id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.846 Rolnummer: A. 70021/IX-837 Zaak: Arrest 155846 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:51 Fiche Arrest nr 155.846 van 6 maart 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.846 van 6 maart 2006 in de zaak A. 70.021/IX-
- In zake : Stanislas BECKER, wonende te 3512 STEVOORT, Broekstraat 185 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stanislas BECKER op 24 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 22 mei 1996 van het college van secretarissen-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’ ” “ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 23 mei 1996”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 december 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-837-1/9 Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE CLERCQ, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker is informaticus (rang A1) bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Administratie Ondersteuning, Afdeling Informatica. 1.
- Op 5 februari 1996 heeft hij een evaluatiegesprek met zijn afdelingshoofd, waarna hem door zijn twee evaluatoren de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. 1.
- Op 5 april 1996 verklaart de Tweede Kamer van de raad van beroep van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het door verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk en adviseert het college van secretarissen-generaal eenparig dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. IX-837-2/9 Op 19 april 1996 ontvangt de secretaris van het college van secretarissen-generaal dit advies. 1.
- Blijkens een door de verwerende partij in het administratief dossier neergelegd uittreksel uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 2 mei 1996 heeft het college die dag eenparig beslist aan verzoeker definitief de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. 1.
- Bij besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding “onvoldoende” van 22 mei 1996 wordt tegen verzoeker de vermelding “onvoldoende” definitief uitgesproken. Dit “besluit” wordt bij aangetekende brief van 23 mei 1996 aan verzoeker toegezonden en door hem ontvangen op 1 juni 1996;
- Over de grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaamse personeelsstatuut),doordat het advies van de raad van beroep ten laatste op 19 april 1996 aan het college van secretarissen-generaal is voorgelegd en het bestreden besluit genomen werd op 22 mei 1996 en derhalve niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat hij stelt dat het voorgaande niet wordt tegengesproken door het feit dat in de brief van 23 mei 1996 vermeld wordt dat het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 besloten heeft tegen hem de vermelding “onvoldoende” definitief uit te spreken, aangezien de ingeroepen bepaling een formele beslissing en niet louter een beraadslaging vergt; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het advies van de raad van beroep op 19 april 1996 naar het college van secretarissen-generaal IX-837-3/9 is verzonden en dat het college op 2 mei 1996, dit is binnen de termijn, niet alleen beraadslaagd heeft, maar tevens beslist heeft, hetgeen uit de notulen van de vergadering blijkt; dat zij verder argumenteert dat het feit dat het besluit van 2 mei 1996 slechts op 22 mei 1996 werd geformaliseerd, met uitdrukkelijke vermelding dat het college op 2 mei heeft beslist, hieraan geen afbreuk doet; dat zij ten slotte stelt dat het Vlaamse personeelsstatuut geen termijn oplegt waarbinnen het besluit van het college van secretarissen-generaal aan de betrokken ambtenaar moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat het bestreden besluit dateert van 22 mei 1996, terwijl de uiterste datum om te beslissen 4 mei 1996 was; dat hij erop wijst dat, aangezien hem alleen het besluit van 22 mei 1996 werd betekend, hij ervan uitgaat dat alleen dit besluit rechtsgevolgen kan hebben en dat dit besluit in toepassing van artikel VIII 29, § 4, laatste lid van het Vlaams personeelssta- tuut gunstig moest zijn voor hem omdat het niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep werd genomen; dat hij tevens opmerkt dat er geen enkele reden of motivatie wordt opgegeven waarom de formele betekening pas op 23 mei 1996 heeft plaatsgevonden, zijnde eenentwintig kalender- dagen na de zitting van het college van secretarissen-generaal; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in een laatste memorie stelt dat artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het Vlaams personeelsstatuut niet bepaalt binnen welke termijn de beslissing van het college van secretarissen-generaal aan de betrokkene moet worden ter kennis gebracht zodat de kennisgeving niet binnen de termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad moet plaatsvinden; dat zij voorts aanvoert dat het college van secretarissen-generaal in haar zitting van 2 mei 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd én beslist en dat hij bij die gelegenheid zijn voorzitter heeft belast met de betekening van deze beslissing aan verzoeker; dat de bestreden beslissing ter gelegenheid van haar formalisering door de voorzitter van het college verkeerdelijk de datum van 22 mei 1996 meekreeg, zijnde de datum waarop de voorzitter het besluit ondertekende; dat in de dagtekening derhalve een materiële vergissing is geslopen; dat, de betichting van IX-837-4/9 valsheid daargelaten, uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal onbetwistbaar blijkt dat het college op 2 mei 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd en beslist; 2.5.
- Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het Vlaamse personeelsstatuut, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoen- de’ ”, nadat de raad van beroep binnen de in artikel VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 2.5.
- Overwegende dat de brief aan verzoeker van 23 mei 1996 als volgt luidt : “Hierbij deel ik u mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 heeft besloten om tegen u de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken. Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik u dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.”. 2.5.
- Overwegende dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 2 mei 1996 met betrekking tot verzoeker het volgende vermelden : “Het college van secretarissen-generaal neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Stanislas BECKER, informaticus bij de afdeling Informati- ca, administratie Ondersteuning van het departement Onderwijs, en inzonderheid van : IX-837-5/9 - de dienststaat van betrokkene; - de functiebeschrijving; - het beschrijvende evaluatieverslag en de eraan gehechte bemerkingen van Stanislas BECKER; - het beroepschrift, overhandigd aan de griffie van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep op 12.03.96, waarbij Stanislas BECKER beroep aantekent tegen de vermelding ‘onvoldoende’; - de nota dd. 15.03.96 van R. DE VOS, waarbij de naam, de graad en het adres worden meegedeeld van de ambtenaar die werd aangewezen om het standpunt van de overheid voor de Tweede Kamer van de Raad van Beroep te verdedigen; - het gemotiveerd advies dd. 05.04.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep in het advies van 05.04.96 met eenparigheid adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoen- de’ van Stanislas BECKER niet gegrond is. Een lid van het college stelt vast dat uit het beschrijvende evaluatieverslag blijkt dat Stanislas BECKER weinig initiatief neemt, te veel een afwachtende houding aanneemt en te weinig resultaten behaalt. Hij presteert zwak en weet zijn navorming onvoldoende in de juiste richting te leiden. Een ander lid voegt hieraan toe dat Stanislas BECKER blijkens het evaluatieverslag niet zoals de andere informatici functioneert en daarom moeilijk inzetbaar is op de afdeling Informatica. Een lid merkt op dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep stelt dat Stanislas BECKER om organisatorische redenen onvoldoende opdrachten kreeg toegewezen. Dit lid is evenwel van oordeel dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep zich niet dient uit te spreken over het aantal opdrachten dat betrokkene te vervullen kreeg, doch enkel moet onderzoeken in welke mate de geëvalueerde de afgesproken resultaatgebieden heeft ingevuld. Meerdere leden sluiten zich bij dit standpunt aan. Een lid voegt hieraan toe dat Stanislas BECKER inderdaad minder opdrach- ten kreeg toegewezen gedurende het betreffende evaluatiejaar, precies omdat zijn chefs er o.w.v. de voorgeschiedenis en de zwakke prestaties van betrokkene minder konden op vertrouwen dat de hem toegewezen opdrachten ook tot een goed einde zouden gebracht worden. Een lid gaat vervolgens in op de bemerking van de evaluatoren dat Stanislas BECKER het slachtoffer is geweest van een ongeval en dat hij daarvan nog onvoldoende hersteld is, waardoor het volgens hen de vraag blijft of zijn zwak presteren remedieerbaar is. Dit lid is van mening dat moeilijk kan aangenomen worden dat het feit dat Stanislas BECKER het slachtoffer is geweest van een ongeval de verklaring zou kunnen bieden voor de zwakke prestaties van betrokkene, aangezien dit ongeval al dateert van de periode voorafgaand aan zijn indiensttreding bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Een lid stelt vast dat Stanislas BECKER volgens het evaluatieverslag wel van goede wil is, regelmatig overleg pleegt met zijn medewerkers en zijn chefs en na IX-837-6/9 een opvolgingsgesprek vooruitgang heeft geboekt op een aantal functionerings- criteria (o.a. teamwerk, communicatievaardigheid, klantgerichtheid). Een lid haakt hierop in en meent dat Stanislas BECKER, mits begeleiding, tot betere prestaties in staat is, doch dat aan betrokkene nu toch een duidelijk signaal moet gegeven worden dat hij niet kan doorgaan op de tot hiertoe vertoonde wijze. Een lid gaat vervolgens in op het argument van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep dat artikel VIII 28 § 1 van het V.P.S. niet werd nageleefd, daar de termijn van maximum 15 kalenderdagen tussen het evaluatiegesprek en de kennisneming van het evaluatieverslag door de functiehouder is overschreden. Dit lid is echter van mening dat deze termijn een termijn van orde is en dat nergens blijkt dat de belangen van betrokkene daardoor werden geschaad. Meerdere leden beamen deze analyse. Na verdere bespreking en beraadslaging en na afweging van de functiebes- chrijving, het evaluatieverslag, het bezwaarschrift en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : ‘Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door Paul VAN den KEYBUS en Frans DE CUYPER, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Stanislas BECKER; Gelet op het gemotiveerd advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 05.04.96 dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Stanislas BECKER niet gegrond is; Gelet evenwel op het voorliggend dossier en de argumenten aangedragen bij de bespreking in het college van secretarissen-generaal; Stelt de voorzitter voor dat het college de vermelding ‘onvoldoende’ jegens Stanislas BECKER definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : - 7 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” 2.5.
- Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 2 mei1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 23 mei 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 (...) om tegen IX-837-7/9 (verzoeker) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 22 mei 1996 om over de toestand van verzoeker opnieuw een definitieve beslissing te nemen; dat wat aan verzoeker is betekend geworden met de brief van 23 mei 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding onvoldoende” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 22 mei 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 2 mei 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag beschouwd worden als het besluit tot toekenning van de evaluatie “onvoldoende”, aangezien de voorzitter van het college van secretarissen-generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 22 mei 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoeker bestrijdt, de beslissing is die werd genomen op 2 mei 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoeker met een brief van 23 mei 1996 in kennis is gesteld van die beslissing, eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat, aangezien het auditoraatsverslag tot het onderzoek van het tweede middel beperkt bleef, er aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, IX-837-8/9 BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-837-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.846 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.