id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.845 Rolnummer: A. 69369/IX-987 Zaak: Arrest 155845 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 11:51 Fiche Arrest nr 155.845 van 6 maart 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.845 van 6 maart 2006 in de zaak A. 69.369/IX-
- In zake : Stéphan VANDENBRANDE, die woonplaats kiest bij advocaat G. BOURGEOIS, kantoor houdende te IZEGEM, Vandenbogaerdelaan 18 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stéphan VANDENBRANDE op 15 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’, aan verzoeker ter kennis gebracht met aangetekend schijven gedateerd op 17.04.1996”; Gezien de “memorie van antwoord”; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 13 maart 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-987-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN OVERBEKE, die loco advocaat B. HOSTE verschijnt voor verzoeker en van advocaat M. DE CLERCQ, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procesvoering. Overwegende dat de verwerende partij haar memorie van antwoord laattijdig heeft ingediend; dat die memorie van antwoord bijgevolg als zodanig uit de debatten wordt geweerd;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : IX-987-2/9 2.
- Verzoeker is assistent bij het ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Administratie Logistiek, Afdeling Logistieke Dienstverlening. 2.
- Op 22 februari 1996 wordt verzoeker door zijn twee evaluatoren de evaluatie “onvoldoende” toegekend. 2.
- Op 19 maart 1996 verklaart de Tweede Kamer van de raad van beroep van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het door verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk en adviseert het college van secretarissen-generaal met twee stemmen voor, een stem tegen en een ongeldige stem dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. Verzoeker wordt bij een aangetekende op 20 maart 1996 ter post afgegeven brief in kennis gesteld van het advies van de raad van beroep. Bij schrijven van dezelfde datum wordt het advies overgemaakt aan de voorzitter van het college van secretarissen-generaal. 2.
- Luidens een uittreksel uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal aanvaardt dit college op 4 april 1996 het voorstel van haar voorzitter de “einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Stéphan VANDENBRANDE definitief (uit te spreken)” eenparig en belast de voorzitter met de betekening van deze beslissing aan betrokkene. 2.
- Met een op 17 april 1996 ter post afgegeven aangetekend schrijven wordt verzoeker in een begeleidend schrijven medegedeeld dat “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten om tegen (hem) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”. Het geformaliseerde besluit van het college van secretarissen- generaal vermeldt als datum van “beraadslaging” 4 april 1996 en als datum van het besluit zelf 15 april 1996; IX-987-3/9
- Over de grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat het bevoegde lid van het auditoraat in zijn verslag over de zaak ambtshalve concludeert dat het bestreden besluit het artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaamse personeelsstatuut), schendt, doordat het bestreden besluit werd genomen op 15 april 1996 en derhalve niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat hij de mening is toegedaan dat het voorgaande niet wordt tegengesproken door het feit dat in de brief van 17 april 1996 wordt vermeld dat het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten tegen verzoeker de vermelding “onvoldoende” definitief uit te spreken, aangezien de ingeroepen bepaling een formele beslissing en niet louter een beraadslaging, zoals vermeld in het besluit van 15 april 1996, vergt; dat met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het auditoraatsverslag beperkt wordt tot dit ambtshalve opgeworpen middel; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie antwoordt dat het college van secretarissen-generaal het advies van de raad van beroep ten vroegste op 21 maart 1996 ontvangen heeft en dat het college op 4 april 1996, dit is binnen de termijn, niet alleen beraadslaagd heeft, maar tevens beslist heeft; dat de daar genomen beslissing, na goedkeuring van de notulen van 4 april 1996, geformaliseerd en namens het college ondertekend werd op 15 april 1996, maar dat de brief waarbij dit besluit aan verzoeker werd toegezonden, uitdrukkelijk verwijst naar het besluit van 4 april 1996; dat zij verder stelt dat artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het Vlaamse personeelsstatuut niet bepaalt binnen welke termijn de beslissing van het college van secretarissen-generaal aan de betrokkene ter kennis moet worden gebracht zodat de kennisgeving niet binnen de termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad moet plaatsvinden; dat zij voorts aanvoert dat het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd én beslist en dat hij bij die IX-987-4/9 gelegenheid zijn voorzitter heeft belast met de betekening van deze beslissing aan verzoeker; dat de bestreden beslissing ter gelegenheid van haar formalisering door de voorzitter van het college verkeerdelijk de datum van 15 april 1996 meekreeg, zijnde de datum waarop de voorzitter het besluit ondertekende; dat in de dagtekening derhalve een materiële vergissing is geslopen; dat, de betichting van valsheid daargelaten, uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen- generaal onbetwistbaar blijkt dat het college op 4 april 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd en beslist; 3.3.
- Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het Vlaamse personeelsstatuut, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoen- de’”, nadat de raad van beroep binnen de in artikel VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens artikel VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 3.3.
- Overwegende dat de brief aan verzoeker van 17 april 1996 als volgt luidt : “Hierbij deel ik u mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten om tegen u de vermelding ‘onvoldoende’ defini- tief uit te spreken. Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik u dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.” IX-987-5/9 3.3.
- Overwegende dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 4 april 1996 met betrekking tot verzoeker het volgende vermelden : “Het college neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Stéphan VANDENBRANDE, assistent bij de afdeling Logistieke Dienstverlening, administratie Logistiek van het departement Algemene Zaken en Financiën, en inzonderheid van : - de dienststaat van betrokkene; - de functiebeschrijving; - de staat van de tuchtstraffen, uitgesproken tijdens de evaluatieperiode; - het beschrijvende evaluatieverslag; - het beroepschrift dd. 29.02.96, waarbij Stéphan VANDENBRANDE beroep aantekent tegen de evaluatie ‘onvoldoende’; - het gemotiveerd advies dd. 19.03.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede kamer van de Raad van Beroep in het advies van 19.03.96 adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Stéphan VANDENBRANDE niet gegrond is. Een lid van het college stelt vast dat Stéphan VANDENBRANDE een aantal activiteiten vermeld in de resultaatgebieden vrij behoorlijk uitvoert, bv. het correct opstellen van facturen, ordentelijk klasseren van brieven, geen telfouten maken bij de ticketverkoop. Anderzijds is volgens dit lid echter ook sprake van duidelijke tekortkomingen in diverse resultaatgebieden: te trage afwerking van facturen, niet opstellen van de kostprijsberekeningsnota, niet opmaken van een klassement van verbruikte tickets, niettegenstaande de langdurige afwezigheid van zijn collega. Een lid vindt het opvallend dat een behoorlijke performantie naar resultaat- gebieden toe blijkbaar enkel opgaat voor zover de uitgevoerde activiteiten tot de persoonlijke verantwoordelijkheid van betrokkene kunnen gerekend worden en voor zover ze geen contacten vergen met de collega's. Naar het ‘wat’ van de activiteiten van Stéphan VANDENBRANDE zijn er niet veel klachten, behoudens het laattijdig opstellen van facturen. Naar de ‘hoe’-vraag (de wijze waarop hij de activiteiten uitoefent en de persoonlijke competenties die daarbij aangewend worden) wijst zijn evaluatie volgens dit lid echter op een duidelijke ‘onvoldoende’. Verscheidene leden sluiten zich bij deze zienswijze aan en constateren dat Stéphan VANDENBRANDE blijkens het evaluatieverslag ondermaats performeert in 5 van de 7 persoonlijke competenties: soepelheid, discretie, communicatievaardigheid, goed omgaan met mensen en zin voor goede dienstverlening. Daarnaast performeert hij eerder gewoon in de persoonlijke competenties ‘orde en zorgvuldigheid’ en ‘zelfstandig kunnen werken’. Betrokkene komt als niet klantgericht over, heeft geen zin voor goede dienstverlening en heeft duidelijke problemen in de sociale omgang met collega's, die remmend werken op de correcte afwerking van de taken. IX-987-6/9 Een lid gaat vervolgens in op de overweging van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, dat Stéphan VANDENBRANDE sedert zijn evaluatie blijk geeft van beterschap. Dit lid stelt dat dit naar de toekomst toe meegenomen is, maar dat dit irrelevant is voor wat betreft de beoordeling van het voorliggende evaluatieverslag. Meerdere leden beamen deze analyse. Een lid verwijst naar het bezwaarschrift van Stéphan VANDENBRANDE, waarin deze vrijwel alle negatieve elementen uit het evaluatieverslag poogt te weerleggen, maar is van mening dat hiervoor weinig overtuigende elementen aangebracht worden. Bovendien blijkt betrokkene een aantal tekortkomingen niet te betwisten (bv. de laattijdige versturing van facturen). Een lid stelt dat hij er niet mee kan instemmen dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep argumenteert ‘dat de administratie het nodige had moeten doen om Stéphan VANDENBRANDE beter te begeleiden en te ondersteunen’. Het lid verwijst hierbij naar de voorgeschiedenis, de ervaringen uit een zeer nabij verleden en naar het tuchtdossier dat door het college van secretarissen-generaal behandeld werd op 23 november
- Verscheidene leden sluiten zich hierbij aan en stellen dat PLOEG niet impliceert dat de organisatie moet accepteren dat een personeelslid zich voortdurend en moedwillig onhandelbaar opstelt. Een lid wijst er verder op dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep blijkbaar zeer verdeeld heeft gestemd: twee stemmen voor, één tegen en één ongeldige stem. Na uitvoerige bespreking en beraadslaging en na afweging van de functiebes- chrijving, het evaluatieverslag en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : ‘Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door André STROOBANTS en Bart VERDOODT, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Stéphan VANDENBRANDE; Gelet op het gemotiveerd advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 19.03.96 dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Stéphan VANDENBRANDE niet gegrond is; Gelet evenwel op de vaststelling dat Stéphan VANDENBRANDE op 5 van de 7 persoonlijke competenties ondermaats performeert en gewoon in de 2 overige competenties; Gelet op de argumentatie ontwikkeld in de beraadslaging in het college en gelet op het feit dat het college het onaangepaste gedrag van Stéphan VANDENBRANDE als bewezen acht; Gelet op het voorliggend dossier en de beraadslaging terzake in het college; Stelt de voorzitter voor dat het college de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Stéphan VANDENBRANDE definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : - 7 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. IX-987-7/9 De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” 3.3.
- Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 4 april1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 17 april 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 (...) om tegen (verzoeker) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 15 april 1996 om over de toestand van verzoeker opnieuw een definitieve beslissing te nemen; dat wat aan verzoeker is betekend geworden met de brief van 17 april 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 15 april 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 4 april 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag worden beschouwd als het besluit tot toekenning van de evaluatie “onvoldoende”, aangezien de voorzitter van het college van secretarissen-generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 15 april 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoeker bestrijdt, de beslissing is die werd genomen op 4 april 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoeker met een brief van 17 april 1996 in IX-987-8/9 kennis is gesteld van die beslissing, eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht; 3.3.
- Overwegende dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-987-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.845 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.