← België

Arrest 155932 - - 07/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.932 Rolnummer: A. 167333/XII-4564 Zaak: Arrest 155932 - - 07/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 12:10 Fiche Arrest nr 155.932 van 7 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.932 van 7 maart 2006 in de zaak A. 167.333/XII-

  1. In zake : Geert VERLINDE, die woonplaats kiest bij advocaat K. Bonny, kantoor houdende te Ichtegem-Eernegem, Bruggestraat 5 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 25-Brugge-Oostkust, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Geert Verlinde op 27 oktober 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 augustus 2005 waarbij de algemeen directeur van de scholengroep Brugge-Oostkust zijn definitieve ambtsneerlegging uitspreekt met ingang van 1 september 2005, bekrachtigd door de raad van bestuur bij beslissing van 26 september 2005; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 93 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-4564-1/7 Gelet op de beschikkingen van 19 januari 2006 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Bonny, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden
  3. Overwegende dat de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs op 12 juli 2005 een beroep van verzoeker tegen een tweede opeenvolgende evaluatie ongegrond verklaart; dat tegen die beslissing, zoals verzoeker zelf verklaart, door hem geen annulatieberoep is ingediend; Overwegende dat die beslissing door de secretaris van de raad van beroep op 16 augustus 2005 aan de algemeen directeur van de scholengroep wordt meegedeeld, waarbij in het begeleidend schrijven wordt opgemerkt : “In toepassing van artikel 32 van het Besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het Gemeenschapsonderwijs dient de Raad van Bestuur van scholengroep 25 uitvoering te geven aan deze beslissing. Het dossier zal u, in de gepaste vorm, ter behandeling door de Raad van Bestuur worden aangeboden”; Overwegende dat de algemeen directeur op 29 augustus 2005 besluit “de definitieve ambtsneerlegging met ingang van 1 september 2005 uit te spreken”, waarbij hij onder meer refereert aan het artikel 88 van het toepasselijke XII-4564-2/7 rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 over de definitieve ambtsneerlegging, aan het artikel 30, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs over de beslissingsbevoegdheid van de algemeen directeur in hoogdringende gevallen en aan “het gegeven dat de Raad van Bestuur pas op 26 september aanstaande een vergadering heeft geagendeerd”; Overwegende dat de raad van bestuur op 26 september 2005 beslist “de beslissing bij hoogdringendheid [...] van 29 augustus 2005 [...] te bekrachtigen”; Ten gronde
  4. Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift drie annulatiemiddelen aanvoert; dat hij ter terechtzitting verklaart, na inzage van het administratief dossier afstand te doen van het derde middel; 3.
  5. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 88, 5/, tweede lid, van het rechtspositiedecreet omdat de definitieve ambtsneerlegging is uitgesproken “zonder te voorzien in een opzeg, volgens de formele vereisten van de wet op de arbeidsovereenkomsten”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota met opmerkingen antwoordt dat een TADD-personeelslid zoals verzoeker er een is, luidens de aangevoerde bepaling van het rechtspositiedecreet een opzeggingstermijn krijgt “waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is [het is verwerende partij die onderlijnt] om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheids-vergoedingen te kunnen genieten”, dat die regeling geen vaste termijn bepaalt en aldus verschilt van de ontslagregeling voor tijdelijke personeelsleden die de beoordeling “onvoldoende” kregen (artikel 26 rechtspositiedecreet: opzeggingstermijn van vijftien dagen), dat verzoeker op het ogenblik van de definitieve ambtsneerlegging veertig jaar oud was, dat hij dan 468 dagen gewerkt moet hebben in de loop van de 27 maanden die de aanvraag om uitkering voorafgaan om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsvergoedingen, dat hij in casu vanaf 1 september 2003 als TADD- onderwijzer aangesteld is en -aangezien een volledige opdracht voor een heel schooljaar wordt gerekend aan 250 arbeidsdagen- op het ogenblik van zijn ontslag reeds de toelaatbaarheidsvoorwaarde vervult en bijgevolg onmiddellijk recht heeft op werkloosheidsvergoedingen, dat hij trouwens “onmiddellijk het formulier C4 [heeft] XII-4564-3/7 ontvangen” en zich op basis van dit document had kunnen aanbieden bij de uitbetalingsinstelling van zijn keuze om aanspraak te maken op de onmiddellijke betaling van werkloosheidsvergoedingen; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting nog opmerkt dat zijn definitieve ambtsneerlegging door de RVA beschouwd is als een ontslag om dringende reden; 3.
  6. Overwegende dat artikel 88, inleidende zin en 5/, van het rechtspositiedecreet, zoals het vanaf 1 september 1999 is gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, luidt : “Voor de vast benoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging : [...] 5/ indien zij gedurende twee opeenvolgende schooljaren ‘onvoldoende’ hebben gekregen bij een evaluatie ten aanzien van het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. Die periode wordt opgeschort wanneer het personeelslid geen diensten presteert in het ambt waarvoor de ‘onvoldoende’ is toegekend. Een evaluatie ‘onvoldoende’ die overeenkomstig artikel 69 in behandeling is bij de raad van beroep heeft slechts gevolgen vanaf de datum van de eindbeslissing van de raad van beroep. Er wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens die opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld, wordt het buiten de normen geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de centrale raad en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur die het met een opdracht kan belasten en kan het, naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was. Gedurende die periode kan het personeelslid door de centrale raad en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur met een opdracht worden belast en krijgt de betrokken instelling een uitbreiding van de haar toegekende omkadering noodzakelijk voor de vervanging van dit personeelslid.”; Overwegende dat de bestreden beslissing, die de definitieve ambtsneerlegging van verzoeker uitspreekt, een constitutieve rechtshandeling is die met het oog op het vaststellen van verzoekers rechtstoestand vereist is ter uitvoering van het bepaalde in artikel 88, 5/, eerste lid, van het rechtspositiedecreet; dat, blijkens de bewoordingen van het middel en de verklaring van zijn raadsman ter terechtzitting, het verzoeker er wezenlijk om te doen is de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsvergoedingen te kunnen genieten; dat hetgeen verzoeker met het eerste middel dan ook bestrijdt niet die definitieve ambtsneerlegging is, maar wel het XII-4564-4/7 ontbreken van een opzeggingstermijn; dat de bestreden rechtshandeling evenwel geen uitdrukkelijke beslissing bevat betreffende het al dan niet toekennen aan verzoeker van een opzeggingstermijn; dat, zelfs als wordt aangenomen dat uit dit stilzwijgen een weigeringsbeslissing moet worden afgeleid, de Raad van State moet vaststellen dat verzoeker het eventuele recht op een opzeggingstermijn rechtstreeks put uit artikel 88, 5/, tweede lid, van het rechtspositiedecreet en dat welkdanige uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het schoolbestuur hierover een louter rechtserkennende beslissing is waarbij het bestuur, zonder over enige discretionaire bevoegdheid te beschikken, de algemene regel toepast op de individuele situatie van verzoeker; dat een beoordeling van het middel de Raad van State er toe zou brengen zich uit te spreken over het bestaan en de omvang van een subjectief recht van verzoeker; dat de Raad, gelet op de bevoegdheidverdelende regels vervat in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet daarvoor kennelijk geen rechtsmacht heeft; dat het middel kennelijk onontvankelijk is; 4.
  7. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van artikel 14, § 1, artikel 23, 3/, a, en d, en artikel 30, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs omdat de bevoegdheid om personeel te ontslaan de uitsluitende taak is van de raad van bestuur en niet kan worden gedelegeerd, dat de algemeen directeur een maand de tijd had om de raad van bestuur samen te roepen en heeft nagelaten dit te doen en dat hij zich niet op de hoogdringendheid kon beroepen; Overwegende dat verwerende partij onder meer antwoordt dat de hoogdringendheid er in bestaat dat de definitieve ambtsneerlegging uitgesproken moet worden vóór het nieuwe schooljaar begonnen is, dat er bijgevolg een beslissing moet getroffen worden voor 1 september 2005 en dat blijkens het reglement van orde van de raad van bestuur deze laatste in de maanden juli en augustus “normaliter niet bijeenkomt”; 4.
  8. Overwegende dat artikel 14 van het bijzonder decreet de bevoegdheden van de schooldirecteur opsomt en kennelijk rechtens niet relevant is; Overwegende, wat betreft de vermeende schending van artikel “23, 3/, a” -wellicht bedoelt verzoeker artikel 23, § 1, 3/, a- van het bijzonder decreet, dat de bestreden beslissing kennelijk niet door de algemeen directeur is genomen op grond van een vermeende autonome bevoegdheid en met voorbijgaan van de in die XII-4564-5/7 bepaling aan de raad van bestuur verleende bevoegdheid inzake het personeelsbeleid; dat de algemeen directeur overigens de bestreden beslissing evenmin heeft genomen steunende op een hem door de raad van bestuur verleende delegatie om personeel te benoemen en te ontslaan; dat de algemeen directeur de beslissing klaarblijkelijk heeft genomen bij hoogdringendheid, op grond van het artikel 30, § 2, dat hem die bevoegdheid verleent “om de belangen van de scholengroep te vrijwaren”; dat artikel 23 van het bijzonder decreet kennelijk niet is geschonden; Overwegende, wat dan de hoogdringendheid zelf betreft, dat de Raad de toelichting van de verwerende partij bijvalt; dat de algemeen directeur dit begrip niet heeft miskend door in het belang van de scholengroep aan te nemen dat de door de raad van beroep meegedeelde beslissing tot een definitieve ambtsneerlegging moet leiden vóór de aanvang van het nieuwe schooljaar en door, gelet op het reglement van orde van de raad van bestuur, die ambtsneerlegging die toch aan het schoolbestuur geen beoordelingsruimte laat, reeds zelf uit te spreken en ze op de eerstvolgende raad van bestuur ter bekrachtiging voor te leggen; dat ook artikel 30, § 2, kennelijk niet is geschonden; Overwegende dat het middel in zijn geheel kennelijk ongegrond is;
  9. Overwegende dat het beroep kennelijk niet-gegrond is;
  10. Overwegende dat de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, hetzelfde lot dient te ondergaan, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. XII-4564-6/7 De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Het ten onrechte gekweten zegelrecht van 175 euro op het beroep tot nietigverklaring, dient aan verzoeker te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4564-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.