id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.847 Rolnummer: A. 70076/IX-1125 Zaak: Arrest 155847 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 11:52 Fiche Arrest nr 155.847 van 6 maart 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.847 van 6 maart 2006 in de zaak A. 70.076/IX-1125. In zake : Clement TURTELBOOM, wonende te ZANDBERGEN, Jan de Coomanstraat 11 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Clement TURTELBOOM op 26 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 22 mei 1996 van het college van secretarissen-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’ ” “ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 23.05.1996 met als postdatumstempel 28.05.1996”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 12 mei 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1125-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GAREZ, die loco advocaat P. DE TROYER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. DE CLERCQ, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is hoofdmedewerker (rang C2) bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Administratie Secundair Onderwijs, Afdeling Personeel. 1.2. Op 22 februari 1996 wordt verzoeker door zijn twee evaluatoren de evaluatie “onvoldoende” toegekend. IX-1125-2/9 1.3. Op 22 april 1996 verklaart de Tweede Kamer van de raad van beroep van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het door verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk en adviseert het college van secretarissen-generaal met drie stemmen voor en een stem tegen dat de evaluatie “onvoldoende” gegrond is. Verzoeker wordt bij aangetekend schrijven van 25 april 1996 in kennis gesteld van het advies van de raad van beroep. 1.4. Blijkens een door de verwerende partij in het administratief dossier neergelegd uittreksel uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 2 mei 1996 heeft het college die dag eenparig beslist aan verzoeker definitief de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. 1.5. Bij besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding “onvoldoende” van 22 mei 1996 wordt tegen verzoeker de vermelding “onvoldoende” definitief uitgesproken. Dit “besluit” wordt bij aangetekende brief van 23 mei 1996 aan verzoeker toegezonden. 1.6. Op 3 september 1996 besluit de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat verzoeker eervol ontslag wordt verleend uit zijn ambt van hoofdmedewerker en dat hij ertoe gemachtigd is aanspraak te doen gelden op pensioen; 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker zijn belang bij het beroep heeft verloren nu hij sinds 1 januari 1997 op eigen verzoek is toegelaten tot het rustpensioen; 2.2. Overwegende dat alhoewel de door het college van secretarissen- generaal definitief toegekende beoordelingsvermelding “onvoldoende” in wezen niet IX-1125-3/9 gelijk te stellen is met een tuchtstraf, zij niettemin negatieve connotaties kan oproepen, zodat verzoeker, ofschoon op pensioen gesteld, nog een moreel belang behoudt bij de vernietiging van die beoordeling; 3. Over de grond van de zaak. 3.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert van artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaamse personeelsstatuut), het bestreden besluit genomen werd op 22 mei 1996 en derhalve niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat hij stelt dat het voorgaande niet wordt tegengesproken door het feit dat in de brief van 23 mei 1996 vermeld wordt dat het college van secretarissen- generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 besloten heeft tegen hem de vermelding “onvoldoende” definitief uit te spreken, aangezien de ingeroepen bepaling een formele beslissing en niet louter een beraadslaging vergt; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het advies van 22 april 1996 van de raad van beroep “blijkbaar (
- is)overgemaakt bij nota van 25 april 1996, door de voorzitter van het College ontvangen op uiterlijk 26 april 1996” en dat het college op 2 mei 1996, dit is binnen de termijn, niet alleen beraadslaagd heeft, maar tevens beslist heeft, hetgeen uit de notulen van de vergadering blijkt; dat zij verder argumenteert dat het feit dat het besluit van 2 mei 1996 slechts op 22 mei 1996 werd geformaliseerd, met uitdrukkelijke vermelding dat het college op 2 mei heeft beslist, hieraan geen afbreuk doet; dat zij ten slotte stelt dat het Vlaamse personeelsstatuut geen termijn oplegt waarbinnen het besluit van het college van secretarissen-generaal aan de betrokken ambtenaar moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht; 3.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het bestreden besluit dateert van 22 mei 1996, terwijl de uiterste datum om te beslissen 11 mei 1996 was; IX-1125-4/9 dat hij erop wijst dat, aangezien hem alleen het besluit van 22 mei 1996 werd betekend, hij ervan uitgaat dat alleen dit besluit rechtsgevolgen kan hebben en dat dit besluit in toepassing van artikel VIII 29, § 4, laatste lid van het Vlaams personeelsstatuut gunstig moest zijn voor hem omdat het niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep werd genomen; dat hij tevens opmerkt dat er geen enkele reden of motivatie wordt opgegeven waarom de formele betekening pas op 23 mei 1996 heeft plaatsgevonden, zijnde eenentwintig kalenderdagen na de zitting van het college van secretarissen-generaal; 3.4. Overwegende dat de verwerende partij in een laatste memorie stelt dat artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het Vlaams personeelsstatuut niet bepaalt binnen welke termijn de beslissing van het college van secretarissen-generaal aan de betrokkene moet worden ter kennis gebracht zodat de kennisgeving niet binnen de termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad moet plaatsvinden; dat zij voorts aanvoert dat het college van secretarissen-generaal in haar zitting van 2 mei 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd én beslist en dat hij bij die gelegenheid zijn voorzitter heeft belast met de betekening van deze beslissing aan verzoeker; dat de bestreden beslissing ter gelegenheid van haar formalisering door de voorzitter van het college verkeerdelijk de datum van 22 mei 1996 meekreeg, zijnde de datum waarop de voorzitter het besluit ondertekende; dat in de dagtekening derhalve een materiële vergissing is geslopen; dat, de betichting van valsheid daargelaten, uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal onbetwistbaar blijkt dat het college op 2 mei 1996 over verzoekers evaluatie heeft beraadslaagd en beslist; 3.5.1. Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoende’”, nadat de raad van beroep binnen de in artikel VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te IX-1125-5/9 beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 3.5.2. Overwegende dat de brief aan verzoeker van 23 mei 1996 als volgt luidt : “Hierbij deel ik u mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 heeft besloten om tegen u de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken. Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik u dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.”. 3.5.3. Overwegende dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 2 mei 1996 met betrekking tot verzoeker het volgende vermelden : “Het college van secretarissen-generaal neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Clement TURTELBOOM, hoofdmedewerker bij de afdeling Personeel Secundair, administratie Secundair Onderwijs van het departement Onderwijs, en inzonderheid van : - de dienststaat van betrokkene; - de functiebeschrijving, met bijlage; - het beschrijvende evaluatieverslag, met bijlagen; - het beroepschrift dd. 27.03.96, waarbij Clement TURTELBOOM beroep aantekent tegen de vermelding ‘onvoldoende’; - de nota dd. 05.04.96 van Jan VAN MULDERS, waarbij de naam, de graad en het adres worden meegedeeld van de ambtenaar die werd aangewezen om het standpunt van de overheid voor de Tweede Kamer van de Raad van Beroep te verdedigen; - het gemotiveerd advies dd. 22.04.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep in het advies van 22.04.96 met drie stemmen voor en één stem tegen adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Clement TURTELBOOM gegrond is. IX-1125-6/9 De voorzitter gaat vervolgens in op de brief dd. 29.04.96, met bijlagen, die Clement TURTELBOOM aan hem heeft gericht. Deze brief wordt toegevoegd aan het dossier. Een lid van het college stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van oordeel is dat de evaluatie niet behept is met een vormgebrek, zoals door Clement TURTELBOOM opgeworpen. Een lid merkt vervolgens op dat uit het beschrijvende evaluatieverslag blijkt dat de produktiviteit van Clement TURTELBOOM laag is in vergelijking met zijn collega’s, dat hij er niet in slaagt dossiers snel en correct af te handelen, dat hij heeft nagelaten cursussen of interne vergaderingen te volgen, zodat hij niet goed meer op de hoogte is van de aanleunende reglementering. Een lid sluit zich hierbij aan en stelt vast dat Clement TURTELBOOM geen enkel initiatief heeft genomen om de cel Overdrachten te structureren of te organiseren, maar dit heeft overgelaten aan collega’s van een lagere graad. Een lid haalt vervolgens het argument van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep aan dat Clement TURTELBOOM over de nodige capaciteiten beschikt om zijn taken op een efficiënte manier uit te voeren, vermits hij werkzaamheden met betrekking tot dossiers ‘overdrachten’ reeds geruime tijd vervult. Een lid wijst er op dat Clement TURTELBOOM collega’s die hem om inlichtingen vragen goed helpt en zich sociaal voelend opstelt, maar dat hij van oordeel is dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep terecht opmerkt dat de sociale bewogenheid van Clement TURTELBOOM niet mag beletten dat hij naar behoren functioneert. Meerdere leden sluiten zich bij deze analyse aan. Na verdere bespreking en beraadslaging en na afweging van de functiebeschrijving, het evaluatieverslag, het bezwaarschrift en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : ‘Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door Willy VAN BELLEGHEM en Guido JANSSENS, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Clement TURTELBOOM; Gelet op het gemotiveerd advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 22.04.96 dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Clement TURTELBOOM gegrond is; Gelet op het voorliggend dossier en de argumenten aangedragen bij de bespreking in het college van secretarissen-generaal; Stelt de voorzitter voor dat het college de vermelding ‘onvoldoende’ jegens Clement TURTELBOOM definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : - 7 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” IX-1125-7/9 3.5.4. Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 2 mei1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 23 mei 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 (...) om tegen (verzoeker) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 22 mei 1996 om over de toestand van verzoeker opnieuw een definitieve beslissing te nemen; dat wat aan verzoeker is betekend geworden met de brief van 23 mei 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding onvoldoende” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 22 mei 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 2 mei 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag beschouwd worden als het besluit tot toekenning van de evaluatie “onvoldoende”, aangezien de voorzitter van het college van secretarissen-generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 22 mei 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoeker bestrijdt, de beslissing is die werd genomen op 2 mei 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoeker met een brief van 23 mei 1996 in kennis is gesteld van die beslissing, eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht; dat het eerste middel niet gegrond is; IX-1125-8/9 3.5.5. Overwegende dat, aangezien het auditoraatsverslag tot het onderzoek van het eerste middel beperkt bleef, er aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1125-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.847 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div