id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.897 Rolnummer: A. 135229/XIV-14599 Zaak: Arrest 155897 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 11:55 Fiche Arrest nr 155.897 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.897 van 6 maart 2006 in de zaak A. 135.229/XIV-14.
- In zake :
- XXX, 2.XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX enXXX, beide van Iraanse nationaliteit, op 9 april 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 maart 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 15 april 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; XIV-14.599-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX enXXX, beide van Iraanse nationaliteit zijn in België binnengekomen op 21 oktober 2000 en hebben zich op 23 oktober 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 13 april 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 april 2001 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen: Wat XXX betreft: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Armeense origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Iran omwille van onderstaande redenen. U had thuis een kamer ingericht als kapsalon waar u de haren van Armeense vrouwen kapte. Eén Islamitische vrouw, Fereshteh Tabatabai, kwam naar uw huis om ook haar haren te laten verzorgen. Fereshteh toonde interesse voor de Armeense gebruiken en het Christendom. Uw echtgenote gaf de Islamitische vrouw, op haar verzoek, een Perzische bijbel mee. Tijdens zo’n bezoek van Fereshteh, kwam haar man haar achterna. Hij maakte ruzie met u en uw echtgenote. Fereshteh wist haar man te sussen en kwam nooit meer terug. In de 4de of 5de maand van 1379 (juni/juli 2000) werd u, toen u aan het werk was in de kapperszaak van uw vader, gearresteerd en geblinddoekt meegenomen door drie mannen. U kwam in een soort cel terecht waar ook de echtgenoot van Fereshteh aanwezig was. U werd vernederd, gemarteld en raakte gewond. De echtgenoot van XIV-14.599-2/8 Fereshteh vroeg u waarom u een moslimvrouw wou bekeren. Uw echtgenote informeerde zich bij drie verschillende plaatselijke politiediensten over uw verblijfplaats en diende klacht in. Maar er werd niets ondernomen aangezien zij een Armeense vrouw is. Vijf dagen later werd u opnieuw geblinddoekt en naar buiten gebracht. U werd vrijgelaten. U hervatte uw leven. Tien tot 15 dagen later werd u op dezelfde manier en plaats gearresteerd en naar een cel gebracht. U werd opnieuw geslagen en gemarteld. Vijf dagen later werd u opnieuw vrijgelaten. Zeven tot negen dagen later werd u voor de derde keer meegenomen. Dit keer diende u slechts drie dagen te blijven. Zes tot acht dagen later opnieuw hetzelfde scenario. Na drie dagen lieten ze u gaan. De laatste keer dat men u kwam ophalen, weigerde u mee te gaan. Het uitstalraam van uw vaders kapperszaak werd aan diggelen geslagen. U slaagde erin te vluchten. U ging naar uw schoonmoeder. Men had gedreigd dat men u uiteindelijk zou doden, vandaar dat u op 17/10/2000, in gezelschap van uw echtgenote Behrozi Greta (OV 5.044.324) het land verliet. Op 21/10/2000 bent u in België aangekomen, waar u op 23 oktober 2000 asiel hebt gevraagd. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. B. Motivering Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal, anderzijds tussen uw verklaringen en die van uw echtgenote. Hierdoor komt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken bij de eerste arrestatie tien dagen te zijn vastgehouden (DVZ, vraag 42, 2e bladzijde). Voor het Commissariaat-Generaal daarentegen verklaarde u dat het slechts vijf dagen waren (CGVS, p.5). Er zijn ook tegenstrijdigheden met de verklaringen van uw echtgenote aangaande de klacht(en) die u indiende bij de wijkpolitie. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u zelf nooit naar een politiekantoor bent gegaan uit angst (DVZ, vraag 42, 2e bladzijde). Uw echtgenote beweerde daarentegen in haar schriftelijke verklaring, die bij het medisch attest werd gevoegd, dat u samen met uw vader twee tot drie keer naar de buurtpolitie ging om klacht in te dienen (schriftelijke verklaring echtgenote). Bovendien is het weinig geloofwaardig dat u, als lid van de Armeens Gregoriaanse Kerk zou beschuldigd worden tot bekering aan te zetten, terwijl bekend is bij de Iraanse autoriteiten dat uw Kerk en haar leden zich niet met dergelijke feiten inlaten. De Bisschop van uw kerk heeft hier geen weet van, terwijl uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, uitdrukkelijk blijkt dat deze van dergelijk zwaarwichtige problemen zou moeten op de hoogte zijn. Zelfs indien u zou aangeklaagd worden, blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het dossier wordt gevoegd dat er geen sprake is van discriminatie in het gerecht tegenover Armeense Christenen. Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat u geen eerlijk proces kon krijgen en de ware toedracht van het gebeuren kon toelichten en uw onschuld bewijzen. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. Uw boekje van burgerlijke stand en de bijhorende vertaling bewijzen uw identiteit en gezinssituatie. Uw huwelijksakte en doopcertificaat betreffen uw lidmaatschap van de Armeense apostolische kerk. De kopie van de eigendomsakte van uw vaders kapperzaak bewijst zijn professionele activiteit. Het getuigschrift van de beroepsopleiding bevestigt uw interesse in de Belgische arbeidsmarkt. De ten laste neming van uw schoonmoeder bevestigt haar op handen zijnde komst naar België. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden tot gegronde vrees voor vervolging, zoals in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 voorzien, niet worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: XIV-14.599-3/8 dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Wat XXX betreft: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Armeense origine, verklaart uw land te zijn ontvlucht omwille van de problemen van uw echtgenoot XXX (OV 5.044.324). Op 17/10/2000 verliet u Iran, vergezeld van uw echtgenoot. Op 21/10/2000 bent u in België aangekomen, waar u op 23 oktober 2000 asiel hebt gevraagd. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. De reden waarom u uw land verliet betreft het probleem van uw echtgenoot. Uw echtgenoot was haarkapper. Hij kapte het haar van vrouwen, hoewel dat in principe niet mag. Hij kapte enkel Armeense vrouwen. U deed hun nagels en wimpers. Uw echtgenoot werd ertoe overhaald ook een Islamitische vrouw te ontvangen. Zij was geïnteresseerd in de Armeense gebruiken, tradities en religie. U gaf haar, op haar vraag, een bijbel. Na verloop van tijd kwam haar echtgenoot bij jullie langs. Hij was helemaal niet opgezet met het feit dat zijn echtgenote jullie salon frequenteerde. Uw man werd daaropvolgend herhaaldelijke keren meegenomen en mishandeld. U ging één keer bij de Kalantari (plaatselijk politiekantoor) vragen waar uw man was. Er werd u bevestigd dat hij in de cel verbleef. In de periodes dat uw echtgenoot vrij was, stapte hij samen met zijn vader twee tot drie keer naar de Kalantari om klacht in te dienen. Deze klachten bleven echter zonder gevolg. Jullie durfden niet langer in Iran te verblijven, omdat jullie niet wisten wat jullie zou kunnen overkomen. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u werd opgeroepen voor gehoor op het Commissariaat-generaal en een medisch attest neerlegde om uw afwezigheid te wettigen. Gezien uit uw schriftelijke verklaring, die bij het medisch attest werd gevoegd, bleek dat u zich baseerde op de problemen van uw echtgenoot en u geen persoonlijke problemen kende, besloot de Commissaris-generaal u niet opnieuw op te roepen voor gehoor. Uit uw verklaringen blijkt dat uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot (gehoorverslag CGVS, pp.1-2). U verklaarde gevlucht te zijn omwille van de problemen van uw echtgenoot. Wat betreft het door hem ingestelde dringend beroep, werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen op basis van bedrieglijkheid en het kennelijk ongegrond karakter van zijn asielrelaas. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing genomen te worden. Voor een uitgebreide en gedetailleerde motivering dient te worden verwezen naar de beslissing van uw echtgenoot. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. Uw boekje van burgerlijke stand en huwelijksakte betreffen uw identiteit en burgerlijke stand. Uw doopcertificaat bewijst dat u deel uitmaakt van de Gregoriaans-Armeense Kerk. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; XIV-14.599-4/8 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Schending van het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging Dat de bestreden beslissingen, welke aan verzoekers werden betekend, de zorgvuldigheidsverplichting en verzoekers rechten van verdediging schenden, doordat verweerder tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verzoekers nooit geconfronteerd heeft met de in de bestreden beslissingen aangehaalde tegenstrijdigheid tussen zijn opeenvolgende verklaringen en die van zijn echtgenote. Dat de bestreden beslissing in hoofdzaak gesteund is op vermeende tegenstrijdigheden tussen verzoekers opeenvolgende verklaringen enerszjds en de tegenstrijdigheden die in de verklaringen van zijn echtgenote voorkomen. Dat verzoekers kunnen zich geenszins akkoord verklaren met de motivering van de bestreden beslissing waarin vermeld wordt dat 'Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken bij de eerste arrestatie tien dagen te zijn vastgehouden (DVZ, vraag 42, 2e bladzijde). Voor het Commissariaat-Generaal daarentegen verklaarde u dat het slechts vijf dagen waren (CGVS, p.5). Er zijn ook tegenstrijdigheden met de verklaringen van uw echtgenote aangaande de klacht(en) die u indiende bij de wijkpolitie. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u zelf nooit naar een politiekantoor bent gegaan uit angst (DVZ, vraag 42, 2e bladzijde). Uw echtgenote beweerde daarentegen in haar schriftelijke verklaring, die bij het medisch attest werd gevoegd, dat u samen met uw vader twee tot drie keer naar de buurtpolitie ging om klacht in te dienen (schriftelijke verklaring echtgenote). Dat verzoekers wensen hierop het volgende te merken dat de bovenvermelde tegenstrijdigheden eerder aan een foutieve vertaling berusten. Dat verzoeker zoals in de schriftelijke verklaring van verzoekster vermeld wordt, is na zijn vrijlating paar keer samen met zijn vader naar politie bureau geweest om klacht in te dienen. Verder vermeldt de bestreden beslissing dat: 'bovendien is het weinig geloofwaardig dat u, als lid van de Armeens Gregoriaanse kerk zou beschuldigd worden tot bekering aan te zetten, terwijl bekend is bij de Iraanse autoriteiten dat uw kerk en haar leden zich niet met dergelijke feiten inlaten. De Bisschop van uw kerk heeft hier geen weet van, terwijl uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, uitdrukkelijk blijkt dat deze van dergelijk zwaarwichtige problemen zou moeten op de hoogte zijn. Zelf is indien uw zou aangeklaagd worden, blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het dossier wordt gevoegd dat er geen sprake is van discriminatie in het gerecht tegenover Armeense Christenen. Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat u geen eerlijk proces kon krijgen en de ware toedracht van het gebeuren kon toelichten en uw onschuld bewijzen. Dat verweerder het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, XIV-14.599-5/8 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen), schendt, wanneer deze nalaat de feiten, waarop verzoekers hun asielaanvraag steunen, zomaar, zonder gegronde redenen, stelt dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is en nalaat grondig te motiveren. Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekers, in hoofdzaak gesteund zijn op informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Dat immers verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, stelt dat de afgelegde verklaringen tegenstrijdig zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Verweerder verwijst hierbij naar de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Dat verzoekers dienaangaande in eerste instantie opmerken dat deze rapporten slecht weergaven zijn van interviews afgenomen door een CEDOCA researcher. Dat dient vastgesteld te worden dat de exactheid en de betrouwbaarheid ervan door verzoekers niet kunnen geverifieerd worden waardoor verzoekers rechten van verdediging geschonden worden. Dat bijgevolg de verwijzing naar Cedoca-rapporten geenszins afdoende is om de geloofwaardigheid van verzoekers relaas te ondermijnen. Dat derhalve de bestreden beslissingen niet afdoende gemotiveerd zijn. Dat door de algemene conclusie van voormelde rapporten (geen systematische vervolging) zomaar op de asielaanvraag van verzoekers toe te. passen afbreuk wordt gedaan aan de noodzakelijke individuele benadering van de asielaanvraag van de kandidaat-vluchteling. Dat de door verweerder aangehaalde Cedoca-rapporten weerlegd worden door mensenrechtenrapporten aangaande Iran waaruit blijkt dat religieuze minderheden in Iran het slachtoffer zijn van opsluiting, intimidatie en mishandelingen alsgevolg van hun religie. Religieuze minderheden worden in Iran gediscrimineerd ondermeer op vlak van tewerkstelling en onderwijs en volwaardige deelname aan verkiezingen. Zij worden als tweede klas-burgers beschouwd (cf. US Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, Iran, International religious freedom report, 2001 en Marzeporgohar:org, Anahita Zardosht, “The turmoil of a country: human rights violations in Iran”) Dat voormelde rapporten duidelijk vrees voor vervolging en gebrek aan bescherming vanwege de Iraanse autoriteiten in hun land bevestigen en de informatie van het Commissariaat-generaal weerleggen. Dat derhalve, gezien de weinig rooskleurige situatie van de religieuze minderheden, verweerder in de bestreden beslissingen niet zomaar kon stellen dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is. Dat verweerder in de bestreden beslissing verwijst naar de gesprekken die met de Bisschop van de kerk waaraan verzoekers verbonden zijn. Dat hij geen weet zou hebben van dergelijk zwaarwichtige problemen. Dat verweerder geen rekening gehouden heeft met het feit dat de genomende Bisschop ook in de dienst van de Iraanse autoriteiten werkt en dat hij uiteraard geen verklaringen tegen het Iraanse regime mag afleggen en dat zijn verklaringen niet als een objectieve bewijs materiaal mag gebruikt worden. Dat verweerder de bestreden beslissingen niet afdoende motiveerde. Dat verweerder naliet voldoende rekening te houden met de Armeense origine van verzoekers en met de onmogelijkheid van verzoekers wegens hun origine de bescherming in te roepen van de Iraanse autoriteiten. Dat verweerder in geen geval verzoekers vrees voor vervolging in hun land wegens hun origine grondig heeft onderzocht en getoetst aan de Vluchtelingenconventie.”; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van artikel 1, A
(2)van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan; dat verzoekers tevens de schending inroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van XIV-14.599-6/8 de bestuurshandelingen alsmede de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de rechten van verdediging; dat vooreerst verzoekers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten grieve duiden hen nooit te hebben geconfronteerd met de in de bestreden beslissingen aangehaalde tegenstrijdigheden; dat volgens verzoekers de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan een foutieve vertaling; dat verzoekers de informatie betwisten, waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissingen steunt; dat verzoekers opmerken dat de Cedoca rapporten waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich beroept slechts een weergave zijn van de interviews afgenomen door een Cedoca-researcher; dat verzoekers menen dat de rechten van verdediging geschonden zijn doordat het onmogelijk is de exactheid en de betrouwbaarheid van de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt te verifiëren, zodat de verwijzing naar de Cedoca- rapporten geenszins afdoende is om de geloofwaardigheid van hun verklaringen te ondermijnen; dat door het louter verwijzen naar rapporten afbreuk wordt gedaan aan de noodzakelijke individuele benadering van hun asielaanvraag; dat verzoekers zelf ook nog verwijzen naar een aantal rapporten over religieuze minderheden in Iran; dat ten slotte zij nog opmerken dat de geïnterviewde bisschop in dienst van de Iraanse autoriteiten werkt; 2.2.
- Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op dat ogenblik verplichtte de kandidaat- vluchteling attent te maken op of te confronteren met voor hem nadelige elementen van het dossier; dat, wat de door verzoekers gegeven verklaring voor de vastgestelde tegenstrijdigheden betreft, dient aangestipt dat alle tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier; dat verzoekers op geen enkel ogenblik gewag hebben gemaakt van vertalingsproblemen of problemen met de tolk; dat zij dan ook post factum de loutere bewering dat er sprake is van een foutieve vertaling niet kunnen aanwenden om de tegenstrijdigheden te verantwoorden; dat dient aangestipt dat het van behoorlijk bestuur getuigt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich documenteert over het land van herkomst om zorgvuldig te kunnen onderzoeken of een asielzoeker al dan niet in aanmerking komt om erkend te worden; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gemachtigd is om objectieve gegevens in aanmerking te nemen ter beoordeling van het door verzoekers aangevoerde vluchtmotief; dat uit het administratief dossier blijkt dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert afkomstig is van ter plaatse uitgevoerd onderzoek (door onder meer Cedoca) omtrent de positie van religieuze minderheden ondermeer met behulp van personen die kennis ter zake hebben; dat verzoekers geen begin van bewijs aanbrengen dat de door deze partijen verstrekte informatie onjuist is, maar zich beperken tot enkele loutere aantijgingen; dat het feit dat de informatie slechts een weergave betreft van het interview van de Cedoca-researcher met een aantal personen, niets afdoet aan de betrouwbaarheid en objectiviteit; dat verzoekers derhalve niet aantonen dat de bestreden beslissingen niet afdoende zijn gemotiveerd; dat omtrent de beweerde schending van de XIV-14.599-7/8 rechten van verdediging, dient opgemerkt dat de informatie zich in het administratief dossier bevindt, zodat verzoekers de mogelijkheid hadden om ervan kennis te nemen en het te weerleggen; dat trouwens de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; dat de informatie waarnaar verzoekers verwijzen niet concreet op hun eigen situatie wordt toegepast en aldus de informatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan weerleggen; dat hun bewering dat de geïnterviewde bisschop in dienst staat van de Iraanse overheid door geen enkel concreet element wordt gestaafd; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.599-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.897 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div