id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.849 Rolnummer: A. 83726/IX-1796 Zaak: Arrest 155849 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 11:53 Fiche Arrest nr 155.849 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.849 van 6 maart 2006 in de zaak A. 83.726/IX-
- In zake : Noël COOLEMAN, die woonplaats kiest bij advocaat Y. VANNESTE, kantoor houdende te BRUSSEL, de Villegaslaan 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël COOLEMAN op 23 april 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 januari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1796-1/8 Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DELMOTTE, die loco advocaat J. VANDEN EYNDE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Krachtens het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport in uitvoering van artikel 3, § 1, 6/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, wordt de Regie voor Maritiem Transport met ingang van 1 maart 1997 in vereffening gesteld. Artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat de statutaire personeelsleden die niet behoren tot de dienst Bijstand aan het Loodswezen van ambtswege naar het ministerie van Verkeerswezen en Infrastructuur worden overgedragen op de datum en op de wijze bepaald door de Koning. Artikel 13 voorziet in de mogelijkheid om statutaire personeels- leden ter beschikking te stellen van vennootschappen in de sector van het maritiem transport en het havenbeheer, of van niet federale openbare diensten. IX-1796-2/8 1.
- Bij koninklijk besluit van 12 februari 1999 wordt een afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur vastgesteld. Deze personeelsformatie is als volgt ingedeeld: - permanente cel (artikel 2); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennoot- schap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België (artikel 3); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennoot- schap die belast is met het beheer van een Belgische haven (artikel 4); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de dienst Bos en Groen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (artikel 5); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de dienst Mobiliteit van het ministerie van Ambtenarenzaken (artikel 6); - betrekkingen voor personeelsleden die een verlof voorafgaand aan de pensionering bekomen hebben (artikel 7). Artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit bepaalt dat de betrek- kingen opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 worden afgeschaft bij het vertrek van de titularis ervan. 1.
- Het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende diverse maatregelen ten gunste van de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport (hierna RMT), regelt het verlof voorafgaand aan de pensionering (hoofdstuk I), de mobiliteit van de personeelsleden van de RMT (hoofdstuk II), de terbeschikkingstelling van sommige personeelsleden (hoofdstuk III) en de bevorde- ring van de personeelsleden (hoofdstuk IV). IX-1796-3/8 Artikel 24 van dit besluit luidt als volgt : “Het personeelslid dat krachtens Hoofdstuk II wordt gebezigd of krachtens Hoofdstuk III ter beschikking wordt gesteld, mag zijn aanspraken op bevordering bij de RMT doen gelden of, na de overdracht bedoeld in artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit van (...), binnen de afzonderlijke formatie die naar aanleiding van deze overdracht bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur zal worden gecreëerd. Te dien einde bekomt hij de nodige dienstvrijstellingen voor deelname aan vormingscursussen en loopbaanexamens. Bij het definitieve vertrek van de titularis van een bevorderingsbetrekking, mag de vacante betrekking worden ingevuld bij wijze van bevordering overeenkomstig de regels die van kracht zijn bij de RMT of bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur voor de betrekkingen van de afzonderlijke formatie bedoeld in het eerste lid. De Minister van Vervoer bepaalt jaarlijks, met het akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken en de Minister van Begroting, de betrekkingen van de formatie die in aanmerking komen voor bevorderingen overeenkomstig dit artikel. Geen enkele van deze betrekkingen mag worden toegekend bij wege van mobiliteit”. 1.
- Door het thans bestreden koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeels- formatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, worden de bijzondere voorwaarden voor bevordering vastgesteld “voor de respectievelijke ambtenaren van de Permanente Cel en de ambtenaren ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België, zoals die in de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur zijn opgenomen” (artikel 1). Artikel 4 bepaalt dat dit besluit in werking treedt op 28 februari
- 1.
- Verzoeker is statutair ambtenaar met de graad van officier- werktuigkundige A bij de Regie voor Maritiem Transport ( RMT). Bij de vereffening van de RMT op 1 maart 1997 blijft hij voorlopig verder tewerkgesteld bij de RMT in vereffening en wordt hij ingezet bij de groep personeelsleden die instaan voor de bewaking van de schepen. IX-1796-4/8 Bij brief van 17 augustus 1998 deelt de minister van Ambtenaren- zaken aan de RMT in vereffening mede dat verzoeker moet worden overgeplaatst op de eerstvolgende vacante betrekking van de graad van scheepvaartdeskundige bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur en dat hij, in afwachting van zijn overplaat- sing, vanaf 1 september 1998 dient gebezigd te worden op een vacante betrekking van de graad van zeevaartinspecteur (machine). Bij ministerieel besluit van 28 februari 1999 wordt verzoeker op 1 maart 1999 ambtshalve overgeplaatst naar de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur bij de groep personeelsleden ter beschikking gesteld van de dienst Mobiliteit van het ministerie van Ambtenarenzaken. Bij ministerieel besluit van 16 juni 1999 wordt verzoeker overeenkomstig de beslissing van de minister van Ambtenarenzaken van 17 augustus 1999, benoemd tot scheepvaartdeskundige bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart, met ranginneming en geldelijke uitwerking op 1 april
- Over de rechtspleging. Overwegende dat de verwerende partij op 8 maart 2000 een aanvullende memorie heeft ingediend; dat dergelijke memorie niet voorzien is in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, en derhalve uit de debatten moet worden geweerd;
- Over de ontvankelijkheid. 3.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij belang heeft bij zijn annulatieberoep doordat het bestreden koninklijk besluit zijn recht op bevordering niet heeft geëerbiedigd; dat hij uiteenzet dat ingevolge de ontbinding en vereffening van de RMT alle ambtenaren overgeheveld werden naar een afzonderlijke personeels- cel bij het ministerie voor Verkeer en Infrastructuur; dat door het koninklijk besluit IX-1796-5/8 van 18 februari 1997 de aanspraken op bevordering van alle personeelsleden zonder enig onderscheid - zowel de personeelsleden die gebezigd werden als degenen die ter beschikking werden gesteld - werden gewaarborgd, aangezien erin werd voorzien dat zij deze aanspraken konden doen gelden binnen de afzonderlijke personeelsformatie die bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur zou worden gecreëerd; dat de afzonderlijke personeelsformatie werd opgericht bij koninklijk besluit van 12 februari 1999, maar dat het recht op bevordering niet werd geëerbiedigd aangezien dat werd beperkt tot sommige ambtenaren van de RMT in vereffening met uitsluiting van de overige ambtenaren; dat aldus aan verzoeker die niet tot de categorie personeelsleden van het voormeld koninklijk besluit van 12 februari 1999 behoort, een recht wordt ontnomen hetgeen hem nadeel berokkent, vermits hij enkel en alleen nog voor bevordering in aanmerking komt bij zijn definitieve latere overplaatsing waarvan datum en dienst nog niet definitief gekend zijn ondanks de wettelijke waarborg die hem werd verleend; dat hij besluit dat het gewaarborgde recht op bevordering, de keuze uit diverse aangeboden mogelijkheden inzake werkplaats en statuut heeft beïnvloed zodat, nu deze bevorderingsmogelijkheid niet wordt verleend, verzoeker schade lijdt; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat verzoeker geen belang heeft bij zijn annulatieberoep, onder meer omdat hij als scheepvaartdeskundige benoemd werd bij het ministerie van Verkeer en Infra- structuur, Bestuur van Maritieme Zaken en Scheepvaart, zodat hij in aanmerking komt voor verdere bevordering in dit Bestuur en zijn rechten op bevordering derhalve niet zijn aangetast; 3.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat hij, door zijn benoeming tot scheepvaartdeskundige bij het Bestuur voor Maritieme Zaken en Scheepvaart, in principe voor verdere bevordering in dit Bestuur in aanmerking komt, maar dat een mogelijke bevordering in werkelijkheid door het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de aanwerving en de bevordering van sommige personeels- leden van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur voor lange tijd onmogelijk werd gemaakt; dat dit besluit immers doelbewust aan bepaalde personen met minder IX-1796-6/8 graadanciënniteit de mogelijkheid geeft om ten nadele van verzoeker tot hoofd- scheepvaartdeskundige te worden bevorderd; dat hij voorts uiteenzet dat zijn bevorderingskansen worden geschaad door het koninklijk besluit van 1 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de aanwerving en de bevordering van sommige personeelsleden van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; 3.
- Overwegende dat verzoeker zijn belang zou kunnen ontlenen aan het feit dat het bestreden besluit krachtens artikel 1 de bevorderingen in de afzon- derlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur voor- behoudt aan “de respectievelijke ambtenaren van de Permante Cel en de ambtenaren ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België, zoals die in de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur zijn opgenomen”; dat het bestreden koninklijk besluit in werking is getreden op 28 februari 1999; dat verzoeker bij ministerieel besluit van 28 februari 1999 ambtshalve werd overgeplaatst naar de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur met ingang van 1 maart 1999; dat hij bij ministerieel besluit van 16 juni 1999 met ranginneming en geldelijke uitwerking op 1 april 1999 benoemd is tot scheepvaart- deskundige bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; dat verzoeker derhalve enkel tijdens de maand maart 1999 een betrekking van de afzonderlijke personeels- formatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur heeft bekleed; dat tijdens die maand geen bevorderingen in de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur hebben plaatsgevonden, waarvoor verzoeker ingevolge het bestreden besluit niet zou hebben kunnen meedingen; dat het bestreden besluit verzoeker bijgevolg geen nadeel heeft opgeleverd; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat hij in zijn bevorderingskansen eveneens wordt geschaad door het koninklijk besluit van 1 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de aanwerving en de bevordering van sommige personeelsleden van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; dat de gebeurlijke vernietiging van het bestreden koninklijk besluit van 12 februari 1999 IX-1796-7/8 evenwel dit nadeel niet kan verhelpen; dat verzoeker derhalve niet doet blijken van het vereiste belang bij zijn annulatieberoep; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1796-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.