← België

Arrest 155919 - - 06/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.919 Rolnummer: A. 90640/IX-2301 Zaak: Arrest 155919 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 12:06 Fiche Arrest nr 155.919 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.919 van 6 maart 2006 in de zaak A. 90.640/IX-2301. In zake : Paul VAN HOEK, wonende te WOMMELGEM, Eikenlaan 52/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul VAN HOEK op 31 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 11 januari 2000 waarbij hem de tuchtmaatregel van tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit voor een periode van twee weken wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 89.644 van 18 september 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 3 november 2000 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2301-1/22 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DECAIGNY die, loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 27 december 1979 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Op 26 juni 1980 wordt hij benoemd in de graad van wachtmeester en op 26 juni 1992 in de graad van eerste wachtmeester. Op 1 januari 1995 wordt hij ingevolge een reorganisatie gemuteerd naar de gespecialiseerde eenheid Protectie Observatie Steun Aanhouding (hierna POSA) te Antwerpen. 1.2. Met een nota van 3 april 1998 meldt de commandant van de bijzondere opsporingsbrigade (hierna BOB) van het rijkswachtdistrict Antwerpen aan de eenheidscommandant van verzoeker dat als gevolg van een intern onderzoek wordt vastgesteld dat er een georganiseerd circuit bestaat in de schoot van POSA Antwerpen waar observatie- en bewakingsactiviteiten worden uitgevoerd ten behoeve van privé-organismen of personen. In die nota wordt onder meer de naam van verzoeker genoemd. De gedetailleerde activiteitenverslagen zijn in bijlage gevoegd. IX-2301-2/22 1.3. Op 24 april 1998 richt de commandant van de BOB Antwerpen een "omstandig beslissings- en informatierapport" aan de procureur des Konings te Antwerpen. Hij besluit dat onder meer verzoeker feiten heeft gepleegd die vatbaar zijn voor strafrechtelijke sancties, met name het uitoefenen van het beroep van privé- detective zonder vergunning van de minister van Binnenlandse Zaken en het verrichten van zwartwerk. Hij vraagt onder meer of de in het onderzoek betrokken rijkswachters naar de commandant van de rijkswacht moeten worden verwezen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. 1.4. Op 28 mei 1998 meldt de procureur des Konings aan de commandant van de BOB Antwerpen dat vijf rijkswachters, waaronder verzoeker, zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten doch dat zijn ambt wegens opportuniteitsredenen niet overgaat tot strafrechtelijke vervolging. Hij stelt dat een tuchtstraf hem gepast voorkomt aangezien betrokkenen onmogelijk het vertrouwen kunnen behouden dat van hen wordt verwacht binnen de rijkswacht en meer bijzonder binnen een gespecialiseerde dienst als POSA. Hij meent dat de betrokken rijkswachters naar de Commandant van de rijkswacht moeten worden verwezen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. 1.5. Op 2 juni 1998 vraagt de commandant POSA Antwerpen aan luitenant POTTERS om het voorafgaand onderzoek inzake tucht, dat was uitgesteld in samenspraak met de commandant van het Speciaal Interventie Eskadron van de rijkswacht (hierna : SIE) en de commandant BOB teneinde een beter zicht op de zaak te krijgen, alsnog uit te voeren. 1.6. Op 3 juni 1998 vraagt de commandant POSA Antwerpen aan de procureur des Konings te Antwerpen om hem, als eenheidscommandant die verantwoordelijk is voor het instellen van een tuchtonderzoek, de toestemming te verlenen tot het gebruik van de opgestelde verslagen voor administratieve doelein- den. 1.7. Op 4 juni 1998 geeft de procureur des Konings aan de commandant van het POSA Antwerpen ten uitzonderlijke titel toestemming tot het gebruik in het tuchtonderzoek tegen leden van POSA Antwerpen, van de verslagen aan zijn ambt in het kader van de opsporingsverrichtingen. IX-2301-3/22 1.8. Op 9 juni 1998 stelt de commandant van de POSA Antwerpen aan de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen voor om verzoeker een voorafgaande detachering ten bewarende titel in afwachting van een mutatie bij ordemaatregel op te leggen. 1.9. Op 10 juni 1998 wordt verzoeker door majoor BOUDIN, directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen, opgeroepen voor een verhoor op 11 juni 1998 met betrekking tot het voorstel tot voorafgaande detachering. 1.10. Op 11 juni 1998 meldt de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen aan verzoeker dat hij de intentie heeft om het voorstel van de commandant POSA Antwerpen tot voorafgaandelijke detachering van verzoeker bij te treden. Op 11 juni 1998 wordt verzoeker gehoord door de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen met betrekking tot het voorstel tot voorafgaandelijke detachering ten bewarende titel in afwachting van een mutatie bij ordemaatregel. Na dat verhoor meldt de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen aan verzoeker dat hij van oordeel is dat verzoeker niet verder deel kan uitmaken van de POSA Antwerpen en dat hij tevens geen deel kan uitmaken van een eenheid binnen de provincie Antwerpen. Hij beslist een voorstel in te dienen om verzoeker voorafgaand te detacheren naar de Algemene Reserve. 1.11. Op 12 juni 1998 doet de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen aan de directeur-generaal van het personeel een voorstel tot een voorafgaandelijke detachering van verzoeker ten bewarende titel in afwachting van een mutatie bij ordemaatregel naar een eenheid buiten de provincie Antwerpen. Hij stelt voor verzoeker voorafgaandelijk te detacheren naar de Algemene Reserve. 1.12. Op 17 juni 1998 zendt de directeur personeel en logistiek van de Groep Antwerpen aan de directeur-generaal van het personeel een verweerschrift van verzoeker met betrekking tot het voorstel tot voorafgaandelijke detachering van verzoeker ten bewarende titel in afwachting van een mutatie bij ordemaatregel. 1.13. Bij nota van 23 juni 1998 beslist de commandant van de rijkswacht om verzoeker in afwachting van een beslissing tot mutatie bij ordemaatregel ten bewarende titel te detacheren naar het eerste eskadron infanterie van de Algemene IX-2301-4/22 Reserve omdat verzoeker "buiten dienstverband betrokken zou zijn geweest bij het uitvoeren van observatie- en beveiligingsopdrachten op vraag van een ander lid van de POSA Antwerpen. In oktober 1997 zou hij onder meer een observatieopdracht hebben uitgevoerd en hebben toegegeven observaties te hebben uitgevoerd inzake overspel. Hij zou daarvoor een vergoeding hebben ontvangen". 1.14. Op 20 augustus 1998 meldt de procureur des Konings te Antwerpen aan de Algemene Reserve dat tegen verzoeker een inbreuk op artikel 6, 6/ van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten kan worden weerhouden alsook een inbreuk op artikel 458 van het Strafwetboek, meer bepaald de schending van het beroepsgeheim. Hij meldt tevens dat zijn ambt niet zal overgaan tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek en dat "in het kader van operatie ASOP, die aan de basis lag van de tuchtsancties lastens betrokkenen geen processen-verbaal werden opgesteld, doch dat het onderzoek enkel verliep op basis van vertrouwelijke verslagen, gezien het hier om een intern onderzoek bij POSA ging". 1.15. Op 24 augustus 1999 wordt verzoeker, na uitstel verkregen te hebben, verhoord door zijn korpscommandant. 1.16. Met een nota van 31 augustus 1999 adieert de commandant van de Algemene Reserve de onderzoeksraad. Hij stelt voor verzoeker bij tuchtmaatregel een week uit zijn ambt te ontheffen, verzoeker bij ordemaatregel te muteren naar het eerste eskadron van de Algemene Reserve, hem voor onbepaalde duur een inzetverbod op te leggen voor minstens het district Antwerpen en hem niet meer toe te laten om een functie uit te oefenen in gespecialiseerde eenheden, in casu het SIE en de POSA. 1.17. Op 15 december 1999 verschijnt verzoeker voor de onderzoeks- raad, na uitstel verkregen te hebben, en op dezelfde datum geeft die onderzoeksraad het volgende advies : "I. BETREFFENDE DE PROCEDURE A. De Klacht met burgerlijke partijstelling tegen Kapt-Cdt DE BACKER Overwegende dat de verdediging ter zitting van de onderzoeksraad op 1 december 1999 haar verzoek herhaalde om de behandeling van de tuchtzaak uit te stellen tot definitief zal zijn gestatueerd met betrekking tot de klacht met burgerlijke partijstelling tegen Kapitein DE BACKER en dat ter zitting kopie werd overgelegd van de klacht zoals deze werd neergelegd in handen van de onderzoeksrechter te ANTWERPEN. IX-2301-5/22 Overwegende dat na lezing van deze klacht blijkt dat de lastens Kapt-Cdt DEBACKER en eveneens lastens onbekenden aangevoerde feiten zich niet vereenzelvigen met de feiten die aan 1WM VAN HOEK worden ten laste gelegd in de huidige tuchtvordering; Dat de beoordeling door de strafrechter van de eventuele misdrijven lastens Kapt-Cdt DEBACKER in generlei mate de beoordeling van de feiten belet of beïnvloedt zoals deze door de wettelijke bepalingen aan de onderzoeksraad is opgedragen; Dat er dan ook geen wettig motief of feitelijk motief voorhanden is om de procedure lastens 1WM VAN HOEK op te schorten. B. De Verjaring Overwegende dat de verdediging vordert in hoofdorde vast te stellen dat de verjaring van de tuchtvordering is ingetreden op 20-12-1999. dat, nu de korpscommandant van 1WM VAN HOEK lastens betrokkene als tuchtstraf een non-activiteit bij tuchtmaatregel voorstelt, de tuchtvordering overeenkomstig artikel 24/38, § 1, derde lid van de Statutaire Wet, verjaart twee jaar na de datum waarop de feiten werden vastgesteld; Overwegende dat 'de vaststelling van de feiten' niet per se samenvalt met de datum waarop deze werden gepleegd; dat de tuchtinbreuken die aan 1WM VAN HOEK ten laste worden gelegd voornamelijk kaderen in een 'zwartwerkcircuit' waarvan verschillende leden van het POSA-ANTWERPEN verdacht werden en waarvan de overheid werd ingelicht in augustus 1997; Overwegende dat uit dergelijke informatie slechts kan worden afgeleid dat er mogelijks activiteiten werden gepleegd buiten dienstverband en nog zouden worden gepleegd, en dat deze zich volgens de statutaire wet situeren in het kader van niet geoorloofde bijkomende activiteiten buiten dienstverband; dat de informatie in generlei mate voldeed om terstond een tuchtprocedure op te starten; Overwegende dat de tuchtoverheid alles in het werk moet stellen om tuchtvervolgingen te vermijden die op lichtzinnige beschuldigingen zijn gebaseerd; dat de hiërarchische overheid de nodige maatregelen nam om nader ingelicht te geraken betreffende de juiste aard van deze activiteiten, hun frequentie en betreffende de identiteit van de personen die zich hieraan plichtig zouden maken. Overwegende dat het hoofd BOB deze gegevens inzamelde middels de operatie ASOP opgestart binnen het kader van een gerechtelijk opsporings- onderzoek met akkoord van de parketmagistraat te ANTWERPEN; dat dit onderzoek werd opgestart op 09-09-1997; dat de parketmagistraat middels het verslag VV111/97 dd. 09-09-1997 (Blz 115), de resultaatsmelding dd. 26-11-1997 (Blz 110), de melding van de stand van zaken Nr BOB PDK 01/97 dd. 05-01-1998 (Blz 107) en het o(m)standig beslissings- en informatierapport Nr PDK 45/98 d.d. 01-04-1998 (Blz 105) werd op de hoogte gehouden van de gedane vaststellingen en de bekomen informaties. Overwegende dat het dossier ASOP werd beëindigd op 01-04-1998 middels het verslag PDK 45/98 met de vraag het te mogen overmaken aan de tuchtover- heid; dat de parketmagistraat op 03-04-1998 hiermee akkoord ging (visum op Blz 105). Overwegende dat de Comd POSA/2 werd ingelicht van de resultaten van de operatie ASOP middels de nota BOB-1246 DK 10 dd. 03-04-1998 (Blz 22). Overwegende dat op dit ogenblik de eenheidscommandant wordt ingelicht van concrete feitelijkheden die een inbreuk op de tucht uitmaken; dat deze kennisgeving gebeurde overeenkomstig de tekst vervat in artikel 24/26 van de statutaire wet; IX-2301-6/22 stelt de raad dat de verjaringstermijnen een aanvang nemen op 03-04-1998. C. Het voorafgaand onderzoek Overwegende dat de korpscommandant afdoende motiveert dat de interventie van het hoofd BOB zich situeerde in het kader van een opsporing naar nog eventueel te plegen strafrechtelijke inbreuken en hun daders; Overwegende dat het hoofd BOB daartoe de nodige contacten onderhield met de daartoe bevoegde parketmagistraat en hem de bekomen resultaten bezorgde (Blz 115 - Blz 110 - Blz 107 Blz 105); Overwegende dat de stellingname van het hoofd BOB met betrekking tot het karakter van de opgespoorde feiten geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de parketmagistraat; Dat dit wordt onderschreven door de interventie van de vertrouwens- magistraat met referentie Operatie ASOP/163/97/BOB van 12 november 1997 (gevoegd bij het dossier) evenals uit zijn beslissing tot niet vervolging wegens opportuniteitsredenen en verwijzing naar de korpstucht op 28 mei 1998 (Blz 032); Overwegende dat de gegevens van het onderzoek regelmatig werden aangewend ingevolge de beslissing van de parketmagistraat van 04 juni 1998 op vraag van de tuchtoverheid van 03 juni 1998 (Blz 034 en 033), Overwegende dat de eenheidscommandant de vooronderzoeker Lt POTTERS op 02 juni 1998 opdracht geeft het voorafgaand onderzoek, waartoe hij was aangeduid op 04 september 1997 (Blz 007), maar dat wegens mogelijk verband met crimineel gedrag onmiddellijk was uitgesteld ingevolge de operatie ASOP, uit te voeren (Blz 010); stelt de raad vast dat de gegevens uit het voorafgaand onderzoek niet door nietigheid zijn aangetast. D. Nietigheid van de bewijslast voortvloeiende uit de operatie ASOP Overwegende dat de activiteiten van de operatie ASOP zich situeerden binnen een opsporingsonderzoek naar strafbare feiten en hun daders; Dat de vertrouwensmagistraat van het parket ANTWERPEN daarvan bij aanvang afdoende werd in kennis gesteld (Blz 115 - punt 2.); Dat deze trouwens om de stand van zaken had verzocht bij zijn nota van 12 november 1997; Dat uit de vraag van het hoofd BOB ANTWERPEN om de operatie ASOP te beëindigen aan het ambt van de procureur des konings wel degelijk dient te worden afgeleid dat deze de leiding over de operatie behield (Blz 105); Overwegende verder dat de gegevens van de operatie ASOP regelmatig werden verkregen (zie onze bevindingen in supra 3) en aangewend werden in het tuchtdossier lastens lWM VAN HOEK, oordeelt de raad dat deze niet door nietigheid zijn aangetast. E. De redelijke termijn Overwegende dat de eventuele overschrijding van de redelijke termijnen moet worden onderzocht in concreto rekening houdende met alle omstandig- heden die het afhandelen van een procedure kunnen belemmeren; Dat de complexiteit van het dossier, de betrokkenheid van meerdere personeelsleden, de moeilijkheidsgraad om de inbreuken vast te stellen, de bijkomende onderzoeken en de tijdelijke onbeschikbaarheden om bepaalde onderzoeksverrichtingen uit te voeren verantwoorden dat de procedure niet eerder kon worden afgesloten; Dat in casu moet worden vastgesteld dat er geen onredelijke vertraging bestaat en dat de overheid niet heeft stilgezeten noch tijdens het voorafgaand onderzoek, noch vanaf de vaststelling van de feiten. IX-2301-7/22 F. De loyauteitsplicht van de overheid Overwegende dat lWM VAN HOEK zich erover beklaagt dat ook de naam van lWM V.S. voorkomt op een nota POSA ANTWERPEN gericht aan de medische adviseur; dat hij beweert dat de overheid aldus bewust handelde om de (valse) schijn te verwekken dat ook tegen dit personeelslid een voorafgaand onderzoek liep; Overwegende dat voormelde vermelding in generlei mate de feiten beïnvloedt welke aan lWM VAN HOEK worden ten laste gelegd, en anderzijds ook in geen enkel opzicht het verweer van 1WM VAN HOEK heeft kunnen schaden; Dat lWM VAN HOEK niet aantoont in welke mate hierdoor zijn rechten van verdediging zouden zijn geschaad of geschaad zouden kunnen zijn; dat hij zelfs niet voorhoudt dat hij, bij gebreke aan deze vermelding, zijn verweer op een andere wijze zou hebben gevoerd G. De schending van het gelijkheidsbeginsel Overwegende dat lWM VAN HOEK betoogt dat de rijkswachtoverheid ten opzicht(

  1. e)van andere personeelsleden binnen POSA ANTWERPEN 'die ook gewerkt hebben als portier of securityagent zonder een gegrond motief een geheel andere beslissing heeft genomen'. Overwegende dat de onderzoeksraad op grond van de voorliggende stukken niet kan vaststellen dat de overheid haar tuchtbevoegdheid op discriminatoire wijze zou uitoefenen ten nadele van 1WM VAN HOEK; Dat de onderzoeksraad geen kennis heeft van het al dan niet bestaan van tuchtdossiers op naam van OWM HAINAUT, lWM LODEWIJCKX EN WM WITTERS; Dat het anderzijds niet onredelijk voorkomt dat de overheid geen tucht- vervolging zou opstarten tegen 1WM V.S. nu vaststaat dat deze met medeweten van zijn hiërarchie heeft gehandeld om andere tuchtinbreuken te kunnen vaststellen; Dat derhalve niet bewezen is dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. II. TEN GRONDE Voorafgaand : Overwegende dat artikel 24/27 § l, tweede lid van de Statutaire Wet bepaalt dat het inleidend verslag nauwkeurig de feiten vermeldt die aan het personeelslid worden verweten en die als een tekortkoming aan zijn ambtsplichten of aan de waardigheid van het ambt worden beschouwd; Dat de feiten die in het voorliggen(
  2. d)dossier moeten worden onderzocht werden omschreven in het inleidend verslag van 15 september 1998 (Blz 079); Dat hierin wordt gewag gemaakt van : het uitvoeren van een observatieopdracht in oktober 1997, in het privé-leven en buiten dienst, samen met een andere collega rijkswachter en dit tegen betaling; Overwegende dat de korpscommandant in zijn adiëringsverslag van 31 augustus 1999 de oorspronkelijk ten laste gelegde feiten 'uitsplitst' in functie van de normen die daarbij werden overtreden; Dat zo dient te worden vastgesteld dat de tuchtinbreuken vermeld sub 5.1.1 'minstens één beveiligingsopdracht te hebben uitgevoerd op een burger, wetende dat deze burger verdacht werd van het plegen van diefstallen' sub 5.1.2 'te hebben deelgenomen aan een zwartwerk-circuit, welke tot doel had om op een onwetteljke wijze deze misdrijven op te sporen' sub 5.1.4 'zeker tegen vergoeding in natura maar wellicht tegen betaling, minsten(
  3. s)één observatieopdracht in dit raam te hebben aanvaard en uitgevoerd' zich identificeren met de opdracht vermeld in het inleidend verslag (zie hierboven) IX-2301-8/22 Dat anderzijds de tuchtinbreuken vermeld sub 5.1.2 'te hebben nagelaten de gerechtelijke autoriteiten op de hoogte te brengen van het bestaan van dit zwartwerk-circuit, waardoor het vertrouwen van de autoriteiten in de speciale eenheid waartoe hij behoort zwaar werd geschaad' sub 5.1.3 'te hebben nagelaten zijn hiërarchische chefs in te lichten nopens de onwetteljke activiteiten welke hij samen met andere personeelsleden van de eenheid verrichtte, waardoor hij de eenheid waartoe hij behoort in een slecht daglicht stelde bij de gerechtelijke autoriteiten en deze eenheid door hen werd geweerd uit gerechtelijke onderzoeken' in casu geen autonome tuchtinbreuken uitmaken, maar slechts een deelaspect uitmaken van de vermelde tuchtinbreuk, nu vaststaat dat door dit feit te plegen de overtreder automatisch verzuimt zijn informatieplicht na te komen waarvan sprake in sub 5.1.2 en 5.1.3; dat derhalve het onderzoek naar het bestaan van de feiten en naar hun tenlaste- legging kan worden beperkt tot één feit, zoals hierna omschreven. A. Uiteenzetting van de feiten 1WM VAN HOEK heeft, als lid van POSA/2, op 07-10-1997, buiten dienstverband, op vraag van een collega, tegen vergoeding, een observatie- opdracht uitgevoerd op een burger, wetende dat deze burger verdacht werd van het plegen van diefstallen. Overwegende dat betrokkene toegeeft, op vraag van 1WM VAN STEEN, welke hem de informatie gaf, nodig voor die opdracht, gedurende één avond een persoon onder observatie te hebben gehouden (Blz 60); Overwegende dat uit het ASOP-verslag blijkt dat het ging om een persoon welke verdacht werd van het plegen van misdrijven ten nadele van zijn werkgever (Blz 112); Overwegende dat 1WM VAN HOEK eveneens toegeeft dat 'VAN STEEN hem wel eens iets zou trakteren hiervoor'; Overwegende dat uit het verhoor van 1WM V.S. blijkt dat hij wel degelijk werd vergoed voor de opdrachten die hij uitvoerde in opdracht van lWM VAN STEEN (Blz 232); Overwegende dat hij in zijn verhoor van 05 juni 1998 zelf aanvoert 'enkele malen een observatieopdracht te hebben uitgevoerd voor lWM VAN STEEN en daarvoor vergoed te zijn geweest (Blz 062)'; oordeelt de raad, bij stemming, dat het feit bewezen is. B. Tenlastelegging aan 1WM VAN HOEK Overwegende dat voormelde motieven m.b.t. het bestaan van het feit eveneens gelden voor hun tenlastelegging aan 1WM VAN HOEK, oordeelt de Raad, bij stemming, dat het feit aan betrokkene wordt ten laste gelegd. C. Omschrijving van het feit 1. Tekortkoming aan de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt Gelet op het feit dat het optreden op 07-10-1997 van 1WM VAN HOEK geschiedde tegen vergoeding en dat dit derhalve dient te worden gelijkgesteld met het uitvoeren van een opdracht of dienst in een particulier bedrijf; Overwegende dat de wetgever via het opleggen van het verbod om een ander beroep uit te oefenen tijdens de actieve dienst heeft willen nastreven dat politiemensen in alle omstandigheden hun onafhankelijkheid en integriteit t.o.v. de burgers bewaren; Gelet op de richtlijnen in verband met het uitoefenen van een bijkomende activiteit in de hoedanigheid van lid van het operationeel korps van de rijkswacht verspreid bij nota Nr DGP/Coord-222, DK 679, van 03-04-1997, met geldigheidsduur tot 01 Apr 2007; Gelet op het feit dat betrokkene en zijn collega’s in de loop van het jaar 1996 werden gewezen op het feit dat iedere vorm van zwartwerk ontoelaatbaar is (Blz 048); IX-2301-9/22 Overwegende bovendien dat het uitoefenen van een observatie-activiteit buiten dienstverband met het oog op het vaststellen van strafbare inbreuken, zonder kennisgeving aan de gerechtelijke autoriteiten, onduldbaar is in hoofde van een politieambtenaar, bekleed met de hoedanigheid van agent van bestuurlij- ke en gerechtelijke politie en als dusdanig belast met het voorkomen, doen ophouden en het zo nodig vaststellen en onderzoeken van misdrijven. Overwegende dat : . het rijkswachtpersoneel erop gewezen werd dat zij hun houding en gedrag, zowel in de uitoefening van hun ambt als daarbuiten, permanent moeten afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg voor moet dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak (Onderrichting van de Commandant van de Rijkswacht Nr DPB/069 DK 670 van 15-03-1993); . dat van personeelsleden van de rijkswacht verwacht wordt dat zij blijk geven van een volstrekte onkreukbaarheid en integriteit (Charter van de waarden van de Rijkswacht, Art 3); . dat de goede werking van de rijkswacht en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven; . dat deze waarden niet alleen in dienst in acht moeten worden genomen, maar dat zij tevens gelden in het privé-leven, voor zover zij noodzakelijk zijn voor de goede werking van de dienst; oordeelt de raad dat : de gedragingen van 1WM VAN HOEK een inbreuk uitmaken op de statutaire wet, meer bepaald: . Art 24/3 omdat hij niet ten alle tijde heeft bijgedragen tot eerbiediging van de wet . Art 24/3 4/ omdat hij niet elke handeling heeft vermeden waardoor het vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast; . Art 24/12 3/ een opdracht of een dienst te hebben uitgevoerd, zelfs als die onbezoldigd is, in een particulier bedrijf met winstoogmerk. 2. Wat betreft de ernst van het tuchtvergrijp Rekening houdend met onze beschouwingen in C1 met betrekking tot de kwalificatie van het feit en met het belang en de ruime verspreiding van de richtlijnen betreffende de deontologische plichten inherent aan de staat van personeelslid van de rijkswacht. Oordeelt de Raad, bij stemming, dat het feit een tuchtvergrijp uitmaakt en dat het ernstig is. D. De voorgestelde straf Overwegende dat de korpscommandant, bij de bepaling van de straf, voldoende rekening houdt met : . de ernst van het gepleegde feit; maar anderzijds niet onvoldoende met : . de goede staat van dienen; . het blanco strafblad; Geeft de Raad, bij stemming, het advies dat een non-activiteit bij tuchtmaat- regel voor een periode van twee weken zou moeten worden opgelegd. E. De maatregel van inwendige orde (...)" Dit advies wordt op 15 december 1999 aan verzoeker toegestuurd. 1.18. Op 11 januari 2000 zendt de minister van Binnenlandse Zaken de volgende nota aan de commandant van de rijkswacht, waarbij hij verzoeker een IX-2301-10/22 tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee weken oplegt : "ONDERWERP : Non-activiteit bij tuchtmaatregel Betreft : Eerste wachtmeester VAN HOEK Paul (451985341- Gp ANTWERPEN / POSA- voorafgaand gedetacheerd naar de ARG/2 Esk Inf) Ref : 1. Art 24/13 §1 - 4/; 24/17; 24/24 §1 - alinea 1; 24/34 § 2, 24/35 en 25 - 3/ van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. 2. Art 35, 36 en 43 van het Koninklijk Besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. 3. Adiëringsverslag van de korpscommandant ARG Nr ARG/HR/17899/M- Privé DK 670 van 31-08-1999. 4. Advies van de Onderzoeksraad voor het rijkswachtpersoneel, Nederlandstalige kamer, Nr 99/042/N van 15 december 1999. 1. Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de Onderzoeksraad en de tenlastelegging hiervan aan eerste wachtmeester VAN HOEK. Meer bepaald pleegde hij het volgende feit : 1 WM VAN HOEK heeft, als lid van POSA/2, op 07-10-1997, buiten dienstverband, op vraag van een collega, tegen vergoeding, een observatieopdracht uitgevoerd op een burger, wetende dat deze burger verdacht werd van het plegen van diefstallen. 2. Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de Onderzoeksraad omtrent de omschrijving van het feit, meer bepaald dat het feit een tuchtvergrijp uitmaakt en dat het ernstig is. Ik sluit mij bij dit uitgebrachte advies aan. 3. Ik ben van oordeel dat de door de Onderzoeksraad voorgestelde tuchtstraf passend is en leg bijgevolg, wegens de redenen vermeld in het advies van de Onderzoeksraad, eerste wachtmeester VAN HOEK een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van TWEE WEKEN op."; Dit is de bestreden beslissing. 1.19. Op 4 februari 2000 ondertekent verzoeker de nota van 21 januari 2000 voor kennisneming en ontvangst. Hij wordt ook in kennis gesteld dat de tuchtstraf van de tijdelijke ambtsontheffing zal aanvangen op 1 maart 2000. 1.20. Met een nota van 9 maart 2000 legt de commandant van de rijkswacht aan verzoeker een mutatie bij ordemaatregel op naar het tweede eskadron infanterie van de Algemene Reserve, wordt verzoeker het voordeel ontnomen deel uit te maken van een eenheid of dienst binnen de omschrijving van het rechtsgebied van het parket Antwerpen en wordt verzoeker de hoedanigheid van lid van een speciale eenheid (SIE/POSA) ontnomen. IX-2301-11/22 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van “het recht op tegenspraak (... wegens) onvoldoende faciliteiten bij de voorbereiding van de verdediging”; dat hij dienaangaande uiteenzet dat een tuchtrechtelijk vervolgd persoon krachtens artikel 6, lid 1 en lid 3, b van het EVRM recht heeft op voldoende faciliteiten voor de voorbereiding van zijn dossier en dat een verzoek tot uitstel van de zaak enkel kan geweigerd worden wanneer “de aangevoerde omstandigheden een effectieve verdediging niet in de weg staan”; dat hij betoogt dat hij een klacht bij de onderzoeksrechter met burgerlijke partijstelling ingediend had, dat zijn verdediger aan de tuchtraad omstandig uitgelegd heeft op welke misdrijven die klacht betrekking had -misbruik van opsporingstechnieken, met name infiltratie zonder toestemming van de procureur des Konings en schending van het beroepsgeheim doordat de gerechtelijke stukken die in het kader van die infiltratie waren opgesteld zonder toestemming overgemaakt werden aan zijn eenheidscommandant- en dat het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek aldus van groot belang is voor de tuchtzaak in die zin dat, in geval het oneigenlijk gebruik van opsporingstechnieken en de schending van het beroepsgeheim voor bewezen wordt gehouden, het tuchtonderzoek nietig is; dat naar zijn oordeel de tuchtraad de behandeling van zijn zaak daarom had moeten uitstellen totdat het strafrechtelijk onderzoek over zijn klacht klaarheid gebracht had; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : het opschorten van een tuchtprocedure wanneer de betrokkene de feiten erkent of wanneer de feiten door een intern administratief onderzoek bewezen kunnen worden, gaat in tegen artikel 24/38, § 2, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973); in dit geval verschafte het verslag van de “operatie ASOP”, de bekentenissen van verzoeker en de verklaring van andere personeelsleden aan het bestuur voldoende informatie om het onderzoek voort te zetten en heeft de tuchtraad terecht besloten dat de zaak in staat van wijzen was; overigens bestaat er geen verband tussen het beschikken over voldoende tijd om de verdediging op te bouwen en het weigeren van uitstel totdat een strafonderzoek beëindigd is; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat, wegens de klacht bij de onderzoeksrechter met burgerlijke partijstelling, het gehele onderzoek van de verwerende partij in zijn tuchtzaak op losse schroeven IX-2301-12/22 kan komen te staan, waaruit dan volgt dat de tuchtraad zich ten onrechte op het standpunt geplaatst heeft dat de zaak “in staat van wijzen” was en de behandeling van de zaak niet uitgesteld heeft; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker bij zijn verschijning voor de onderzoeksraad op 1 december 1999 gevraagd heeft om de behandeling van zijn tuchtzaak uit te stellen tot definitief uitspraak gedaan zou zijn over zijn klacht met burgerlijke partijstelling tegen commandant DEBACKER; dat de onderzoeksraad dat verzoek tot uitstel verworpen heeft omdat de feiten waaromtrent in de klacht een onderzoek werd gevraagd, niet samen vielen met de feiten die de basis vormden van de tuchtvordering tegen verzoeker; dat hierna onderzocht wordt of de klacht het verder onderzoek in de tuchtzaak kon hypothekeren en of het resultaat ervan aldus de gehele tuchtprocedure op losse schroeven kon zetten; Overwegende dat verzoeker het middel steunt op de schending van artikel 6, lid 1 en lid 3,
  4. b)van het EVRM; dat hij evenwel niet aantoont dat hij zich voor de afhandeling van zijn zaak -een tuchtzaak in het openbaar ambt- op de bescherming van die bepalingen kan beroepen, nu artikel 6, lid 1, betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en artikel 6, lid 3, verwijst naar een strafrechtelijke vervolging; dat zulks evenwel niet belet dat zijn uiteenzetting ook gelezen kan worden als een verwijzing naar de ontstentenis van deugdelijke grondslag, in de zin dat de onderzoeksraad op het ogenblik van zijn advies nog geen definitief zicht kon hebben op de feiten die aan verzoeker ten laste konden worden gelegd en dat het bestuur daarmee zijn rechten van verdediging miskend heeft; 2.4.2.1. Overwegende dat verzoeker in de klacht bij de onderzoeksrechter wijst op een schending van het beroepsgeheim, doordat commandant DEBACKER van de BOB Antwerpen de vertrouwelijke verslagen die naar aanleiding van de operatie ASOP waren opgesteld, bezorgd heeft aan zijn eenheidscommandant zonder dat de procureur-generaal of de procureur des Konings daarvoor zijn toestemming had gegeven, terwijl het nochtans om “gerechtelijke stukken” ging; dat volgens verzoeker die miskenning van het beroepsgeheim de nietigheid van het tuchtonder- zoek tot gevolg heeft; Overwegende dat de eenheidscommandant van verzoeker, na op 28 mei 1998 vanwege de vertrouwensmagistraat bij het parket van de procureur des Konings te Antwerpen het bericht gekregen te hebben dat onder meer verzoeker zich IX-2301-13/22 schuldig gemaakt had aan strafbare feiten maar dat er om opportuniteitsredenen geen strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld en er veeleer moest aan gedacht worden verzoeker tuchtrechtelijk te bestraffen, op 2 juni 1998 luitenant POTTERS belast heeft met het effectief uitvoeren van een voorafgaand onderzoek inzake tucht; dat hij op 3 juni 1998 aan de procureur des Konings toestemming gevraagd heeft om inzage te krijgen van de verslagen die aan het parket waren bezorgd en dat de procureur op 4 juni 1998 de toestemming heeft gegeven “tot het gebruik, in de (tuchtprocedure tegen leden van POSA Antwerpen) van de verslagen van (zijn) ambt in het kader van de OPS.ASOP”; dat, aangezien de procureur des Konings derhalve reeds op het ogenblik dat het voorafgaand onderzoek werd uitgevoerd, zijn toestemming tot gebruik van het strafdossier had gegeven en aangezien krachtens artikel 24/27, § 1, van de wet van 27 december 1973 een tuchtprocedure wordt opgestart met de redactie van het inleidend verslag, waaraan een voorafgaand onderzoek kan voorafgaan, in de communicatie van vertrouwelijke verslagen door de commandant van de BOB aan de eenheidscommandant van verzoeker geen grond kan worden gezien voor de nietigheid van de tuchtvervolging, nu de vooronder- zoeker regelmatig kennis heeft kunnen nemen van de stukken die onder de verantwoordelijkheid vielen van de procureur des Konings; 2.4.2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn klacht het beroepsgeheim eveneens geschonden acht doordat commandant DEBACKER op een door hem bijeengeroepen personeelsvergadering de aanwezigen bepaalde feiten ter kennis zou hebben gebracht; dat evenwel niet wordt ingezien op welke wijze die mededeling de rechtsgeldigheid van het tuchtonderzoek zou kunnen aantasten; 2.4.2.3. Overwegende dat verzoeker voorts wijst op het misbruik van opsporingstechnieken doordat gebruik gemaakt is van infiltratie zonder dat de gerechtelijke overheid daarvoor haar toestemming gegeven zou hebben, zodat het tuchtonderzoek nietig is; dat evenwel, in zijn verslag over de zaak, de auditeur- verslaggever uit de stukken van het dossier dat hem voorlag, vastgesteld heeft dat de procureur des Konings van meet af aan -een eerste vertrouwelijk verslag werd op 9 september 1997 overgemaakt- op de hoogte was van het discreet onderzoek met infiltratie dat binnen de rijkswacht werd uitgevoerd, dat dit onderzoek niet beperkt was tot een tuchtzaak en dus als een interne aangelegenheid van de rijkswacht, maar dat ook rekening gehouden werd met de mogelijkheid dat criminele activiteiten zouden ontdekt worden en dat de procureur des Konings dat onderzoek, wat hem betreft, beschouwd heeft als een opsporingsonderzoek dat hij uiteindelijk op 28 mei IX-2301-14/22 1998 afgesloten heeft met een seponeringsbesluit; dat, aangezien verzoeker niet gereageerd heeft op de uiteenzetting van de auditeur, de Raad van State zich thans kan beperken tot de vaststelling dat de stukken van het dossier inderdaad die conclusie rechtvaardigen; dat in die omstandigheden aangenomen wordt dat het infiltratieonderzoek gebeurd is met toestemming van de procureur des Konings; dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat er op het ogenblik dat in dit geval een infiltratieonderzoek werd uitgevoerd, een reglementaire bepaling zou hebben bestaan krachtens dewelke de instemming van de procureur des Konings het voorwerp zou dienen uit te maken van een uitdrukkelijke en geschreven beslissing; dat derhalve, ook wat dit aspect betreft, de klacht van verzoeker niet van aard kon zijn om de tuchtprocedure te beïnvloeden; 2.4.2.4. Overwegende dat de klacht van verzoeker ook nog melding maakte van een lasterlijke aangifte door commandant DEBACKER; dat, aangezien die vermeende lasterlijke aangifte precies betrekking had op de feiten die het voorwerp vormden van het tuchtonderzoek, het onderzoek van de lasterlijke aangifte de onderzoeksraad geen bijkomende elementen kon verschaffen over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten; 2.4.3. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat de verwerende partij zijn rechten van verdediging, meer bepaald zijn recht op tegenspraak tijdens het voorafgaand onderzoek alsook het fair-playbeginsel geschonden heeft, doordat kapitein DEBACKER binnen de sectie POSA een infiltratieoperatie opgestart heeft, terwijl dergelijke techniek enkel aangewend kan worden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek -niet voor een tuchtonderzoek- en dan nog slechts na voorafgaande goedkeuring en onder begeleiding van de procureur des Konings; dat hij besluit dat de verwerende partij aldus zijn recht op tegenspraak tijdens het voorafgaand onderzoek en het fair-playbeginsel geschonden heeft; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: de rechten van de verdediging gelden enkel voor de eigenlijke tuchtprocedure en niet in de stand van het voorafgaand administratief onderzoek; in het kader van het bewijs van de feiten moet de Raad van State nagaan of het bestuur met inachtneming van de beginselen van de bewijsvoering tot de deugdelijke vaststelling van de feiten IX-2301-15/22 is kunnen komen; in dit geval heeft de onderzoeksraad -en met hem de minister- de feiten in wezen bewezen bevonden op grond van de verklaring van verzoeker zelf en van een ander personeelslid; het ASOP-verslag is in de tuchtprocedure enkel aangevoerd om erop te wijzen dat de geobserveerde persoon verdacht werd van misdrijven, het vormt een bijkomend bewijselement dat rechtsgeldig van de procureur des Konings verkregen werd en het maakt niet uit of dat verslag tot stand kwam in het kader van een strafrechtelijk dan wel een tuchtrechtelijk onderzoek; in ieder geval is de tuchtoverheid voor haar onderzoek niet gebonden door instructies die het ministerie van Justitie heeft uitgevaardigd met betrekking tot onderzoeken inzake zware en georganiseerde criminaliteit en heeft de procureur des Konings zeker vastgesteld dat verzoeker een inbreuk op de wetgeving inzake de bewakingsonderne- mingen begaan heeft; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat zowel de strafrechter als de tuchtrechter zich moeten afvragen of de ingezamelde bewijzen regelmatig zijn, dat het aldus van het grootste belang is dat uitgemaakt wordt of het ASOP-verslag kaderde in een tuchtrechtelijk dan wel in een strafrechtelijk onderzoek, aangezien in een tuchtzaak geen infiltratieonderzoek kan gebeuren en het uitvoeren van dergelijk onderzoek in een strafzaak afhangt van de instemming van de gerechtelijke overheid; 3.4.1 Overwegende dat bij het onderzoek van het eerste middel aangenomen is dat uit de stukken van het dossier opgemaakt kan worden dat de procureur des Konings van in den beginne betrokken is geworden bij het onderzoek over de misbruiken binnen POSA en dat het infiltratieonderzoek de goedkeuring van de procureur wegdroeg; dat voorts uit het dossier ook blijkt dat de procureur des Konings de verslagen van dat onderzoek aangewend heeft om het opsporings- onderzoek naar eventuele misdrijven voortgang te doen vinden; dat met andere woorden de nauwe samenwerking tussen het bestuur en het parket in dit geval tot gevolg had dat het administratief intern onderzoek binnen POSA samenviel met het opsporingsonderzoek onder de leiding van de procureur des Konings; dat de instemming van de procureur des Konings met het infiltratieonderzoek en zijn toelating om de stukken uit het gerechtelijk dossier te gebruiken in het tuchtdossier, tot gevolg hebben dat de tuchtoverheid rechtsgeldig het infiltratieonderzoek als een bewijselement in de tuchtzaak kon betrekken; dat de tuchtraad terecht gesteld heeft dat de gegevens van de operatie ASOP regelmatig verkregen werden en dat zij konden aangewend worden in het tuchtdossier tegen verzoeker; IX-2301-16/22 3.4.2. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel aanvoert dat het bestreden besluit geen deugdelijke grondslag heeft in die zin dat (eerste onderdeel) de onderzoeksraad en het bestreden besluit ervan uitgaan dat de tuchtvordering niet verjaard is terwijl artikel 24/38, § 1, van de wet van 27 december 1973 bepaalt dat die verjaring intreedt twee jaar nadat de feiten “werden vastgesteld” en dat zulks in zijn geval niet de datum van het verslag van de ASOP-operatie is maar oktober 1997, dat (tweede onderdeel) het bestreden besluit overweegt dat de operatie ASOP kaderde in een strafonderzoek en dat zij regelmatig verlopen is, terwijl dergelijke operatie krachtens de geheime richtlijnen slechts uitgevoerd kan worden met voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Konings en dat (derde onderdeel) het bestreden besluit vooropstelt dat het voorafgaand onderzoek op regelmatige wijze uitgevoerd is, terwijl er nochtans rekening gehouden is met stukken uit het gerechtelijk dossier zonder dat de vereiste toelating gegeven was; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar, wat het eerste onderdeel betreft, op antwoordt dat in het advies van de onderzoeksraad omstandig wordt uiteengezet en gemotiveerd waarom de vaststelling van de feiten, zoals bedoeld in artikel 24/38, § 1, plaats heeft gehad op 3 maart 1998 en dat die uiteenzetting past in de rechtspraak van de Raad van State dat de vaststelling van de feiten gebeurt op het ogenblik dat de tuchtoverheid “voldoende precieze en bewijskrachtige gegevens verzameld heeft omtrent de feiten”; dat zij wat het tweede en het derde onderdeel van het middel betreft, verwijst naar haar uiteenzetting aangaande de voorgaande middelen; 4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat het bestreden besluit niet verantwoordt waarom het ASOP-verslag met betrekking tot de infiltratie toch regelmatig in de besluitvorming betrokken kon worden; 4.4.1. Overwegende dat de vaststelling van de feiten, die door artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 wordt vooropgesteld als het beginpunt van de verjaringstermijn, verwijst naar het ogenblik waarop de bevoegde overheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om met kennis van zaken een tuchtvordering tegen het betrokken personeelslid op te starten; dat in dit geval, waarin het administratief onderzoek samenviel met het strafrechtelijk IX-2301-17/22 onderzoek, die bewijskrachtige gegevens slechts beschikbaar kwamen op het ogenblik dat het bestuur van de procureur des Konings de toelating verkreeg om, na de seponering van het strafrechtelijk onderzoek, de gegevens uit het strafdossier in de tuchtzaak te betrekken; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.4.2. Overwegende dat, voor wat het tweede en het derde onderdeel van het middel betreft, verwezen wordt naar de bespreking van de eerste twee middelen, waarin aangenomen is dat de tuchtoverheid regelmatig heeft kunnen besluiten dat de operatie ASOP kaderde in een strafonderzoek en dat zij rechtsgeldig gebruik heeft kunnen maken van de desbetreffende verslagen; dat die stukken een deugdelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit; dat het middel ook wat die aspecten betreft, niet gegrond is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, doordat dit beginsel zich ertegen verzet dat, in tuchtzaken, het bestuur zonder deugdelijke reden optreedt tegen een ambtenaar en dat niet doet tegen andere ambtenaren die nochtans dezelfde feiten gepleegd hebben; dat volgens hem uit het tuchtdossier blijkt dat “meerdere personen binnen POSA Antwerpen gewerkt hebben als portier of security-agent” en dat de verwerende partij niet deugdelijk verantwoordt waarom vier politieambtenaren niet tuchtrechtelijk vervolgd worden; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de door verzoeker aangewezen gevallen niet vergelijkbaar zijn met het zijne, aangezien enerzijds de bedoelde ambtenaren de feiten gepleegd hebben vooraleer het bestuur met een interne dienstnota duidelijke instructies over het beroepsgeheim en de bijkomende activiteiten aan het personeel had medegedeeld en aangezien anderzijds in het advies van de onderzoeksraad duidelijk wordt uiteengezet waarom wacht- meester V.S. niet het voorwerp moet uitmaken van een tuchtvervolging; 5.3. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord op repliceert dat het onbegrijpelijk is waarom de verwerende partij geen tuchtprocedure opgestart heeft tegen personen die dezelfde tuchtfeiten gepleegd hebben; 5.4. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak uiteengezet heeft dat verzoeker niet aantoont dat de situatie van de ambtenaren, IX-2301-18/22 waarmee hij zich vergelijkt, gelijk is aan de zijne en dat het niet de Raad van State behoort om in de plaats van verzoeker de verschillende feitelijke situaties te onderzoeken en aldus zelf het middel te adstrueren; Overwegende dat verzoeker niet gereageerd heeft op de uiteenzetting van de auditeur; dat de Raad van State dan ook de conclusie van laatstgenoemde, zoals hiervoor vermeld, bijvalt; dat het middel niet gegrond is; 6.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van de redelijke termijn, doordat reeds op 4 september 1997 opdracht werd gegeven tot het opstarten van een voorafgaand onderzoek over feiten die wacht- meester UREEL op 20 augustus 1997 ter kennis van de eenheidscommandant gebracht heeft, doordat dit voorafgaand onderzoek dan tot begin juni 1998 stilgelegd werd en de onderzoeksraad pas in december 1999 de aangelegenheid onderzocht heeft; dat naar zijn oordeel die vertraging in de behandeling niet verklaard kan worden door het op elkaar afstemmen van de verschillende zaken, maar haar eigenlijke oorzaak vindt in het gebruik van bijzondere opsporingstechnieken en in het talmen met bepaalde verrichtingen; dat hij daar aan toevoegt dat de beweerde tuchtinbreuken in ieder geval vastgesteld werden in oktober en december 1997 zodat de termijn die de verwerende partij nodig heeft gehad om tot een besluit te komen onredelijk lang is; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de eerbiediging van de redelijke termijn beoordeeld moet worden met inachtneming van de concrete gegevens van de zaak, alsmede van de houding van de tuchtoverheid en van de betrokkene; dat zij van oordeel is dat in dit geval de aard van de zaak vereiste dat omzichtig opgetreden werd -teneinde alle betrokkenen te kunnen identificeren en de misdrijven te kunnen vaststellen- maar dat nooit dermate lang geaarzeld werd dat verzoeker de indruk kon hebben dat het bestuur geen belangstelling meer had voor de zaak; dat zij er ook op wijst dat, op vraag van de verdediging, bijkomende onderzoeksdaden gesteld zijn die vervolgens zelf ook binnen een redelijke termijn uitgevoerd zijn; 6.3. Overwegende dat bij de bespreking van het derde middel aangenomen is dat de tuchtoverheid slechts op 4 juni 1998 de tuchtfeiten lastens verzoeker vastgesteld heeft, aangezien pas op die datum rechtmatig kennis genomen kon worden van de gegevens van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek; dat in IX-2301-19/22 ieder geval de eenheidscommandant van verzoeker, aangenomen dat hij op basis van de gegevens waarover hij in 1997 beschikte, reeds in september of oktober 1997 een inleidend verslag had kunnen opstellen, in de juridische onmogelijkheid was om zulks te doen, aangezien hij de feitelijke gegevens voor dat inleidend verslag diende te putten uit de vertrouwelijke verslagen aan de procureur des Konings, welke op dat ogenblik gedekt waren door het geheim karakter van het strafonderzoek; Overwegende dat de onderzoeksraad op 15 december 1999 zijn advies gegeven heeft en dat het bestreden besluit op 11 januari 2000 getroffen is, dit is binnen de verjaringstermijn, vermeld in artikel 24/38, § 1, derde lid, van de wet van 27 december 1973; dat de redelijke termijn-eis, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is wanneer een wettelijke bepaling de aangelegenheid regelt; Overwegende dat het middel niet gegrond is; 7.1. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending van de loyauteitsplicht door de rijkswachtoverheid aanvoert doordat de vooronderzoeker, blijkens een nota van 2 juni 1998, bij de medisch adviseur geïnformeerd heeft of medische redenen zich ertegen verzetten dat tegen bepaalde leden van POSA, waaronder wachtmeester V.S., een tuchtprocedure gevoerd zou worden, dat men op die manier de zaken heeft trachten voor te stellen alsof er een tuchtonderzoek liep tegen V.S. om aldus een onderzoek met infiltratie te kunnen opstarten en het onregelmatig inschakelen van V.S. te kunnen verdoezelen; 7.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de nota naar dewelke verzoeker verwijst werd opgesteld om wachtmeester V.S. te beschermen en dat die voorzorgsmaatregel niet nodeloos genomen werd, aangezien de betrokkene doodsbedreigingen gekregen heeft nadat de naam van verzoeker in de affaire genoemd was; 7.3. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat hij niets te maken heeft met de doodsbedreigingen waar de verwerende partij het over heeft en dat de bescherming van infiltranten niet zover mag gaan dat zij straffeloos blijven voor vroeger begane tuchtinbreuken; IX-2301-20/22 7.4. Overwegende dat de door verzoeker gelaakte maatregel, die de verwerende partij nodig achtte om wachtmeester V.S. te beschermen, verzoeker niet benadeeld heeft; dat hij ook het correcte verloop van de tuchtprocedure, waaromtrent het voorafgaand onderzoek op dat ogenblik nog niet was aangevat, niet heeft kunnen beïnvloeden; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, de geveinsde beschuldiging van wachtmeester V.S. niet noodzakelijk was om met een infiltratie- onderzoek de werkelijke omvang van de misbruiken bij POSA te kunnen onder- zoeken; Overwegende dat in het tuchtonderzoek duidelijk naar voren is gekomen op welke wijze wachtmeester V.S. in de gehele zaak betrokken is geworden en dat verzoeker zich in de loop van de procedure daar met volledige kennis van zaken heeft kunnen tegen verweren; dat verzoeker aldus tijdens de eigenlijke tuchtprocedure niet misleid geworden is; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-2301-21/22 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2301-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.919 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.89.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.