id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.977 Rolnummer: A. 125069/XIV-11188 Zaak: Arrest 155977 - - 07/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 12:12 Fiche Arrest nr 155.977 van 7 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 155.977 van 7 maart 2006 in de zaak A. 125.069/XIV-11.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT Kortrijksesteenweg 648 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 februari 1970, en XXX, geboren op 10 mei 1973, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 7 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juni 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, en van de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 juli 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, alle beslissingen aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 8 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 14 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XIV-11.188-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 24 augustus 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 25 augustus 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 22 december 1998 en verklaren zich vluchteling op 24 september
- 1.
- Op 10 januari 2001 neemt de Vaste Beroepscommissie voor Vluchte- lingen de beslissingen waarbij het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 september 2000 tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, onontvankelijk wordt verklaard. Tegen deze beslissingen dienen verzoekers geen beroep in bij de Raad van State. 1.
- Op 8 februari 2001 dienen verzoekers een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 30 april 2002 worden aan verzoekers de bevelen ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 april 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze bevelen steunen onder meer op het motief dat verzoekers niet erkend werden als vluchteling (artikel 77 van het koninklijk besluit van XIV-11.188-2/7 8 oktober 1981). Verzoekers dienden geen beroep in bij de Raad van State tegen deze bevelen. 1.
- Op 18 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing werd op 8 juli 2002 aan verzoekers betekend en is de eerste bestreden beslissing, waarvan de motieven als volgt luiden: “(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Dat de betrokkenen geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, dat ze vier minderjarige kinderen hebben waarvan er drie school lopen, dat zij Nederlands spreken en in België veel kennissen hebben, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de Vreemdelingenwet in België verantwoorden. De betrokkenen wisten dat hun verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. Hier dient opgemerkt te worden dat de duur van de asielprocedure niet van onredelijk lange duur was. De elementen van integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform artikel 9, 2 van de wet van 15/12/1980 ingediend wordt. Tenslotte kan ook het feit dat de betrokkenen stappen gezet hebben voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie niet weerhouden worden om een machtiging tot verblijf op basis van art. 9 in België toe te staan. (...).”; 1.
- Op 8 juli 2002 worden aan verzoekers de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied te verlaten van dezelfde datum, ter kennis gebracht. Dit zijn de tweede en de derde bestreden beslissingen.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat in het Auditoraatsverslag ambtshalve wordt opgeworpen dat het beroep tegen de tweede en de derde bestreden beslissingen niet ontvankelijk is; Overwegende dat aan beide verzoekers op 30 april 2002 bevelen van dezelfde datum werden ter kennis gebracht om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoekers geen beroep hebben ingesteld tegen deze bevelen; dat deze bevelen definitief en uitvoerbaar zijn; dat verzoekers, bij een eventuele vernietiging van de huidige bestreden bevelen, nog steeds onder de gelding van de bevelen van 30 april 2002 vallen; dat verzoekers bijgevolg geen rechtens vereist wettelijk belang hebben bij het aanvechten van de bevelen van 8 juli 2002; dat de exceptie betreffende de tweede en de derde bestreden beslissing, die ambtshalve wordt opgeworpen en geanalyseerd in het Auditoraatsverslag, gegrond is, en dat bijgevolg dit beroep onontvankelijk is; XIV-11.188-3/7
- Over de gegrondheid. 3.
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoekers aanvoeren dat de Minister niet motiveert waarom de kennis van het Nederlands, het hebben van Belgische kennissen en de aanwezigheid van vier minderjarige kinderen waarvan er drie school lopen in België, geen uitzonderlijke omstandigheden uitmaken en dat de eerste bestreden beslissing bijgevolg niet afdoende is gemotiveerd; 3.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aang- evraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging in België te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke XIV-11.188-4/7 buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om verzoekers een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of hun aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandighe- den die verzoekers hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat verzoekers de volgende omstandigheden aanvoeren in hun aanvraag: - verzoekers verblijven reeds lange tijd in België en hun kinderen lopen hier school, zodat de aanvraag niet in het land van herkomst kan worden ingediend; - verzoekers zijn geïntegreerd in de Belgische samenleving: zij hebben vier minderjarige kinderen, waarvan er drie in Antwerpen school lopen, zij spreken Nederlands en zij hebben hier in België veel kennissen; - er zijn stappen gezet voor het indienen van een beroep tegen de beslissingen van de Vaste beroepscommissie; Overwegende dat desbetreffend de eerste bestreden beslissing het volgende overweegt: - de integratie van betrokkenen in de Belgische samenleving, de aanwezigheid van vier minderjarige kinderen in België waarvan er drie school lopen, de omstandigheid dat ze Nederlands spreken en in België veel kennissen hebben, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van de aanvraag op grond van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet, in België verantwoorden; - verzoekers wisten dat hun verblijf enkel werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden moeten verlaten, bovendien was de asielprocedure van verzoekers niet van lange duur; - de elementen van integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform artikel 9, 2, van de Vreemdelingenwet wordt ingediend; - dat verzoekers stappen hebben gezet om een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen de beslissingen van de Vaste beroepscommissie, kan niet volstaan om een machtiging tot verblijf in België toe te staan; XIV-11.188-5/7 Overwegende dat hieruit blijkt dat de aanvraag van verzoekers grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van het dossier; dat de eerste bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat verzoekers de schending van het zorgvuldigheidsbe- ginsel niet met concrete gegevens staven; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen wat de eerste bestreden beslissing betreft, en onontvankelijk verklaard wat de tweede en de derde bestreden beslissingen betreft. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-11.188-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.188-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.