id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.920 Rolnummer: A. 78399/IX-1144 Zaak: Arrest 155920 - - 06/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 12:07 Fiche Arrest nr 155.920 van 6 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.920 van 6 maart 2006 in de zaak A. 78.399/IX-
- In zake : Robert BECKERS, die woonplaats kiest bij advocaat L. LENAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). tussenkomende partij : de NV NIEUWE BOOMSE METAALWERKEN (NBM) (in faling), vertegenwoordigd door de curatoren E. DE BIE en M. VAN PASSEL, die woonplaats kiezen bij advocaat B. MERGITS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 247, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert BECKERS op 27 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “de beslissing van de directeur van de Subregionale Tewerkstellingsdienst Antwerpen, Somersstraat 22, te 2018 Antwerpen, zoals meegedeeld door bovengenoemde aan B.B.T.K. op 26/02/98, bij schrijven met referte 11/2/HD, en zoals toegelicht in een navolgend aangetekend schrijven dd. 20/04/98, met verwijzing 11/MDL/BM, waarbij de kennisgeving van het voornemen tot collectief ontslag bij de NV NIEUWE BOOMSE METAALWERKEN, in de zin van art. 7 v/h K.B. van 24/05/76 betreffende het collectief ontslag, zoals meegedeeld op 30/01/98, als geldig werd aanvaard, zodat de beschermings- termijn, voorzien in art. 9 van hetzelfde K.B., zou dienen te verstrijken op 31/03/98”; Gelet op het arrest nr. 75.948 van 28 september 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; IX-1144-1/11 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 november 1998 door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de NV NIEUWE BOOMSE METAALWERKEN; Gelet op de beschikking van 19 februari 1999 die de tussenkomst van de NV NIEUWE BOOMSE METAALWERKEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 29 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. LENAERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: IX-1144-2/11 1.
- Verzoeker was tewerkgesteld bij de NV NIEUWE BOOMSE METAALWERKEN (hierna NBM genoemd). 1.
- Met een brief van 30 januari 1998 van NBM wordt de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, met name de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst (hierna STD genoemd) van Antwerpen, op de hoogte gebracht van het voornemen van NBM "om over te gaan tot collectief ontslag". In de brief wordt onder meer gesteld : "Dit voornemen werd op 30.01.1998 tijdens een buitengewone vergadering aan de ondernemingsraad meegedeeld. Met toepassing van artikel 6 van het K.B. van 24.5.1976 betreffende het collectief ontslag, vindt U hierbij ingesloten een kopie van onze mededeling aan de werknemersvertegenwoordigers. Gelieve hierna alle informatie te vinden zoals voorgeschreven door het K.B. van 24.5.1976 : (...)
- Raadplegingen De raadplegingen met de werknemersvertegenwoordigers werden op 30.1.1998 binnen de ondernemingsraad aangevat met de aankondiging van de intentie over te gaan tot een collectief ontslag. Zoals blijkt uit het als bijlage gevoegde bericht wordt de werknemersvertegenwoordigers de kans gegeven vragen te stellen, argumenten te formuleren en tegenvoorstellen te doen, die door ons zullen worden onderzocht en die wij zullen beantwoorden op een volgende (bijzondere) vergadering van de ondernemingsraad". De in de brief -sub punt 8- vermelde bijlage betreft een brief van 30 januari 1998, gericht aan de leden van de ondernemingsraad van NBM, waarin, onder meer, het volgende staat : "(...) Aangezien het echter duidelijk is dat deze situatie geen enkel perspectief biedt, heeft de raad van bestuur het voornemen om de activiteiten van de n.v. definitief stop te zetten en over te gaan tot sluiting van de onderneming en collectief ontslag. De werknemersvertegenwoordigers worden hierbij in de mogelijkheid gesteld vragen te stellen in verband met de voorgenomen maatregelen en om argumenten te formuleren en tegenvoorstellen te doen, die zullen worden onderzocht en beantwoord op een volgende (bijzondere) vergadering van de ondernemingsraad. (...)". 1.
- Met een brief van 20 februari 1998, gericht aan NBM, bevestigt de directeur van de STD de ontvangst van de brief waarbij hij in kennis wordt gesteld van het voornemen van NBM om over te gaan tot het collectieve ontslag van 96 werknemers. Hij stelt voorts: IX-1144-3/11 "U voldoet aan alle bepalingen van hoofdstuk 2 van het KB van 24/05/76 betreffende het collectief ontslag. De periode waarin de opzeg kan gegeven worden, kan ten vroegste ingaan op 2/3/98". 1.
- Met brieven van 9 en 12 februari 1998 vragen de vakbonden om de onderhandelingsperiode te verlengen tot 60 dagen. 1.
- Met brieven van 17 februari 1998 deelt de directeur van het STD aan de vakorganisaties mee dat NBM zijns inziens voldoet aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag. In deze procedure is geen enkele mogelijkheid voorzien om de termijnen te verlengen in geval van een collectief ontslag volgend op de sluiting van een onderneming. De directeur stelt dat hij bijgevolg niet kan ingaan op het verzoek van de vakorganisaties en hij stelt dat de opzegperiodes ten vroegste kunnen ingaan op 2 maart
- 1.
- In een brief van 20 februari 1998 delen de vakorganisaties aan de directeur van de STD mee dat er tijdens de ondernemingsraad elementen werden aangereikt die het verzoek tot termijnverlenging krachtens artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 wel degelijk rechtvaardigen. Zij herhalen hun verzoek om de termijn alsnog met 30 dagen te verlengen. 1.
- In een brief van 23 februari 1998, gericht aan de vakorganisaties, bevestigt de directeur van de STD dat er wettelijk geen verlenging van de onder- handelingsperiode kan toegestaan worden. 1.
- Met een brief van 26 februari 1998, gericht aan de vakorganisaties en aan NBM, deelt de directeur van de STD evenwel mee dat hij besliste "om de wachttermijn (waarin geen opzeg aan de werknemers kan gegeven worden) te verlengen van 30 naar 60 dagen. Als dusdanig kan de periode waarin de opzeg kan gegeven worden ten vroegste ingaan op 31/3/98". Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij steunt op de overweging dat er nog geen sluitingsmelding was gegeven aan het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, en dat er dus geen sprake was van collectief ontslag wegens de sluiting van de onderneming. IX-1144-4/11 1.
- Met een brief van 5 maart 1998 deelt NBM aan de directeur van de STD mee "dat de algemene vergadering van de n.v. Nieuwe Boomse Metaal- werken op 3.3.1998 heeft besloten over te gaan tot sluiting van de onderneming in de zin van de Sluitingswet 1966". In de brief wordt voorts gesteld : "Gelet op het voornoemde zal U ons wel willen bevestigen dat U uw beslissing 26.2.1998 tot verlenging van de termijn waarbinnen niet, tot ontslag kan worden overgegaan, herroept en dat de arbeidsovereenkomsten van de betrokken werknemers vanaf heden kunnen worden beëindigd". 1.
- Met een brief van 9 maart 1998, gericht aan NBM, deelt de directeur van de STD mee : "Rekening houdende met alle elementen van het dossier en om het sociaal overleg een maximale kans te bieden, heb ik besloten om de wachttermijn u meegedeeld op 26/2/98, te handhaven. Dit betekent dat de opzegtermijnen ten vroegste kunnen ingaan op 31/3/98". 1.
- In een aangetekende brief van 1 april 1998 schrijft NBM aan verzoeker : "Geachte heer, Wij delen U mede dat wij beslist hebben een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Overeenkomstig de wettelijke bepalingen zullen wij een opzeggingstermijn van 70 dagen in acht nemen. Deze opzeggingstermijn vangt aan op 6.4.1998." 1.
- In een brief van 14 april 1998 deelt de raadsman van het gemeenschappelijk vakbondsfront van NBM aan de directeur van de STD onder meer mee wat volgt : "Ik neem kennis van uw schrijven aan BBTK dd. 26 februari 1998, met uw verwijzing 11/2/HD. Mijn cliënten gaan volledig akkoord met de verlenging van de bescher- mingstermijn van 30 naar 60 dagen. U schrijft echter dat de periode waarin de opzegging kan gegeven worden aldus ten vroegste kan ingaan op 31 maart
- Ik ga er dan ook van uit dat U het schrijven van de werkgever dd. 30 januari 1998 als begintermijn van de beschermingsperiode aanvaardt. Hiermee kan ik mij niet akkoord verklaren.". De raadsman wijst er op dat slechts toepassing kan gemaakt worden van artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 nadat de raadplegingen hebben plaatsgevonden en hij stelt : IX-1144-5/11 "Ik meen dan ook dat de kennisgeving dd. 30 januari 1998 ongeldig is, zodat de beschermingsperiode, voorzien in artikel 9 van het K.B., nog geen aanvang heeft kunnen nemen". 1.
- Met een brief van 20 april 1998 antwoordt de directeur van de STD wat volgt : "In antwoord op uw schrijven van 14/04, doen we volgende vaststellingen :
- Op 2/02 is de dienst in kennis gesteld van het voornemen tot collectief ontslag. In deze kennisgeving werd expliciet vermeld dat de raadplegingen in de werknemersvertegenwoordigers op 30/01 werden aangevat.
- In de uitgebreide correspondentie dienaangaande met zowel de werkgever als de werknemersvertegenwoordigers werd de datum van 30/01 als formele datum van kennisgeving vooropgesteld.
- Het is maar bij schrijven van 14/04 dat bedoelde datum door u werd aangevochten. Op dat ogenblik was verlengde termijn van 60 dagen reeds verstreken (cfr. 31/03/98). Rekening houdend met deze vaststellingen, lijkt het ons niet mogelijk post factum en rechtsgeldig een andere beslissing te nemen dan deze welke via het door u aangehaalde schrijven aan BBTK op 26/02/98 (ref. 11/2/HD) werd medegedeeld".
- Overwegende dat verzoeker als tegenpartij het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), de Subregionale Tewerkstellingsdienst Antwerpen en de directeur van laatsgenoemde dienst aanwijst; dat het Vlaamse Gewest als zodanig geen deel heeft genomen aan de besluitvorming die hier ter discussie is, terwijl overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 20 maart 1984 houdende oprichting van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, de VDAB een openbare instelling is die rechtspersoonlijkheid heeft; dat de Subregionale Tewerkstellingsdienst Antwerpen en de directeur van die dienst organen zijn van de VDAB; dat enkel de VDAB zich tegen het verzoekschrift dient te verweren; 3.
- Overwegende dat verzoeker zijn belang ziet in het feit dat NBM hem op 31 maart 1998 ontslagen heeft; dat hij blijkens zijn enig annulatiemiddel dat ontslag strijdig acht met artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, dat de werkgever verbiedt de werknemers die in aanmerking komen voor collectief ontslag, op te zeggen binnen de termijn van dertig dagen na de kennisgeving door de werkgever, aan de directeur STD, van het voornemen tot collectief ontslag; dat hij van oordeel is dat de mededeling van het voornemen van collectief ontslag, vervat in de brief van 30 januari 1998 van NBM aan STD, de beschermingsperiode niet heeft kunnen doen ingaan, aangezien de raadpleging van de werknemersorganisaties toen nog niet plaatsgevonden had en de IX-1144-6/11 mededeling ook geen kopie bevatte van de gegevens bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975; dat hij, van dat gegeven vertrekkend, zich op het standpunt plaatst dat de directeur STD de kennisgeving van 30 januari 1998 voor ongeldig had moeten houden, hetgeen hem dan moest beletten de beschermingsperiode te verlengen tot 31 maart 1998; Overwegende dat naar het oordeel van verzoeker met het gegrond bevinden van dat middel vastgesteld wordt dat de beschermingsperiode niet op 30 januari 1998 ingegaan is en dat hij derhalve op 31 maart 1998 niet opgezegd kon worden; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissingen; dat zij deze exceptie adstrueert als volgt: het is de werkgever en niet de directeur STD die de aanvang van de beschermingsperiode bepaalt door de kennisgeving van het voornemen tot collectief ontslag aan STD; de directeur STD kan de beschermingsperiode in bepaalde gevallen verkorten of verlengen maar hij kan de aanvangsdatum van die periode niet wijzigen of weigeren die datum aan te houden; in dit geval is de kennisgeving van het voornemen van collectief ontslag gebeurd op 30 januari 1998; de directeur STD heeft dan gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de wachttermijn te verlengen, maar dat is alleen maar in het voordeel van de werknemers; het koninklijk besluit van 24 mei 1976 voorziet niet in de schorsing van de beschermingstermijn wanneer de raadplegingsprocedure wordt betwist; aldus heeft de vernietiging van de bestreden beslissing geen enkele weerslag op de aanvangsdatum van de beschermingsperiode en stelt verzoeker ten onrechte dat de beschermingsperiode nog geen aanvang genomen heeft; de rechtspositie van verzoeker is door het bestreden besluit niet nadelig beïnvloed en hij heeft dan ook geen belang bij het annulatieberoep; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt repliceert: in het middel voert hij aan dat de kennisgeving slechts kan plaatsvinden nadat het raadplegen van de werknemersorganisaties beëindigd is -de Franse tekst van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 spreekt over “les consultations effectuées”- maar uit de kennisgeving van 30 januari 1998 blijkt dat deze raadpleging dan slechts aangevat was; de vaststelling van de directeur STD dat de opzegging slechts kan ingaan op 31 maart 1998 impliceert onontkoombaar dat de directeur het schrijven van 30 januari 1998 als een geldige kennisgeving aanvaardt hoewel de raadpleging op die datum alleszins niet voltooid was; dergelijke beslissing, IX-1144-7/11 die in dit geval veruitwendigd is door de brieven van de directeur STD, kan met een annulatieberoep bestreden worden; het ontslag van verzoeker wordt geconditioneerd door deze beslissing en derhalve heeft hij belang bij het beroep; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat de directeur STD, vooraleer rechtsgeldig een beslissing te kunnen nemen over de verlenging van de termijn, diende te beschikken over een wettige kennisgeving in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit; door vast te stellen dat de beschermings- termijn afloopt op 31 maart 1998 heeft de directeur STD impliciet aangenomen dat de kennisgeving van 30 januari 1998 regelmatig was en voldeed aan de voorwaarden vermeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 mei 1976; die onwettigheid vitieert de beslissing waarbij de beschermingsperiode wordt verlengd; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij, die de bestreden beslissingen gehandhaafd wenst te zien, aanvoert dat zij gehandeld heeft in overeenstemming met het bericht van de directeur STD van 20 februari 1998, dat zij voldeed aan alle voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 24 mei 1976 en dat zij er mocht vanuit gaan dat de directeur de kennisgeving getoetst heeft aan de bepalingen van dat besluit; 4.
- Overwegende dat verzoeker het beroep instelt in zijn hoedanigheid van werknemer van NBM wiens contract op 31 maart 1998 opgezegd is; dat hij evident geen belang heeft bij de vernietiging van de beslissingen van STD waarbij de beschermingstermijn van de werknemers wordt verlengd, hetgeen het eigenlijk voorwerp is van de twee bestreden beslissingen; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker in die beslissingen wel een andere -impliciete- beslissing onderkent waar hij nadelige gevolgen van ondervindt, te weten het voor geldig aannemen, door de directeur STD, van de kennisneming van het voornemen van collectief ontslag, waardoor de beschermingstermijn waarbinnen de onderneming het personeel niet mag ontslaan, is kunnen ingaan op 31 januari 1998; 4.2.
- Overwegende dat de relevante bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, zoals dat van toepassing was op 30 januari 1998, luiden als volgt : -artikel 6 : “Wanneer de werkgever die overweegt collectief ontslag te geven, de werknemersvertegenwoordigers hiervan schriftelijk in kennis stelt, ter uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemers- IX-1144-8/11 vertegenwoordigers met betrekking tot het collectief ontslag, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 21 januari 1976, is hij gehouden een kopie van die mededeling toe te sturen aan de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van de plaats waar de onderneming is gevestigd”. - artikel 7 : “De werkgever brengt, bij een ter post aangetekende brief, zijn voor- nemen tot collectief ontslag ter kennis van de directeur van de sub- regionale tewerkstellingsdienst van de plaats waar de onderneming is gevestigd. De kennisgeving moet vermelden : (...) 5/: de redenen voor het ontslag; 6/: het aantal werknemers dat voor ontslag in aanmerking komt (...); 7/: de periode waarvoor het ontslag zal plaatsvinden; 8/: de raadplegingen met de werknemersvertegenwoordigers ter uit- voering van de in artikel 6 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst”. - artikel 8 : “De werkgever zendt de werknemersvertegenwoordigers een afschrift van de in artikel 7 bedoelde kennisgeving van het voornemen tot collectief ontslag. De werknemersvertegenwoordigers kunnen hun eventuele opmer- kingen richten aan de directeur van de subregionale tewerkstellings- dienst”. - artikel 9 : “De werkgever mag de werknemers die voor het in artikel 7 bedoelde voornemen tot collectief ontslag in aanmerking komen, niet eerder opzeggen dan na het verstrijken van een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van de kennisgeving van dat voornemen. Het voorafgaand lid is niet van toepassing in geval van sluiting van de onderneming die voortvloeit uit een rechterlijke beslissing”. - artikel 10 : “De directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst kan de termijn die bedoeld wordt in artikel 9 verkorten, meer bepaald: a) in geval van een ontwerp van collectief ontslag volgend op een sluiting van de onderneming die niet voortvloeit uit een rechterlijke beslissing. b) in geval van een ontwerp van collectief ontslag in de ondernemingen die havenarbeiders en scheepsherstellers tewerkstellen, alsook in de ondernemingen uit het bouwbedrijf (...). Behoudens in de bij het eerste lid bedoelde gevallen kan hij deze termijn met ten hoogste zestig dagen na de kennisgeving verlengen. De werkgever moet, ten minste een week vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van dertig dagen, in kennis worden gesteld van de verlenging en van de redenen daarvan”; 4.2.
- Overwegende dat geen van de hiervoor geciteerde bepalingen aan de directeur STD een discretionaire beslissingsbevoegdheid verleent om zich te verzetten tegen een kennisgeving door een werkgever van het voornemen tot collectief ontslag of om te weigeren de datum van kennisgeving te aanvaarden als begindatum voor de beschermingstermijn waarbinnen de contracten van de werknemers niet opgezegd mogen worden; dat de mogelijkheid waarover de directeur beschikt om de duur van de beschermingstermijn te beïnvloeden -verkorten of verlengen-, daargelaten de vraag of de Raad van State bevoegd is om dergelijke IX-1144-9/11 handeling te vernietigen, niet impliceert dat hij zelf die begindatum in vraag kan stellen en er eventueel op zou kunnen ingrijpen; 4.2.
- Overwegende dat daaruit volgt dat in de beslissing van de directeur om de termijn te verlengen geen impliciet besluit gelezen kan worden om de datum van kennisgeving aan te nemen als begindatum van de beschermingstermijn en om aldus met een eigen beslissing de rechtstoestand van verzoeker te bepalen; dat er ook uit volgt dat de brief van 20 februari 1998, waarin de directeur STD aan de tussen- komende partij mededeelt dat zij “voldoet aan alle bepalingen van hoofdstuk 2 van het KB van 24/05/76 betreffende het collectief ontslag (en dat) de periode waarin de opzeg kan gegeven worden ten vroegste (kan) ingaan op 2/3/98" niet geacht kan worden een expliciete beslissing te bevatten betreffende het aanvaarden van de datum van kennisgeving, maar dat het om een eenvoudige mededeling gaat die zelf geen rechtsgevolgen heeft; 4.
- Overwegende dat het beroep, gericht tegen de verlenging van de beschermperiode, bij gebrek aan persoonlijk belang niet ontvankelijk is; dat het beroep, gericht tegen de onregelmatige vaststelling, door de directeur STD, van de aanvangsdatum van de beschermingsperiode niet ontvankelijk is omdat het geen betrekking heeft op een vernietigbare administratieve beslissing, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de failliete boedel. IX-1144-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1144-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.920 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.75.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.