id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.900 Rolnummer: A. 143008/XIV-17219 Zaak: Arrest 155900 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 11:55 Fiche Arrest nr 155.900 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.900 van 6 maart 2006 in de zaak A. 143.008/XIV-17.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat A. LAMBRECHT, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 85 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 22 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; XIV-17.219-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LAMBRECHT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Bengaalse nationaliteit, is in België binnengekomen op 10 januari 2000 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
- Op 26 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 19 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2000 tot weigering van verblijf. Deze beslissing wordt aan verzoeker betekend per aangetekend schrijven van 24 september
- Dit is de bestreden beslissing. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U beweerde de Bengaalse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Khagrochory. U behoort tot de etnische groep der Chakmas en bent Hindoe. Uw broer was reeds ongeveer een jaar lid van de beweging SB (Shanti Bahini) toen hij werd gedood op 24 of 25 december
- Kort hierop werd u zelf lid van de SB omdat u niet wou dat de dood van uw broer ongestraft bleef. In maart 1998 organiseerde u samen met de SB een betoging om de dood van uw broer aan te klagen. Tijdens deze betoging werd u door de politie gearresteerd samen met drie anderen. U werd ruw behandeld door de politie zodat u naar het ziekenhuis moest worden overgebracht. U wist uit het ziekenhuis te ontsnappen. Hierna verbleef u ongeveer een maand bij uw vriend Onto. De politie zocht u toen nog steeds. Daarna woonde u een tijdlang op verschillende plaatsen, om uit handen van de politie te blijven. Op 15 of 16 december 1998 stierf uw vader. U keerde terug naar huis voor de uitvaartceremonie en bleef er wonen om voor uw moeder en zus te zorgen en de winkel van uw vader over te nemen. De politie zocht u op dat ogenblik niet meer omdat de betoging waarbij u werd gearresteerd al vrij lang geleden was. SB wou dat u opnieuw voor hen actief werd wat u weigerde omdat u het druk had met de winkel. In februari 1999 werd uw winkel echter in brand gestoken door enkele Bengalen. U ging hulp zoeken bij het SB en nog XIV-17.219-2/7 dezelfde dag ontstond er een gevecht tussen SB aan de ene kant en Bengalen aan de andere kant. De politie kwam tussenbeide en arresteerde enkele mensen. Uzelf wist echter te ontsnappen. U vluchtte naar Tripura in India waar u ongeveer een maand verbleef voor u richting België vertrok. Ondertussen was er echter nog een probleem ontstaan tussen u en de familie van uw vriendin Jasmine, een moslimmeisje. Haar familie had in januari 1999 uw relatie met haar ontdekt en was hier niet mee akkoord. Ze zijn u gaan aanklagen bij de politie.Terwijl u in India verbleef kreeg u te horen van een vriend dat u in deze zaak tot een lange gevangenisstraf was veroordeeld voor verkrachting. U vroeg in België asiel aan op 10 januari
- B. Motivering Er dient opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure verklaringen hebt afgelegd die dermate onderling tegenstrijdig zijn dat ze de geloofwaardigheid van uw relaas op fundamentele wijze aantasten. Vooreerst zijn er zeer veel tegenstrijdigheden wat data betreft. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat uw broer in 1989 lid werd van de SB (gehoorverslag DVZ, p. 12A), terwijl u op het Commisariaat-generaal verklaarde dat hij pas één jaar lid was toen hij eind 1997 werd vermoord, waaruit men kan afleiden dat hij in 1996 zou zijn lid geworden (gehoorverslag CGVS, p. 2). Het begin van uw eigen engagement voor SB situeert u voor de Dient Vreemdelingenzaken in 1995 (gehoorverslag DVZ, p. 12A), terwijl u op het Commissariaat-generaal beweerde pas te zijn lid geworden eind 1997 (gehoorverslag CGVS, p. 2). Verder situeerde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken de dood van uw broer op 6 november 1997 (gehoorverslag DVZ, p. 12A), terwijl u op het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw broer stierf op 24 of 25 december 1997 (gehoorverslag CGVS, p. 2). De betoging om de dood van uw broer aan de klagen waarbij u werd gearresteerd situeerde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken twee weken na de dood van uw broer, namelijk op 21-11-1997 (gehoorverslag DVZ, p. 12B). Op het Commissariaat-generaal echter situeerde u deze betoging eerst enkele maanden na de dood van uw broer, namelijk in maart 1998 plaatsvond (gehoorverslag CGVS, p. 4). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u uw land verliet op 12 september 1999 en dat u slechts één dag in Tripura (India) verbleef (gehoorverslag DVZ, p. 11). Op het Commissariaat-generaal echter verklaarde u reeds in februari 1999 uit Bangladesh te zijn vertrokken en daarna nog ongeveer een maand in Tripura (India) te hebben verbleven (gehoorverslag CGVS, p. 6). Voorts zijn er funda0mentele tegenstrijdigheden in uw verklaringen over de dood van uw vader. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw vader stierf na uw vertrek uit Bangladesh. U verklaarde dat u het nieuws van zijn dood te horen kreeg in Calcutta en dat u nog wilde terugkeren om aanwezig te zijn op de uitvaart, maar dat u dit op aanraden van uw moeder niet deed en dus niet aanwezig was op de uitvaart van uw vader (gehoorverslag DVZ, p. 12B). Op het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat uw vader stierf in december 1998, dat u aanwezig was op zijn uitvaart, en dat u daarna terug in uw dorp ging wonen waar u zijn winkel overnam, waaruit toch blijkt dat u nog niet uit het land was gevlucht op het ogenblik dat u vader stierf (gehoorverslag CGVS, p. 5-6). Ook in het verhaal betreffende uw vriendin zijn er fundamentele tegenstrijdigheden. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij was gestorven tijdens haar bevalling van uw kind (gehoorverslag DVZ, p.12B). Op het Commissariaat-generaal vertelde u hier aanvankelijk niets van. Integendeel u verklaarde zelfs dat zij op het ogenblik dat u Bangladesh verliet nog ‘ok’ was en dat u niet weet hoe het verder met haar is gegaan (gehoorverslag CGVS, p. 8). Toen u met deze tegenstrijdigheid geconfronteerd werd, ontkende u aanvankelijk dat u dit verhaal in het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken zo had verteld (gehoorverslag CGVS, p. 8). Het is pas na lang nadenken dat u zich herinnerde dat u tijdens het eerste interview nog in de waan verkeerde dat zij was gestorven bij een bevalling, en dat u recent het nieuws hebt te horen gekregen dat ze nog leeft (gehoorverslag CGVS, p. 8). Het is uiterst ongeloofwaardig dat u dit nieuws aangaande uw vriendin eerst zou zijn vergeten te vertellen, of dat u dit niet belangrijk achtte, zoals u beweerde (gehoorverslag CGVS, p. 8). In het algemeen kon u geen afdoende uitleg geven voor het grote aantal fundamentele tegenstrijdigheden tussen uw verschillende verklaringen. Als verklaring voor deze tegenstrijdigheden gaf u immers aan dat de tolk op de Dienst Vreemdelingenzaken u mogelijks verkeerd begrepen heeft (gehoorverslag CGVS, p. 3). U zei ook dat u zich XIV-17.219-3/7 misschien niet goed voelde tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoorverslag CGVS, p. 9) alsook dat u tijdens dat interview zeer ziek en vermoeid was van de reis (gehoorverslag CGVS, p. 9). Zelfs al had u moeite om de tolk te begrijpen, en was u te bang om hier iets van de zeggen, zoals u beweerde (gehoorverslag CGVS, p. 3) dan kan dit echter nog niet verklaren waarom grote vergissingen, zoals die i.v.m. de dood van uw vader, u niet zouden zijn opgevallen toen het verhoor u werd voorgelezen in het Bangla en u het voor akkoord ondertekende (gehoorverslag DVZ, p. 14). Ter staving van u asielrelaas legde u enkele krantenartikels voor die verband houden met de problemen van de Chakma bevolking. Deze artikels kunnen echter de bovenstaande conclusies over de geloofwaardigheid van uw verklaringen niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Doordat de bestreden beslissing stelt: "Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet neem ik aan dat u asielaanvraag bedrieglijk is." Het Commissariaat Generaal meent te kunnen besluiten dat de verklaringen van verzoeker, afgelegd in de asielprocedure, dermate onderling tegenstrijdig zijn dat ze de geloofwaardigheid van verzoekers relaas op fundamentele wijze aantasten. Zo besluit het Commissariaat Generaal: "In het algemeen kon u geen afdoende uitleg geven voor het grote aantal fundamentele tegenstrijdigheden tussen uw verschillende verklaringen. Als verklaring voor deze tegenstrijdigheden gaf u immers aan dat de tolk op de Dienst Vreemdelingenzaken u mogelijks verkeerd begrepen heeft (gehoorverslag CGVS, p. 3). U zei ook dat u zich niet goed voelde tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoorverslag CGVS p. 9) alsook dat u tijdens dat interview zeer ziek en vermoeid was van de reis (gehoorverslag CGVS p. 9). Zelfs al had u moeite om de tolk te begrijpen, en was u te bang om hier iets van te zeggen, zoals u beweerde (gehoorverslag CGS V, p. 3) dan kan dit echter nog niet verklaren waarom grote vergissingen, zoals die i. v. m. de dood van uw vader, u niet zouden zijn opgevallen toen het verhoor u werd voorgelezen in het Bangla en u het voor akkoord ondertekende (gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, p. 14)." De motivering door het Commissariaat Generaal is echter rechtens en feitelijk onaanvaardbaar! De motieven van het Commissariaat Generaal moeten immers kenbaar zijn, beantwoorden aan de realiteit en draagkrachtig zijn, m.a.w. de beslissing effectief verantwoorden. Geenszins zijn in casu de afwegingen van het Commissariaat afdoende om te besluiten dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk was. Enerzijds erkent het Commissariaat in haar overweging dat verzoeker ten tijde van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken: - moeite had om de tolk te begrijpen - te bang was om er iets van te zeggen XIV-17.219-4/7 Anderzijds beslist het Commissariaat dat er geen reden is waarom de grote verschillen tussen het verhoor bij de DIENST VREEMDELINGENZAKEN en dit bij het COMMISSARIAAT GENERAAL niet aan verzoeker zouden zijn opgevallen toen het verhoor hem werd voorgelezen in het Bangla en hij het voor akkoord ondertekende. De motivering van het Commissariaat is tegenstrijdig en heft zichzelf op. Men kan niet aan de ene kant stellen dat de gehoorde de tolk niet begrijpt en aan de andere kant besluiten dat gehoorde het eens was met het gehoorverslag dat werd voorgelezen door diezelfde tolk (die hij niet begreep!). Aangezien eveneens door het Commissariaat erkend werd dat verzoeker bang was, is het ook niet moeilijk om af te leiden dat hij het verhoor van de Dienst Vreemdelingenzaken uit angst ondertekende, zonder het verstaan te hebben. Bovendien verwijst het Commissariaat in haar beslissing naar p. 9 CGVS, waar zou staan dat verzoeker ten tijde van het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken moe en ziek was, wat daar echter nergens is terug te vinden. Het Commissariaat verwijst dus naar passages die er in realiteit niet zijn, ook dit is een duidelijk gebrek in de motivering. Alleszins is de motivering van de bestreden beslissing onjuist en kon in casu niet geldig besloten worden tot onontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker. Het middel is gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen erkent dat hij moeite had om de tolk te begrijpen en dat hij te bang was om er iets van te zeggen; dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit dat er geen reden is waarom grote verschillen tussen de beide verhoren niet aan verzoeker zouden zijn opgevallen; dat moet worden opgemerkt dat de vaststelling dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen erkent dat verzoeker de tolk moeilijk begreep en dat hij bang was, onjuist is; dat in de beslissing nergens staat dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dit zou erkennen; dat de betrokken passage van de motivering luidt als volgt: “In het algemeen kon u geen afdoende uitleg geven voor het grote aantal fundamentele tegenstrijdigheden tussen uw verschillende verklaringen. Als verklaring voor deze tegenstrijdigheden gaf u immers aan dat de tolk op de Dienst Vreemdelingenzaken u mogelijks verkeerd begrepen heeft. U zei ook dat u zich misschien niet goed voelde tijdens uw gehoor op Dienst Vreemdelingenzaken alsook dat u tijdens dat interview zeer ziek en vermoeid was van de reis. Zelfs al had u moeite om de tolk te begrijpen, en was u te bang om hier iets van te zeggen, zoals u beweerde, dan kan dit nog niet verklaren...”; dat bijgevolg niet kan worden besloten dat de beslissing tegenstrijdig is; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beweringen aanhaalt omdat hij rekening moet houden met alle hem bekende gegevens; dat het vereist is dat hij rekening houdt met door de verzoeker aangebrachte opmerkingen; dat het de discretionaire bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is om deze opmerkingen te beoordelen op hun geloofwaardigheid en het aan verzoeker is om aan te tonen dat de beoordeling kennelijk onredelijk is, wat verzoeker in casu nalaat; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit tegenstrijdige verklaringen afleidt dat de asielaanvraag onontvankelijk is; dat bovendien verzoeker niet bewijst dat hij de tolk niet heeft verstaan of dat hij bang was; dat uit het administratief dossier blijkt dat het ruim 2 uur durende verhoor op normale wijze verlopen XIV-17.219-5/7 is en er niet uit blijkt dat verzoeker in de onmogelijkheid verkeerde om alle vragen te begrijpen en te beantwoorden; dat gedurende en na het verhoor verzoeker geen enkele opmerking heeft gemaakt over het niet goed verstaan van de tolk en er ook geen elementen waren die erop wezen dat verzoeker bang was; dat het pas bij de confrontatie met de tegenstrijdigheden is dat verzoeker aanhaalt dat hij het niet goed had begrepen en dat hij bang was; dat het verslag voorgelezen is in de taal die verzoeker als de zijne had opgegeven en verzoeker het verslag ondertekend heeft; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker suggereert dat hij uit angst de verklaring bij de Dienst Vreemdelingenzaken ondertekende; dat dezelfde opmerking moet worden gemaakt, namelijk dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen erkenning uitspreekt van het feit dat verzoeker bang was; dat, zoals vermeld, uit het verhoorverslag blijkt dat het interview op normale wijze is verlopen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker opwerpt dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijst naar passages die niet bestaan; dat op pagina 9 Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet letterlijk staat: “... dat u tijdens dat interview zeer ziek en vermoeid was van de reis.”, maar wel: “Toen ik mijn eerste interview had, was ik ziek, want ik had zo lang gereisd” en “Het is moeilijk, misschien voelde ik me niet goed” en “ Ik was ziek en ook misschien heeft de tolk me niet goed begrepen of ik haar niet”; dat de inhoud van het citaat strookt met de passages die wel op pagina 9 te vinden zijn zodat niet kan worden besloten dat de beslissing niet op correcte gegevens is gebaseerd; dat bovendien bij de beoordeling van de motivering rekening moet worden gehouden met het geheel en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat de beslissing immers gebaseerd is op meerdere motieven en verzoeker nalaat aan te tonen dat deze motieven onjuist zijn; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-17.219-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.219-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.