiveerd advies dd. 08.03.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede kamer van de Raad van Beroep in het advies van 08.03.96 adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Henri WILLEMS niet gegrond is. Een lid van het college merkt op dat het beschrijvend evaluatieverslag nogal wollig is, en weinig onderbouwd met concrete feiten. Bij de eerste lezing van het verslag ontstaat de indruk dat de einduitspraak ‘onvoldoende’ enerzijds en het evaluatieverslag anderzijds niet met mekaar in overeenstemming zijn. Een lid sluit zich hierbij aan en stelt dat er in dit verband zeker een signaal moet gegeven worden aan de eerste evaluator. Een lid repliceert hierop dat het evaluatieverslag weliswaar voor gevoelige verbetering vatbaar is, maar dat de essentie ervan en de einduitspraak correct zijn en in overeenstemming met de dagelijkse realiteit: Henri WILLEMS is een eigenzinnige alleenganger, die zich vaak onbeschoft opstelt en die daardoor vaak conflicten oproept. Hij is zwak in leiding geven en hij houdt weinig rekening met de mensen waar hij mee werkt. Hij is zwak in teamwerk en in coördineren. Naar de personeelsleden die onder zijn bevoegdheid werken neemt hij een afwachtende houding aan, gaat hij weinig pro-actief te werk, en volgt hij onvoldoende op. Een lid merkt op dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep in zijn advies van 08.03.93 stelt ‘dat de functie van chef-loods van VTS-Antwerpen accentverschuivingen heeft ondergaan, zowel qua inhoud als wat betreft de verantwoordelijkheid, n.a.v. de oprichting van VTS-Antwerpen in september 1995, t.w. dat het administratieve aspect is verminderd en de functie van leiding geven ook is afgebouwd’. Dit lid vindt dit argument echter niet echt overtuigend, vermits de functiebeschrijving eind juni 1995 werd opgemaakt en noch de beschrijvende evaluatie, noch het bezwaarschrift naar dergelijke accentverschuivingen in de functie verwijzen. IX-806-5/8 Een ander lid wijst erop dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep spreekt van ‘een ernstige conflictsituatie binnen VTS-Antwerpen, inzonderheid tussen de radarwaarnemers en de chef-loodsen’ en dat dit duidelijk zijn impact heeft gehad op de eindconclusie. Dit lid meent dat een conflictsituatie impliceert dat het voor Henri WILLEMS misschien moeilijk werken is, maar dat dit niet wegneemt dat betrokkene zich ook als moeilijk opstelt, zoals duidelijk blijkt uit zijn bezwaarschrift. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan. Na uitvoerige bespreking en verdere beraadslaging en na afweging van de functiebeschrijving, het evaluatieverslag, het bezwaarschrift en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : ‘Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door Raymond VANHUYSSE en Jan STRUBBE, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Henri WILLEMS; Gelet op het gemotiveerd advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 08.03.96 dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Henri WILLEMS niet gegrond is; Gelet op het voorliggend dossier en de beraadslaging terzake in het college; Stelt de voorzitter voor dat het college de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Henri WILLEMS definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : - 6 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” 2.2.
  15. Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 4 april1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 17 april 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 (...) om tegen (verzoeker) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 15 april 1996 om over de toestand van verzoeker opnieuw een definitieve beslissing IX-806-6/8 te nemen; dat wat aan verzoeker is betekend geworden met de brief van 17 april 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 15 april 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 4 april 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag worden beschouwd als het besluit tot toekenning van de evaluatie “onvoldoende”, aangezien de voorzitter van het college van secretarissen-generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 15 april 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoeker bestrijdt, de beslissing is die werd genomen op 4 april 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoeker met een brief van 17 april 1996 in kennis is gesteld van die beslissing, eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht; 2.2.
  16. Overwegende dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
  17. De debatten worden heropend. IX-806-7/8 Artikel
  18. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-806-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.844 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.