← België

Arrest 155925 - - 07/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.925 Rolnummer: A. 115772/XIV-8210 Zaak: Arrest 155925 - - 07/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 12:09 Fiche Arrest nr 155.925 van 7 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.925 van 7 maart 2006 in de zaak A. 115.772/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint André 5 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 18 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; XIV-8210-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM die, loco Advocaat S. SAROLEA verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX, van Kazachse nationaliteit, is België binnengekomen op 12 november 2000 en heeft zich op 13 november 2000 vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 23 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 20 december 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit is de bestreden beslissing : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, Kazachs staatsburger van Russische origine, verliet Kazachstan op 6 november 2000 in het gezelschap van uw echtgenote XXX en minderjarige kind en reisde zonder geldig internationaal paspoort richting België. Op 12 november 2000 kwam u in België aan waar u de volgende dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde op het Commissariaat-generaal dat uw echtgenote in 1996 door drie Kazachen werd geslagen. Als gevolg van de slagen kreeg ze een miskraam. In 1997 kreeg ze na vijf maanden opnieuw een miskraam. Volgens de dokter was dit het gevolg van het incident in
  8. In 1998 werd u geslagen door zes tot acht Kazachen. Toen uw echtgenote u zag raakte ze in shock en kreeg opnieuw een miskraam. De politie wilde uw klacht in verband met de aanval niet aannemen. Op 4 augustus 2000 kwam een spreker van de Alash-partij een toespraak houden in het bedrijf waar u werkte. De spreker beledigde de Russen en zei dat de niet-Kazachen Kazachstan moesten verlaten. Na de meeting werd u omver gereden door een wagen. Op 19 augustus 2000 diende u een klacht over deze aanrijding in. Op 24 augustus 2000 ging u zich inzake deze klacht informeren bij de politie. Op 31 augustus ontving u van de onderzoeker een oproeping voor 4 september
  9. Er werd u verteld dat men de zaak wilde afsluiten omdat er belangrijke mensen bij betrokken zouden zijn. Op XIV-8210-2/7 12 september 2000 moest u opnieuw langskomen en werd u verteld dat uw klacht was afgesloten. Op 15 september 2000 schreef u een klacht naar de procureur. Op 23 september diende u toe te kijken hoe uw vrouw werd verkracht door een groep Kazachen. Uw kind werd met een zwaar voorwerp op het hoofd geslagen. Van 24 september 2000 tot 11 oktober 2000 verbleven jullie in Karaganda. Op 10 oktober 2000 werd u daar door drie mannen die zich voorstelden als leden van Alash in elkaar geslagen. Op 20 oktober 2000 werd u door de politie meegenomen en in een cel gestoken. U werd er geslagen en bleef twee uur opgesloten. Vervolgens werd er iets in uw gezicht gespoten en een tijd later kwam u terug bij bewustzijn in een park. Thuis vernam u van uw vrouw dat ze opnieuw verkracht was door drie Kazachen. De dag erop dook u met uw vrouw onder bij Kozakken waar u verbleef van 21 oktober 2000 tot aan uw vertrek op 6 november 2000 waarna u zich met uw echtgenote XXX en uw minderjarige dochter richting België begaf. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er zware tegenstrijdig- en ongerijmdheden zijn tussen uw onderlinge verklaringen (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken van 20 november 2000, beroepschrift 22 december 2000, interview dringend beroep van 13 februari 2001) die toelaten de waarachtigheid ervan in twijfel te trekken. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u tijdens de meeting op 4 augustus 2000 zei dat er zonder de Russen in Kazachstan geen orde geweest zou zijn en dat aan de andere vier aanwezige Russen het woord nooit werd verleend (DVZ, vraag 42, p. 1). Ook in uw beroepschrift verklaarde u dat u hardop uw bedenkingen formuleerde op de negatieve uitlatingen over de niet-Kazachse etniën tijdens de meeting van 4 augustus 2000 (beroepschrift, p. 2). Tijdens uw interview in dringend beroep verklaarde u echter dat noch u, noch de andere aanwezige Russen, reageerden op de negatieve uitlatingen ten opzichte van de niet-Kazachse etniën (CGVS, p 13). Deze tegenstrijdige verklaringen van het al dan niet reageren van uw kant op de uitspraken tijdens (tijdens) de meeting op 4 augustus 2000 zijn al bij al zeer merkwaardig en daar ze aan de basis liggen van uw problemen met Alash-leden ondermijnt deze tegenstrijdigheid dermate de geloofwaardigheid van uw verder aangehaalde asielproblemen. Verder verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er omtrent de gebeurtenissen van 23 september 2000 (verkrachting vrouw, fysiek geweld ten opzichte van u en uw dochtertje) geen klacht werd ingediend omdat dit toch geen resultaat zou hebben (DVZ, vraag 42). In uw beroepschrift verklaarde u hetzelfde. Tijdens uw interview in dringend beroep verklaarde u echter dat er omtrent de eerste verkrachting geen klacht werd ingediend omdat u bedreigd werd geen klacht in te dienen (CGVS, p 3). Het is merkwaardig dat u twee volledig uiteenlopende versies geeft omtrent de motivatie om geen klacht in te dienen, enerzijds omdat een klacht geen resultaat zou hebben gehad (verhoor DVZ en beroepschrift) en anderzijds omdat u bedreigd werd geen klacht in te dienen (interview in dringend beroep). Daarnaast verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u tijdens de arrestatie op 20 oktober 2000 geslagen werd en er nadien een vloeistof in uw mond gegoten werd waarna u het bewustzijn verloor (DVZ, vraag 42). Tijdens uw interview in dringend beroep verklaarde u dat er een flacon in uw gezicht gespoten werd en dat u bijkwam in een park (CGVS, p 9). In uw beroepschrift verklaarde u echter dat u door de politie geslagen werd tot u het bewustzijn verloor. Wederom laten deze uiteenlopende versies van uw verklaringen twijfels ontstaan over de waarachtigheid ervan. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch-Kazachse bevolking (DVZ, vraag 41-motieven voor het vertrek-; CGVS, p. 3, 4, 13) niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000; 13 november - 19 december 2000; 6 januari - 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000; Le Soir, 20 december 2000; De Standaard -Online-, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Uit voorvermelde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Slavische afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet XIV-8210-3/7 worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging niet op bescherming van de Kazachse overheid kunnen rekenen. Bovendien kan er ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van het door u neergelegde medische attest dat uw ziekenhuisopname van 4 augustus 2000 tot 18 augustus 2000 zou moeten staven. Het attest draagt namelijk de vermelding 'USSR Ministerie van Volksgezondheid'. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september – 10 oktober 2000; vragen Commissariaat-generaal i.v.m. Kazachse dossiers - Sovjetdocumenten) blijkt echter dat er sinds 1995 geen oude Sovjetdocumenten meer worden uitgegeven in Kazachstan. Er kan aldus niet enkel getwijfeld worden aan de authenticiteit van het document zelf, maar eveneens de erop vermeldde gegevens kunnen in twijfel getrokken worden. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de feiten uit 1996, 1997 en 1998 die u aanhaalt, respectievelijk aangaande de aanval op uw vrouw en de daaruit voortvloeiende miskraam in 1996, de miskraam in 1997, de aanval op u en de daaruit volgende miskraam van uw echtgenote in 1998, te ver in het verleden liggen om in aanmerking genomen te worden voor het bepalen van uw actuele vrees en dit om volgende redenen. U verbleef immers na deze feiten nog tot in november 2000 in Kazachstan waardoor er ernstig getwijfeld kan worden aan de door u ingeroepen vrees voor vervolging om op basis van de feiten die zich tot 1998 afspeelden het statuut van vluchteling aan te vragen in november
  10. Bovendien verklaarde u zelf, dat u na de aanval op uzelf en de miskraam van uw vrouw in 1998 geen problemen meer kende tot augustus 2000 (CGVS, p. 12). Tenslotte kan gezien bovenstaande elementen betreffende uw aangehaalde problemen in 2000 die uw geloofwaardigheid dermate ondermijnen ook getwijfeld worden aan het waarachtig karakter van de feiten van 1996 tot
  11. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (identiteitskaart, rijbewijs, geboorteakte dochter, huwelijksakte, brief over afsluiten onderzoek, convocatie, medisch attest, attest ‘exil’) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. (...).”.
  12. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  13. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Het enige middel betreft de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève d.d. 28 juli 1951 betreffende vluchtelingen, artikels 52 et 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikels 1, 2 et 3 van de wet van 29 juli 1991, over de formele motivatie van administratieve aktes. De beslissing zich gebaseerd heeft op wederzijdse tegenstellingen in het verhaal. Het verhaal van verzoeker is zeker gelijk aan het verhaal van zijn echtgenote bovendien vond het CGVS het niet nodig om verzoeker terug uit te nodigen na zijn gewettigde afwezigheid (medisch attest). Aangehaalde tegenstrijdigheden kunnen geen negatieve beslissing staven: - betreffende de meeting van 4 augustus 2000, verzoeker hee(f)t zijn mening gegeven in de groep in dewelke hij aanwezig was, zonder in de tribune te zijn. Er is geen tegenstrijdigheid. - betreffende de klachten, verzoeker was zeer nauwkeurig. Er is geen tegenstrijdigheid. De feiten en hun context zijn niet dezelfde. Voor het eerste probleem, verzoeker was bedreigd . Voor de laatste vervolgingen wist hij dat een aanklacht geen nut maar eerder een tegenovergestelde werking zou hebben. - betreffende de mishandelingen na zijn arrestatie van 20.10.00 zijn er geen tegenstrijdigheden. Verzoeker is geslagen en ze hebben een vloeistof over zijn gezicht en mond gegoten (verdampt of verstoven volgens de vertaling). Hij heeft het bewustzijn verloren. XIV-8210-4/7 - betreffende de situatie van de Kazakken van Russische origine is de situatie heel wat minder klaas als het CGVS zou beweren. Verzoeker heeft geen copy gekregen van de aangeroepen bronnen en is nooit ondervraagd over dit onderwerp. Het is ongetwijfeld onterecht dat het CGVS de geloofwaardigheid van het medische attest (opname in het ziekenhuis) in twijfel durft te trekken. Vele hospitalen gebruiken nog steeds, bij gebrek aan middelen, de oude documenten tot uitputting van stock weliswaar met de stempel van Kazachstan. Tot solt, de feiten van 96, 97, en 98 zijn aangehaald omdat deze de feiten, de problemen die verzoeker kende, zeker niet onschuldig zijn.”; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 1 van de Conventie van Genève, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.
  15. Overwegende dat het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van Vluchtelingen aan de Verdragsluitende Staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, overeenkomstig de artikelen 52, § 2, 2/ en 52, § 1, 2/ a) van de Vreemdelingenwet de vreemdeling niet kan toegelaten worden in de hoedanigheid van vluchteling wanneer zijn aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is of omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1, A

(2)van de Conventie van Genève; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag concludeert en dit omwille van de volgende motieven : “(...) Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er zware tegenstrijdig- en ongerijmdheden zijn tussen uw onderlinge verklaringen (Verhoor Dienst Vreemdelingenzaken van 20 november 2000, beroepschrift 22 december 2000, interview dringend beroep van 13 februari 2001) die toelaten de waarachtigheid ervan in twijfel te trekken. (...) Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch- Kazachse bevolking (...) niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (...) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Uit voormelde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Slavische afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging niet op bescherming van de Kazachse overheid kunnen rekenen. (...) Bovendien kan ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van het door u neergelegde medisch attest (...) Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (...) blijkt echter dat er sinds 1995 geen oude Sovjetdocumenten meer worden uitgegeven in XIV-8210-5/7 Kazachstan. (...) Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de feiten uit 1996, 1997 en 1998 die u aanhaalt, (...), te ver in het verleden liggen om in aanmerking genomen te worden voor het bepalen van uw actuele vrees (...). (...)”; dat in zijn uiteenzetting verzoeker vooreerst stelt dat de aangehaalde tegenstrijdigheden de bestreden beslissing niet kunnen staven; dat uit de vergelijking van verzoekers verklaringen, afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken, neergeschreven in zijn beroepschrift en afgelegd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wel degelijk de vastgestelde tegenstrijdigheden kon afleiden; dat verzoeker stelt dat de situatie van de Kazachen van Russische origine niet zo duidelijk is als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beweert; dat hij eraan toevoegt dat hij geen kopie heeft gekregen van de informatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, noch dat hij daarover ooit is ondervraagd; dat verzoekers algemene bewering niet vermag de conclusie die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steunt op officiële informatie te weerleggen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is om een kopie af te geven van deze informatie aan de verzoeker, noch hem daarover te ondervragen; dat in de bestreden beslissing overigens de bronnen duidelijk worden vermeld; dat, wat het medisch attest betreft, verzoekers opmerking de informatie, waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steunt ter beoordeling van het attest, niet kan weerleggen; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad zou verplichten kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak en deze te beoordelen; dat, wanneer de Raad een administratieve beslissing aan de wet toetst, hij niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat, gelet op het voorgaande dient te worden aangenomen dat het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk te verklaren niet kennelijk onredelijk is; dat verzoeker er niet in slaagt ernstige argumenten aan te brengen die de wettigheid van de bestreden beslissing aantasten; dat het enig middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-8210-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-8210-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.925 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.