id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.918 Rolnummer: A. 90639/IX-2300 Zaak: Arrest 155918 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 12:05 Fiche Arrest nr 155.918 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.918 van 6 maart 2006 in de zaak A. 90.639/IX-2300. In zake : Luc KERSTENS, wonende te BRASSCHAAT, Heislagsebaan 31/B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc KERSTENS op 31 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 11 januari 2000 waarbij hem de tuchtmaatregel van tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit voor een periode van drie weken wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 89.645 van 18 september 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 3 november 2000 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2300-1/20 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DECAIGNY die, loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 27 juni 1977 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Op 26 juni 1978 wordt hij benoemd in de graad van wachtmeester en op 26 juni 1990 in de graad van eerste wachtmeester. Op 1 januari 1995 wordt hij ingevolge een reorganisatie gemuteerd naar de gespecialiseerde eenheid Protectie Observatie Steun Aanhouding (hierna : POSA) te Antwerpen. 1.2. Op 4 september 1997 geeft de commandant van POSA Antwerpen aan luitenant POTTERS de opdracht om een voorafgaand onderzoek inzake tucht in te stellen op grond van een verklaring van een personeelslid. 1.3. Op 9 september 1997 richt kapitein-commandant DEBACKER, commandant van de BOB Antwerpen, een “omstandig beslissings- en informatie- verlslag” aan de procureur des Konings te Antwerpen omtrent een operatie met als codenaam “Ops ASOP” in verband met het uitvoeren van opdrachten buiten IX-2300-2/20 dienstverband door leden van het peloton “POSA”. Er wordt op gewezen dat de uitgevoerde activiteiten mogelijk rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met criminele activiteiten. Dit verslag wordt op dezelfde datum door de procureur des Konings getekend voor “gezien”. Op geregelde tijdstippen brengt de commandant verslag uit bij de procureur. 1.4. Op 1 april 1998 zendt de commandant van de BOB Antwerpen een bijkomend “omstandig beslissings- en informatierapport” met betrekking tot de operatie ASOP aan de procureur des Konings te Antwerpen en vraagt hij het akkoord om het dossier over te maken aan de tuchtoverheid van de betrokken rijkswachters. In de rand wordt genoteerd “akkoord”. 1.5. Met een nota van 3 april 1998 meldt de commandant van de BOB aan de eenheidscommandant van verzoeker dat als gevolg van een intern onderzoek wordt vastgesteld dat er een georganiseerd circuit bestaat in de schoot van POSA Antwerpen waar observatie- en bewakingsactiviteiten worden uitgevoerd ten behoeve van privé-organismen of personen. In die nota wordt onder meer de naam van verzoeker genoemd. De gedetailleerde activiteitenverslagen van de operatie ASOP zijn bij de nota gevoegd. Op 24 april 1998 richt de commandant van de BOB Antwerpen een "omstandig beslissings- en informatierapport" aan de procureur des Konings te Antwerpen. Hij besluit dat onder meer verzoeker feiten heeft gepleegd die vatbaar zijn voor strafrechtelijke sancties, met name het uitoefenen van het beroep van privé- detective zonder vergunning van de minister van Binnenlandse Zaken en het verrichten van zwartwerk. Hij vraagt onder meer of de in het onderzoek betrokken rijkswachters naar de commandant van de rijkswacht moeten worden verwezen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. 1.6. Op 28 mei 1998 meldt de procureur des Konings aan de commandant van de BOB Antwerpen dat vijf rijkswachters, waaronder verzoeker, zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten doch dat zijn ambt wegens opportuniteitsredenen niet overgaat tot strafrechtelijke vervolging. Hij stelt dat een tuchtstraf hem gepast voorkomt daar betrokkenen onmogelijk het vertrouwen kunnen behouden dat van hen wordt verwacht binnen de rijkswacht en meer bijzonder binnen een gespecialiseerde dienst als POSA. Hij meent dat de betrokken rijkswachters naar IX-2300-3/20 de commandant van de rijkswacht moeten worden verwezen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. 1.7. Op 2 juni 1998 vraagt de commandant POSA Antwerpen aan luitenant POTTERS om het voorafgaand onderzoek inzake tucht, dat was uitgesteld in samenspraak met de commandant van het Speciaal Interventie Eskadron van de rijkswacht (hierna : SIE) en de commandant BOB teneinde een beter zicht op de zaak te krijgen, alsnog uit te voeren. 1.8. Op 3 juni 1998 vraagt de commandant POSA Antwerpen aan de procureur des Konings te Antwerpen om hem, als eenheidscommandant die verantwoordelijk is voor het instellen van een tuchtonderzoek, de toestemming te verlenen tot het gebruik van de opgestelde verslagen voor administratieve doelein- den. 1.9. Op 4 juni 1998 geeft de procureur des Konings aan de commandant van de POSA Antwerpen ten uitzonderlijke titel toestemming tot het gebruik in het tuchtonderzoek tegen leden van POSA Antwerpen, van de verslagen aan zijn ambt in het kader van de opsporingsverrichtingen. 1.10. Bij nota van 23 juni 1998 beslist de commandant van de rijkswacht om verzoeker, in afwachting van een beslissing tot mutatie bij ordemaatregel, ten bewarende titel te detacheren naar het eerste eskadron infanterie van de Algemene Reserve omdat verzoeker “buiten dienstverband betrokken zou zijn geweest bij het uitvoeren van observatie- en beveiligingsopdrachten op vraag van een ander lid van de POSA Antwerpen”. 1.11. Op 20 augustus 1998 meldt de procureur des Konings te Antwerpen aan de Algemene Reserve -de tuchtrechtelijk bevoegde overheid voor verzoeker sinds zijn detachering van 23 juni 1998- dat tegen verzoeker een inbreuk op artikel 6, 6/ van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten kan weerhouden worden alsook een inbreuk op artikel 458 van het Strafwetboek, meer bepaald schending van het beroepsgeheim. Hij meldt tevens dat zijn ambt niet zal overgaan tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek en dat "in het kader van operatie ASOP, die aan de basis lag van de tuchtsancties lastens betrokkenen geen processen-verbaal werden opgesteld, doch dat het IX-2300-4/20 onderzoek enkel verliep op basis van vertrouwelijke verslagen, gezien het hier om een intern onderzoek bij POSA ging". 1.12. Op 2 september 1998 stelt de commandant van het eerste eskadron infanterie van de Algemene Reserve een inleidend verslag op en zendt dit aan de korpscommandant, de eenheidscommandant van verzoeker. 1.13. Op 14 september 1999 wordt verzoeker verhoord door zijn korpscommandant. 1.14. Met een nota van 29 september 1999 adieert de korpscommandant de onderzoeksraad. Hij stelt voor verzoeker bij tuchtmaatregel twee weken uit zijn ambt te ontheffen, hem bij ordemaatregel te muteren naar het eerste eskadron van de Algemene Reserve, hem voor onbepaalde duur een inzetverbod op te leggen voor minstens het district Antwerpen en hem niet meer toe te laten om een functie uit te oefenen in gespecialiseerde eenheden, in casu het SIE en de POSA. 1.15. Op 15 december 1999 verschijnt verzoeker voor de onderzoeks- raad na uitstel verkregen te hebben en op dezelfde datum geeft die onderzoeksraad het volgende advies : “I. DE PROCEDURE A. De Klacht met burgerlijke partijstelling tegen Kapt-Cdt DEBACKER Overwegende dat de verdediging ter zitting van de onderzoeksraad op 15-12-1999 haar verzoek herhaalde om de behandeling van de tuchtzaak uit te stellen tot definitief zal zijn gestatueerd met betrekking tot de klacht met burgerlijke partijstelling tegen Kapt-Cdt DEBACKER en dat ter zitting kopie werd overgelegd van de klacht zoals deze werd neergelegd in handen van de onderzoeksrechter te ANTWERPEN. Overwegende dat na lezing van deze klacht blijkt dat de lastens Kapt-Cdt DEBACKER en eveneens lastens onbekenden aangevoerde feiten zich niet vereenzelvigen met de feiten die aan 1WM KERSTENS worden ten laste gelegd in de huidige tuchtvordering; dat de beoordeling door de strafrechter van de eventuele misdrijven lastens kapitein DEBACKER in generlei mate de beoordeling van de feiten belet of beïnvloedt zoals deze door de wettelijke bepalingen aan de onderzoeksraad is opgedragen; dat er dan ook geen wettig motief of feitelijk motief voorhanden is om de procedure lastens 1WM KER(S)TENS op te schorten. B. Het voorafgaand onderzoek Overwegende dat de korpscommandant afdoende motiveert dat de interventie van het hoofd BOB zich situeerde in het kader van een opsporing naar nog eventueel te plegen strafrechtelijke inbreuken en hun daders; Overwegende dat het hoofd BOB daartoe de nodige contacten onderhield met de betrokken parketmagistraat en hem de bekomen resultaten bezorgde (Blz 117 - Blz 112 - Blz 107 Blz 105-106-109); IX-2300-5/20 Overwegende dat de stellingname van het hoofd BOB met betrekking tot het karakter van de opgespoorde feiten geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de parketmagistraat; Dat dit wordt onderschreven door de interventie van de vertrouwens- magistraat met referentie Operatie ASOP/163/97/BOB van 12-11-1997 (gevoegd bij het dossier) evenals uit zijn beslissing tot niet vervolging wegens opportuniteitsredenen en verwijzing naar de korpstucht op 28-05-1998 (Blz 030); Overwegende dat de gegevens van het onderzoek regelmatig werden aan- gewend ingevolge de beslissing van de parketmagistraat van 04-06-1998 op vraag van de tuchtoverheid van 03-06-1998 (Blz 032 en 031), Overwegende dat de eenheidscommandant de vooronderzoeker Lt POTTERS op 02 juni 1998 opdracht geeft het voorafgaand onderzoek, waartoe hij was aangeduid op 04-09-1997 (Blz 005), maar dat wegens mogelijk verband met crimineel gedrag onmiddellijk was uitgesteld ingevolge de operatie ASOP, uit te voeren (Blz 008); stelt de raad vast dat de gegevens uit het voorafgaand onderzoek niet door nietigheid zijn aangetast. C. Nietigheid van de bewijslast voortvloeiende uit de operatie ASOP Overwegende dat de activiteiten van de operatie ASOP zich situeerden binnen een opsporingsonderzoek naar strafbare feiten en hun daders; Dat de vertouwensmagistraat van het parket ANTWERPEN daarvan bij aanvang afdoende werd in kennis gesteld (Blz 117 - punt 2.); Dat deze trouwens om de stand van zake had verzocht bij zijn nota van 12-11-1997; Dat uit de vraag van het hoofd BOB ANTWERPEN om de operatie ASOP te beëindigen aan het ambt van de procureur des konings wel degelijk dient te worden afgeleid dat deze de leiding over de operatie behield (Blz 107); Overwegende verder dat de gegevens van de operatie ASOP regelmatig werden verkregen (zie onze bevindingen in supra 3) en aangewend werden in het tuchtdossier lasten(
- s)lWM KERSTENS, oordeelt de raad dat deze niet door nietigheid zijn aangetast. D. De redelijke termijn Overwegende dat de eventuele overschrijding van de redelijke termijnen moet worden onderzocht in concreto rekening houdende met alle omstandig- heden die het afhandelen van een procedure kunnen belemmeren; Dat de complexiteit van het dossier, de betrokkenheid van meerdere personeelsleden, de moeilijkheidsgraad om de inbreuken vast te stellen, de bijkomende onderzoeken en de tijdelijke onbeschikbaarheden om bepaalde onderzoeksverrichtingen uit te voeren verantwoorden dat de procedure niet eerder kon worden afgesloten; Dat in casu moet worden vastgesteld dat er geen onredelijke vertraging bestaat en dat de overheid niet heeft stilgezeten noch tijdens het voorafgaand onderzoek, noch vanaf de vaststelling van de feiten. E. De loyauteitsplicht van de overheid Overwegende dat lWM KERSTENS zich erover beklaagt dat ook de naam van lWM V.S. voorkomt op een nota POSA ANTWERPEN gericht aan de medische adviseur; dat hij beweert dat de overheid aldus bewust handelde om de (valse) schijn te verwekken dat ook tegen dit personeelslid een voorafgaand onderzoek liep; Overwegende dat voormelde vermelding in generlei mate de feiten beïnvloedt welke aan lWM KERSTENS worden ten laste gelegd, en anderzijds ook in geen enkel opzicht het verweer van 1WM VAN HOEK heeft kunnen schaden; Dat lWM KERSTENS niet aantoont in welke mate hierdoor zijn rechten van verdediging zouden zijn geschaad of geschaad zouden kunnen zijn; dat hij zelfs IX-2300-6/20 niet voorhoudt dat hij, bij gebreke aan deze vermelding, zijn verweer op een andere wijze zou hebben gevoerd F. De schending van het gelijkheidsbeginsel Overwegende dat lWM KERSTENS betoogt dat de rijkswachtoverheid ten opzichte van andere personeelsleden binnen POST ANTWERPEN 'die ook gewerkt hebben als portier of security agent zonder een gegrond motief een geheel andere beslissing heeft genomen'. Overwegende dat de onderzoeksraad op grond van de voorliggende stukken niet kan vaststellen dat de overheid haar tuchtbevoegdheid op discriminatoire wijze zou uitoefenen ten nadele van 1WM KERSTENS; Dat de onderzoeksraad geen kennis heeft van het al dan niet bestaan van tuchtdossiers op naam van OWM HAINAUT, lWM LODEWIJCKX en WM WITTERS; Dat het anderzijds niet onredelijk voorkomt dat de overheid geen tucht- vervolging zou opstarten tegen 1WM V.S. nu vaststaat dat deze met medeweten van zijn hiërarchie heeft gehandeld om andere tuchtinbreuken te kunnen vaststellen; Dat derhalve niet bewezen is dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. II. TEN GRONDE Voorafgaand : Overwegende dat artikel 24/27 § l, tweede lid van de Statutaire Wet bepaalt dat het inleidend verslag nauwkeurig de feiten vermeldt die aan het personeelslid worden verweten en die als een tekortkoming aan zijn ambtsplichten of aan de waardigheid van het ambt worden beschouwd; Dat de feiten die in het voorliggend dossier moeten worden onderzocht werden omschreven in het inleidend verslag van 15-09-1998 (Blz 079); Dat hierin wordt gewag gemaakt van : . het uitvoeren van beveiligings- en bewakingsopdrachten in de periode december 1997 - februari 1998, in het privé-leven en buiten dienst, samen met andere collega*s rijkswachters en burgers en dit tegen betaling; . het zich manifesteren als een directe medewerker van 1 WM VAN STEEN - de eigenlijke organisator van al deze opdrachten door zelf contact op te nemen met de persoon X om opdrachten in dancings uit te voeren. (...) dat derhalve het onderzoek naar het bestaan van de feiten en naar hun tenlaste- legging kan worden beperkt tot één feit, zoals hierna omschreven. A. Uiteenzetting van de feiten FEIT 1 1 WM KERSTENS heeft, als lid van een speciale eenheid POSA, buiten dienstverband, in het raam van een door een collega van dezelfde eenheid opgezet zwartwerk-circuit, minstens één beveiligingsopdracht uitgevoerd in privé-instellingen ten voordele van burgeropdrachtgevers, in casu op 18-12-1997 in het cinemacomplex METROPOLIS te ANTWERPEN. Gelet op de bevindingen van lWM V.S., in het kader van de operatie ASOP, met betrekking tot de activiteiten van lWM KERSTENS in opdracht van 1WM VAN STEEN (Blz 026) welke door eerstgenoemde bevestigd werden voor de KorpsComd n.a.v. de confrontatie (Blz 217); Gelet op het feit dat betrokkene voor de DPL Gp ANTWERPEN n.a.v. het voorstel tot voorlopige detachering toegeeft een bewakingsopdracht aan de cinema METROPOLIS te hebben uitgevoerd (zie nota Nr GpA-474/M van 11-06-1998); dat hij eraan toevoegt dat elke financiële tussenkomst welkom was voor een alleenstaande met twee opgroeiende kinderen. Overwegende dat hij tijdens het verhoor voor de korpscommandant stelt dat hij tijdens het verhoor voor de DPL-Gp ANTWERPEN de door hem in de IX-2300-7/20 voorwaardelijke wijze geformuleerde veronderstellingen 'beaamde' (Blz 216 vraag 22). Overwegende anderzijds de verklaring van een ander personeelslid betrokken in de activiteiten opgezet en geleid door 1WM VAN STEEN (Blz 062). oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 1 bewezen is. FEIT 2 1 WM KERSTENS heeft, als lid van een speciale eenheid POSA, buiten dienstverband, in het raam van een door een collega van dezelfde eenheid opgezet zwartwerk-circuit, (op 01-02-1998) bij minstens één van de opdrachten gefungeerd als tussenpersoon tussen de organisator van deze opdrachten en de uitvoerders. Gelet op de bevindingen van lWM V.S. in opdracht van de EComd en vervat in zijn rapport ASOP (Blz 028) en de bevestiging ervan voor de korpschef (Blz 217). Gelet op de bevestiging van deze informatie door WM AERTS (Blz 012). oordeelt de raad, bij stemming dat Feit 2 bewezen is. B. Tenlastelegging Gelet op het feit dat de bevindingen omtrent het bestaan van de feiten eveneens gelden voor hun tenlastelegging aan 1WM KERSTENS oordeelt de raad, bij stemming, dat de Feiten 1 en 2 aan betrokkene ten laste worden gelegd; C. Omschrijving van het feit 1. Tekortkoming aan de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt Gelet op het feit dat moet aanvaard worden dat het georganiseerde optreden ten voordele van burgers geschiedde tegen vergoeding en dat dit derhalve dient te worden gelijkgesteld met het uitvoeren van een bijkomende beroepsactiviteit; Overwegende dat de wetgever via het opleggen van het verbod om een ander beroep uit te oefenen tijdens de actieve dienst heeft willen nastreven dat politiemensen in alle omstandigheden hun onafhankelijkheid en integriteit t.o.v. de burgers bewaren; Gelet op de richtlijnen in verband met het uitoefenen van een bijkomende activiteit in de hoedanigheid van lid van het operationeel korps van de rijkswacht verspreid bij nota Nr DGP/Coord-222, DK 679, van 03-04-1997, met geldigheidsduur tot 01-04-2007; Gelet op het feit dat betrokkene en zijn collega’s in de loop van het jaar 1996 werden gewezen op het feit dat iedere vorm van zwartwerk ontoelaatbaar is (Blz 048); Overwegende bovendien dat het uitoefenen van een observatie-activiteit buiten dienstverband met het oog op het vaststellen van strafbare inbreuken, zonder kennisgeving aan de gerechtelijke autoriteiten, onduldbaar is in hoofde van een politieambtenaar, bekleed met de hoedanigheid van agent van bestuurlij- ke en gerechtelijke politie en als dusdanig belast met het voorkomen, doen ophouden en het zo nodig vaststellen en onderzoeken van misdrijven. Overwegende dat door zijn handelwijze en ingevolge het gevoerde tucht- en gerechtelijk onderzoek, hij het vertrouwen van de gerechtelijke overheden in zijn eenheid beschaamde en daardoor het imago van POSA ANTWERPEN schade toebracht met als gevolg een verminderd toebedelen van gerechtelijke opdrach- ten Overwegende dat : . het rijkswachtpersoneel erop gewezen werd dat zij hun houding en gedrag, zowel in de uitoefening van hun ambt als daarbuiten, permanent moeten afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg voor moet dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak (Onderrichting van de Commandant van de Rijkswacht Nr DPB/069 DK 670 van 15-03-1993); IX-2300-8/20 . dat van personeelsleden van de rijkswacht verwacht wordt dat zij blijk geven van een volstrekte onkreukbaarheid en integriteit (Charter van de waarden van de Rijkswacht, Art 3); . dat de goede werking van de rijkswacht en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven; . dat deze waarden niet alleen in dienst in acht moeten worden genomen, maar dat zij tevens gelden in het privé-leven, voor zover zij noodzakelijk zijn voor de goede werking van de dienst; oordeelt de raad dat : de gedragingen van 1WM KERSTENS een inbreuk uitmaken op de statutaire wet, meer bepaald : . Art 24/3 omdat hij niet ten alle tijde heeft bijgedragen tot eerbiediging van de wet . Art 24/3 4/ omdat hij niet elke handeling heeft vermeden waardoor het vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast; . Art 24/12 3/ een opdracht of een dienst te hebben uitgevoerd, zelfs als die onbezoldigd is, in een particulier bedrijf met winstoogmerk. 2. Wat betreft de ernst van de tuchtvergrijpen. Rekening houdend met onze beschouwingen in C1 met betrekking tot de kwalificatie van het (
- de)feit(
- en)en met het belang en de ruime verspreiding van de richtlijnen betreffende de deontologische plichten inherent aan de staat van personeelslid van de rijkswacht. Oordeelt de Raad, bij stemming, dat de Feiten 1 en 2 een tuchtvergrijp uitmaken en dat het geheel der tuchtvergrijpen ernstig is. D. De voorgestelde straf Overwegende dat de korpscommandant, bij de bepaling van de straf, onvoldoende rekening houdt met : . de ernst van het gepleegde feit en het actief optreden van betrokkene binnen het circuit; maar anderzijds onvoldoende met: . de goede staat van dienen; . het blanco strafblad; Geeft de Raad, bij stemming, het advies dat een non-activiteit bij tuchtmaat- regel voor een periode van drie weken zou moeten worden opgelegd. E. De maatregel van inwendige orde (...).” Dit advies wordt op 15 december 1999 aan verzoeker toegestuurd. 1.16. Op 11 januari 2000 zendt de minister van Binnenlandse Zaken de volgende nota, waarbij hij verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van drie weken oplegt, aan de commandant van de rijkswacht : "ONDERWERP : Non-activiteit bij tuchtmaatregel Betreft : Eerste wachtmeester KERSTENS Luc (451781035- Gp ANTWERPEN / POSA- voorafgaand gedetacheerd naar de ARG/1 Esk Inf) Ref: 1. Art 24/13 §1-4/; 24/17; 24/24§1 - alinea 1; 24/34 § 2, 24/35 en 25 - 3/ van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. IX-2300-9/20 2. Art 35, 36 en 43 van het Koninklijk Besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. 3. Adiëringsverslag van de korpscommandant ARG Nr ARG/HR/16199/M- Privé DK 670 van 20-08-1999. 4. Advies van de Onderzoeksraad voor het rijkswachtpersoneel, Nederlands- talige kamer, Nr 99/051/N van 15 december 1999. 1. Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de Onderzoeksraad en de tenlastelegging hiervan aan eerste wachtmeester KERSTENS. Meer bepaald pleegde hij de volgende feiten : Feit 1 1WM KERSTENS heeft, als lid van een speciale eenheid POSA, buiten dienstverband, in het raam van een door een collega van dezelfde eenheid opgezet zwartwerk-circuit, minstens één beveiligingsopdracht uitgevoerd in privé-instellingen ten voordele van burger-opdrachtgevers; in casu op 18-12- 1997 in het cinemacomplex METROPOLIS te ANTWERPEN Feit 2 1WM KERSTENS heeft, als lid van een speciale eenheid POSA, buiten dienstverband, in het raam van een door een collega van dezelfde eenheid opgezet zwartwerk-circuit, (op 01-02-1998) bij minstens één van de opdrachten gefungeerd als tussenpersoon tussen de organisator van deze opdrachten en de uitvoerders. 2. Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de Onderzoeksraad omtrent de omschrijving van de feiten, meer bepaald dat de feiten een tuchtver- grijp uitmaken en dat het geheel der tuchtvergrijpen ernstig is. Ik sluit mij bij dit uitgebrachte advies aan. 3. Ik ben van oordeel dat de door de Onderzoeksraad voorgestelde tuchtstraf passend is en leg bijgevolg, wegens de redenen vermeld in het advies van de Onderzoeksraad, eerste wachtmeester KERSTENS een tijdelijke ambtsont- heffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van DRIE WEKEN op." Dit is de bestreden beslissing. 1.17. Op 1 februari 2000 ondertekent verzoeker de nota van 21 januari 2000 voor kennisneming en ontvangst. Hij wordt ook in kennis gesteld dat de tuchtstraf van de tijdelijke ambstontheffing zal aanvangen op 1 maart 2000. 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van “het recht op tegenspraak (... wegens) onvoldoende faciliteiten bij de voorbereiding van de verdediging”; dat hij dienaangaande uiteenzet dat een tuchtrechtelijk vervolgd persoon krachtens artikel 6, lid 1 en lid 3, b van het EVRM recht heeft op voldoende faciliteiten voor de voorbereiding van zijn dossier en dat een verzoek tot uitstel van de zaak enkel kan geweigerd worden wanneer “de aangevoer- de omstandigheden een effectieve verdediging niet in de weg staan”; dat hij betoogt dat hij een klacht bij de onderzoeksrechter met burgerlijke partijstelling ingediend had, dat zijn verdediger aan de tuchtraad omstandig uitgelegd heeft op welke IX-2300-10/20 misdrijven die klacht betrekking had -misbruik van opsporingstechnieken, met name infiltratie zonder toestemming van de procureur des Konings en schending van het beroepsgeheim doordat de gerechtelijke stukken die in het kader van die infiltratie waren opgesteld zonder toestemming overgemaakt werden aan zijn eenheidscommandant- en dat het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek aldus van groot belang is voor de tuchtzaak in die zin dat, in geval het oneigenlijk gebruik van opsporingstechnieken en de schending van het beroepsgeheim voor bewezen wordt gehouden, het tuchtonderzoek nietig is; dat naar zijn oordeel de tuchtraad de behandeling van zijn zaak daarom had moeten uitstellen totdat het strafrechtelijk onderzoek over zijn klacht klaarheid gebracht had; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : het opschorten van een tuchtprocedure wanneer de betrokkene de feiten erkent of wanneer de feiten door een intern administratief onderzoek bewezen kunnen worden, gaat in tegen artikel 24/38, § 2, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973); in dit geval verschafte het verslag van de “operatie ASOP”, de bekentenissen van verzoeker en de verklaring van andere personeelsleden aan het bestuur voldoende informatie om het onderzoek voort te zetten en heeft de tuchtraad terecht besloten dat de zaak in staat van wijzen was; overigens bestaat er geen verband tussen het beschikken over voldoende tijd om de verdediging op te bouwen en het weigeren van uitstel totdat een strafonderzoek beëindigd is; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat, wegens de klacht bij de onderzoeksrechter met burgerlijke partijstelling, het gehele onderzoek van de verwerende partij in zijn tuchtzaak op losse schroeven kan komen te staan, waaruit dan volgt dat de tuchtraad zich ten onrechte op het standpunt geplaatst heeft dat de zaak “in staat van wijzen” was en de behandeling van de zaak niet uitgesteld heeft; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker bij zijn verschijning voor de onderzoeksraad op 15 december 1999 gevraagd heeft om de behandeling van zijn tuchtzaak uit te stellen tot definitief uitspraak gedaan zou zijn over zijn klacht met burgerlijke partijstelling tegen commandant DEBACKER; dat de onderzoeksraad dat verzoek tot uitstel verworpen heeft omdat de feiten waaromtrent in de klacht een onderzoek werd gevraagd, niet samen vielen met de feiten die de basis vormden van IX-2300-11/20 de tuchtvordering tegen verzoeker; dat hierna onderzocht wordt of de klacht het verder onderzoek in de tuchtzaak kon hypothekeren en of het resultaat ervan aldus de gehele tuchtprocedure op losse schroeven kon zetten; Overwegende dat verzoeker het middel steunt op de schending van artikel 6, lid 1 en lid 3,
- b)van het EVRM; dat hij evenwel niet aantoont dat hij zich voor de afhandeling van zijn zaak -een tuchtzaak in het openbaar ambt- op de bescherming van die bepalingen kan beroepen, nu artikel 6, lid 1, betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en artikel 6, lid 3, verwijst naar een strafrechtelijke vervolging; dat zulks evenwel niet belet dat zijn uiteenzetting ook gelezen kan worden als een verwijzing naar de ontstentenis van deugdelijke grondslag, in de zin dat de onderzoeksraad op het ogenblik van zijn advies nog geen definitief zicht kon hebben op de feiten die aan verzoeker ten laste konden worden gelegd en dat het bestuur daarmee zijn rechten van verdediging miskend heeft; 2.4.2.1. Overwegende dat verzoeker in de klacht bij de onderzoeksrechter wijst op een schending van het beroepsgeheim, doordat commandant DEBACKER van de BOB Antwerpen de vertrouwelijke verslagen die naar aanleiding van de operatie ASOP waren opgesteld, bezorgd heeft aan zijn eenheidscommandant zonder dat de procureur-generaal of de procureur des Konings daarvoor zijn toestemming had gegeven, terwijl het nochtans om “gerechtelijke stukken” ging; dat volgens verzoeker die miskenning van het beroepsgeheim de nietigheid van het tuchtonder- zoek tot gevolg heeft; Overwegende dat de eenheidscommandant van verzoeker, na op 28 mei 1998 vanwege de vertrouwensmagistraat bij het parket van de procureur des Konings te Antwerpen het bericht gekregen te hebben dat onder meer verzoeker zich schuldig gemaakt had aan strafbare feiten maar dat er om opportuniteitsredenen geen strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld en er veeleer moest aan gedacht worden verzoeker tuchtrechtelijk te bestraffen, op 2 juni 1998 luitenant POTTERS belast heeft met het effectief uitvoeren van een voorafgaand onderzoek inzake tucht; dat hij op 3 juni 1998 aan de procureur des Konings toestemming gevraagd heeft om inzage te krijgen van de verslagen die aan het parket waren bezorgd en dat de procureur op 4 juni 1998 de toestemming heeft gegeven “tot het gebruik, in de (tuchtprocedure tegen leden van POSA Antwerpen) van de verslagen van (zijn) ambt in het kader van de OPS.ASOP”; dat, aangezien de procureur des Konings derhalve reeds op het ogenblik dat het voorafgaand onderzoek werd uitgevoerd, zijn IX-2300-12/20 toestemming tot gebruik van het strafdossier had gegeven en aangezien krachtens artikel 24/27, § 1, van de wet van 27 december 1973 een tuchtprocedure wordt opgestart met de redactie van het inleidend verslag, waaraan een voorafgaand onderzoek kan voorafgaan, in de communicatie van vertrouwelijke verslagen door de commandant van de BOB aan de eenheidscommandant van verzoeker geen grond kan worden gezien voor de nietigheid van de tuchtvervolging, nu de vooronderzoeker regelmatig kennis heeft kunnen nemen van de stukken die onder de verantwoordelijk- heid vielen van de procureur des Konings; 2.4.2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn klacht het beroepsgeheim eveneens geschonden acht doordat commandant DEBACKER op een door hem bijeengeroepen personeelsvergadering bepaalde feiten ter kennis van de aanwezigen zou hebben gebracht; dat evenwel niet wordt ingezien op welke wijze die mededeling de rechtsgeldigheid van het tuchtonderzoek zou kunnen aantasten; 2.4.2.3. Overwegende dat verzoeker voorts wijst op het misbruik van opsporingstechnieken doordat gebruik gemaakt is van infiltratie zonder dat de gerechtelijke overheid daarvoor haar toestemming gegeven zou hebben, zodat het tuchtonderzoek nietig is; dat evenwel, in zijn verslag over de zaak, de auditeur- verslaggever uit de stukken van het dossier dat hem voorlag, vastgesteld heeft dat de procureur des Konings van meet af aan -een eerste vertrouwelijk verslag werd op 9 september 1997 overgemaakt- op de hoogte was van het discreet onderzoek met infiltratie dat binnen de rijkswacht werd uitgevoerd, dat dit onderzoek niet beperkt was tot een tuchtzaak en dus als een interne aangelegenheid van de rijkswacht, maar dat ook rekening gehouden werd met de mogelijkheid dat criminele activiteiten zouden ontdekt worden en dat de procureur des Konings dat onderzoek, wat hem betreft, beschouwd heeft als een opsporingsonderzoek dat hij uiteindelijk op 28 mei 1998 afgesloten heeft met een seponeringsbesluit; dat, aangezien verzoeker niet gereageerd heeft op de uiteenzetting van de auditeur, de Raad van State zich thans kan beperken tot de vaststelling dat de stukken van het dossier inderdaad die conclusie rechtvaardigen; dat in die omstandigheden aangenomen wordt dat het infiltratieonderzoek gebeurd is met toestemming van de procureur des Konings; dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat er op het ogenblik dat in dit geval een infiltratieonderzoek werd uitgevoerd, een reglementaire bepaling zou hebben bestaan krachtens dewelke de instemming van de procureur des Konings het voorwerp zou dienen uit te maken van een uitdrukkelijke en geschreven beslissing; IX-2300-13/20 dat derhalve, ook wat dit aspect betreft, de klacht van verzoeker niet van aard kon zijn om de tuchtprocedure te beïnvloeden; 2.4.2.4. Overwegende dat de klacht van verzoeker ook nog melding maakte van een lasterlijke aangifte door commandant DEBACKER; dat, aangezien die vermeende lasterlijke aangifte precies betrekking had op de feiten die het voorwerp vormden van het tuchtonderzoek, het onderzoek van de lasterlijke aangifte de onderzoeksraad geen bijkomende elementen kon verschaffen over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten; 2.4.3. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat de verwerende partij zijn rechten van verdediging, meer bepaald zijn recht op tegen- spraak tijdens het voorafgaand onderzoek alsook het fair-playbeginsel geschonden heeft, doordat kapitein DEBACKER binnen de sectie POSA een infiltratieoperatie opgestart heeft, terwijl dergelijke techniek enkel aangewend kan worden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek -niet voor een tuchtonderzoek- en dan nog slechts na voorafgaande goedkeuring en onder begeleiding van de procureur des Konings; dat hij besluit dat de verwerende partij aldus zijn recht op tegenspraak tijdens het voorafgaand onderzoek en het fair-playbeginsel geschonden heeft; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: de rechten van de verdediging gelden enkel voor de eigenlijke tuchtprocedure en niet in de stand van het voorafgaand administratief onderzoek; in het kader van het bewijs van de feiten moet de Raad van State nagaan of het bestuur met inachtneming van de beginselen van de bewijsvoering tot de deugdelijke vaststelling van de feiten is kunnen komen; in dit geval heeft de onderzoeksraad -en met hem de minister- de feiten in wezen bewezen bevonden op grond van de verklaring van verzoeker zelf en van een ander personeelslid; het ASOP-verslag is in de tuchtprocedure enkel aangevoerd om erop te wijzen dat de geobserveerde persoon verdacht werd van misdrijven, het vormt een bijkomend bewijselement dat rechtsgeldig van de procureur des Konings verkregen werd en het maakt niet uit of dat verslag tot stand kwam in het kader van een strafrechtelijk dan wel een tuchtrechtelijk onderzoek; in ieder geval is de tuchtoverheid voor haar onderzoek niet gebonden door instructies die het ministerie van Justitie heeft uitgevaardigd met betrekking tot onderzoeken inzake zware en georganiseerde criminaliteit en heeft de procureur des Konings zeker IX-2300-14/20 vastgesteld dat verzoeker een inbreuk op de wetgeving inzake de bewakingsonderne- mingen begaan heeft; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat zowel de strafrechter als de tuchtrechter zich moeten afvragen of de ingezamelde bewijzen regelmatig zijn, dat het aldus van het grootste belang is dat uitgemaakt wordt of het ASOP-verslag kaderde in een tuchtrechtelijk dan wel in een strafrechtelijk onderzoek, aangezien in een tuchtzaak geen infiltratieonderzoek kan gebeuren en het uitvoeren van dergelijk onderzoek in een strafzaak afhangt van de instemming van de gerechtelijke overheid; 3.4.1 Overwegende dat bij het onderzoek van het eerste middel aangenomen is dat uit de stukken van het dossier opgemaakt kan worden dat de procureur des Konings van in den beginne betrokken is geworden bij het onderzoek over de misbruiken binnen POSA en dat het infiltratieonderzoek de goedkeuring van de procureur wegdroeg; dat voorts uit het dossier ook blijkt dat de procureur des Konings de verslagen van dat onderzoek aangewend heeft om het opsporings- onderzoek naar eventuele misdrijven voortgang te doen vinden; dat met andere woorden de nauwe samenwerking tussen het bestuur en het parket in dit geval tot gevolg had dat het administratief intern onderzoek binnen POSA samenviel met het opsporingsonderzoek onder de leiding van de procureur des Konings; dat de instemming van de procureur des Konings met het infiltratieonderzoek en zijn toelating om de stukken uit het gerechtelijk dossier te gebruiken in het tuchtdossier, tot gevolg hebben dat de tuchtoverheid rechtsgeldig het infiltratieonderzoek als een bewijselement in de tuchtzaak kon betrekken; dat de tuchtraad terecht gesteld heeft dat de gegevens van de operatie ASOP regelmatig verkregen werden en dat zij konden aangewend worden in het tuchtdossier tegen verzoeker; 3.4.2. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel aanvoert dat het bestreden besluit geen deugdelijke grondslag heeft in die zin dat (eerste onderdeel) de onderzoeksraad en het bestreden besluit ervan uitgaan dat de tuchtvordering niet verjaard is terwijl artikel 24/38, § 1, van de wet van 27 december 1973 bepaalt dat die verjaring intreedt twee jaar nadat de feiten “werden vastgesteld” en dat zulks in zijn geval niet de datum van het verslag van de ASOP-operatie is maar 18 december 1997, dat (tweede onderdeel) het bestreden besluit overweegt dat de operatie ASOP IX-2300-15/20 kaderde in een strafonderzoek en dat zij regelmatig verlopen is, terwijl dergelijke operatie krachtens de geheime richtlijnen slechts uitgevoerd kan worden met voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Konings en dat (derde onderdeel) het bestreden besluit vooropstelt dat het voorafgaand onderzoek op regelmatige wijze uitgevoerd is, terwijl er nochtans rekening gehouden is met stukken uit het gerechtelijk dossier zonder dat de vereiste toelating gegeven was; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar, wat het eerste onderdeel betreft, op antwoordt dat in het advies van de onderzoeksraad omstandig wordt uiteengezet en gemotiveerd waarom de vaststelling van de feiten, zoals bedoeld in artikel 24/38, § 1, plaats heeft gehad op 3 april 1998 en dat die uiteenzet- ting past in de rechtspraak van de Raad van State dat de vaststelling van de feiten gebeurt op het ogenblik dat de tuchtoverheid “voldoende precieze en bewijskrachtige gegevens verzameld heeft omtrent de feiten”; dat zij wat het tweede en het derde onderdeel van het middel betreft, verwijst naar haar uiteenzetting aangaande de voorgaande middelen; 4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat het bestreden besluit niet verantwoordt waarom het ASOP-verslag met betrekking tot de infiltratie toch regelmatig in de besluitvorming betrokken kon worden; 4.4.1. Overwegende dat de vaststelling van de feiten, die door artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 wordt vooropgesteld als het beginpunt van de verjaringstermijn, verwijst naar het ogenblik waarop de bevoegde overheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om met kennis van zaken een tuchtvordering tegen het betrokken personeelslid op te starten; dat in dit geval, waarin het administratief onderzoek samenviel met het strafrechtelijk onderzoek, die bewijskrachtige gegevens slechts beschikbaar kwamen op het ogenblik dat het bestuur van de procureur des Konings de toelating verkreeg om, na de seponering van het strafrechtelijk onderzoek, de gegevens uit het strafdossier in de tuchtzaak te betrekken; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.4.2. Overwegende dat, voor wat het tweede en het derde onderdeel van het middel betreft, verwezen wordt naar de bespreking van de eerste twee middelen, waarin aangenomen is dat de tuchtoverheid regelmatig heeft kunnen besluiten dat de operatie ASOP kaderde in een strafonderzoek en dat zij rechtsgeldig gebruik heeft IX-2300-16/20 kunnen maken van de desbetreffende verslagen; dat die stukken een deugdelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit; dat het middel ook wat die aspecten betreft, niet gegrond is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, doordat dit beginsel zich ertegen verzet dat, in tuchtzaken, het bestuur zonder deugdelijke reden optreedt tegen een ambtenaar en dat niet doet tegen andere ambtenaren die nochtans dezelfde feiten gepleegd hebben; dat volgens hem uit het tuchtdossier blijkt dat “meerdere personen binnen POSA Antwerpen gewerkt hebben als portier of security-agent” en dat de verwerende partij niet deugdelijk verantwoordt waarom vier politieambtenaren niet tuchtrechtelijk vervolgd worden; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de door verzoeker aangewezen gevallen niet vergelijkbaar zijn met het zijne, aangezien enerzijds de bedoelde ambtenaren de feiten gepleegd hebben vooraleer het bestuur met een interne dienstnota duidelijke instructies over het beroepsgeheim en de bijkomende activiteiten aan het personeel had medegedeeld en aangezien anderzijds in het advies van de onderzoeksraad duidelijk wordt uiteengezet waarom wacht- meester V.S. niet het voorwerp moet uitmaken van een tuchtvervolging; 5.3. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord op repliceert dat het onbegrijpelijk is waarom de verwerende partij geen tuchtprocedure opgestart heeft tegen personen die dezelfde tuchtfeiten gepleegd hebben; 5.4. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak uiteengezet heeft dat verzoeker niet aantoont dat de situatie van de ambtenaren, waarmee hij zich vergelijkt, gelijk is aan de zijne en dat het niet de Raad van State behoort om in de plaats van verzoeker de verschillende feitelijke situaties te onderzoeken en aldus zelf het middel te adstrueren; Overwegende dat verzoeker niet gereageerd heeft op de uiteenzetting van de auditeur; dat de Raad van State dan ook de conclusie van laatstgenoemde, zoals hiervoor vermeld, bijvalt; dat het middel niet gegrond is; IX-2300-17/20 6.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van de redelijke termijn, doordat reeds op 4 september 1997 opdracht werd gegeven tot het opstarten van een voorafgaand onderzoek over feiten die wacht- meester UREEL op 20 augustus 1997 ter kennis van de eenheidscommandant gebracht heeft, doordat dit voorafgaand onderzoek dan tot begin juni 1998 stilgelegd werd en de onderzoeksraad pas in december 1999 de aangelegenheid onderzocht heeft; dat naar zijn oordeel die vertraging in de behandeling niet verklaard kan worden door het op elkaar afstemmen van de verschillende zaken, maar haar eigenlijke oorzaak vindt in het gebruik van bijzondere opsporingstechnieken en in het talmen met bepaalde verrichtingen; dat hij daar aan toevoegt dat de beweerde tuchtinbreuken in ieder geval vastgesteld werden in oktober en december 1997 zodat de termijn die de verwerende partij nodig heeft gehad om tot een besluit te komen onredelijk lang is; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de eerbiediging van de redelijke termijn beoordeeld moet worden met inachtneming van de concrete gegevens van de zaak, alsmede van de houding van de tuchtoverheid en van de betrokkene; dat zij van oordeel is dat in dit geval de aard van de zaak vereiste dat omzichtig opgetreden werd -teneinde alle betrokkenen te kunnen identificeren en de misdrijven te kunnen vaststellen- maar dat nooit dermate lang geaarzeld werd dat verzoeker de indruk kon hebben dat het bestuur geen belangstelling meer had voor de zaak; dat zij er ook op wijst dat, op vraag van de verdediging, bijkomende onderzoeksdaden gesteld zijn die vervolgens zelf ook binnen een redelijke termijn uitgevoerd zijn; 6.3. Overwegende dat bij de bespreking van het derde middel aangenomen is dat de tuchtoverheid slechts op 4 juni 1998 de tuchtfeiten lastens verzoeker vastgesteld heeft, aangezien pas op die datum rechtmatig kennis genomen kon worden van de gegevens van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek; dat in ieder geval de eenheidscommandant van verzoeker, aangenomen dat hij op basis van de gegevens waarover hij in 1997 beschikte, reeds in september of oktober 1997 een inleidend verslag had kunnen opstellen, in de juridische onmogelijkheid was om zulks te doen, aangezien hij de feitelijke gegevens voor dat inleidend verslag diende te putten uit de vertrouwelijke verslagen aan de procureur des Konings, welke op dat ogenblik gedekt waren door het geheim karakter van het strafonderzoek; IX-2300-18/20 Overwegende dat de onderzoeksraad op 15 december 1999 zijn advies gegeven heeft en dat het bestreden besluit op 11 januari 2000 getroffen is, dit is binnen de verjaringstermijn, vermeld in artikel 24/38, § 1, derde lid, van de wet van 27 december 1973; dat de redelijke termijn-eis, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is wanneer een wettelijke bepaling de aangelegenheid regelt; Overwegende dat het middel niet gegrond is; 7.1. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending van de loyauteitsplicht door de rijkswachtoverheid aanvoert doordat de vooronderzoeker, blijkens een nota van 2 juni 1998, bij de medisch adviseur geïnformeerd heeft of medische redenen zich ertegen verzetten dat tegen bepaalde leden van POSA, waaronder wachtmeester V.S., een tuchtprocedure gevoerd zou worden, dat men op die manier de zaken heeft trachten voor te stellen alsof er een tuchtonderzoek liep tegen V.S. om aldus een onderzoek met infiltratie te kunnen opstarten en het onregelmatig inschakelen van V.S. te kunnen verdoezelen; 7.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de nota naar dewelke verzoeker verwijst werd opgesteld om wachtmeester V.S. te beschermen en dat die voorzorgsmaatregel niet nodeloos genomen werd, aangezien de betrokkene doodsbedreigingen gekregen heeft nadat de naam van verzoeker in de affaire genoemd was; 7.3. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat hij niets te maken heeft met de doodsbedreigingen waar de verwerende partij het over heeft en dat de bescherming van infiltranten niet zover mag gaan dat zij straffeloos blijven voor vroeger begane tuchtinbreuken; 7.4. Overwegende dat de door verzoeker gelaakte maatregel, die de verwerende partij nodig achtte om wachtmeester V.S. te beschermen, verzoeker niet benadeeld heeft; dat hij ook het correcte verloop van de tuchtprocedure, waaromtrent het voorafgaand onderzoek op dat ogenblik nog niet was aangevat, niet heeft kunnen beïnvloeden; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, de geveinsde beschuldiging van wachtmeester V.S. niet noodzakelijk was om met een infiltratie- onderzoek de werkelijke omvang van de misbruiken bij POSA te kunnen onder- zoeken; IX-2300-19/20 Overwegende dat in het tuchtonderzoek duidelijk naar voren is gekomen op welke wijze wachtmeester V.S. in de gehele zaak betrokken is geworden en dat verzoeker zich in de loop van de procedure daar met volledige kennis van zaken heeft kunnen tegen verweren; dat verzoeker aldus tijdens de eigenlijke tuchtprocedure niet misleid geworden is; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2300-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.918 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.89.645 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div