id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.996 Rolnummer: A. 124123/VII-27291 Zaak: Arrest 155996 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 12:23 Fiche Arrest nr 155.996 van 8 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 155.996 van 8 maart 2006 in de zaak A. 124.123/VII-27.291 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kosovaarse nationaliteit, op 18 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 118.533 van 23 april 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt bevolen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.291-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- De verzoekende partij is door de Commissie op 12 december 2000 gehoord. 1.
- De tweede Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 10 januari 2001 een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij Dit advies luidt als volgt: “(...)
- Nopens het verblijf op het grondgebied op 1 oktober
- In overeenstemming met de gegevens vervat in de nota van het Onderzoekssecretariaat staat, aan de hand van de voorliggende stukken, onbetwistbaar vast dat betrokkene op 1 oktober 1999 op het grondgebied verbleef.
- Nopens het regularisatiecriterium (volgens aanvraag) namelijk de onmogelijkheid tot terugkeer naar het land van herkomst - artikel 2,2/ van de wet van 22 december
- In tegenstelling tot de zienswijze van het Onderzoekssecretariaat voldoet betrokkene wel aan voormeld criterium op grond van volgende overwegingen. Nu geen doorslaggevende redenen voorhanden zijn om te twijfelen aan de nationaliteit van de aanvrager en moet aangenomen worden dat betrokkene zijn land van herkomst heeft moeten verlaten in een dramatische oorlogssituatie met achterlating van al zijn hebben, neemt de Commissie aan dat hij, om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst waarvan hij de nationaliteit draagt, namelijk KOSOVO. Aan de hand van de eigen verklaring van aanvrager mag aangenomen worden dat hij als Kosovaar van Albanese afkomst en actief lid van de gematigde LDK partij in zijn land ernstig gevaar loopt, mogelijks levensgevaar, nu leden van zijn partij het slachtoffer zijn van na-oorlogse afrekeningen, vanwege de radicaal nationalistische UCK beweging of van andere private milities van Servische afkomst. VII-27.291-2/6 Als leraar in zijn dorp liep hij in de kijker en zou zijn gefolterd; bij heeft een traumatische angst opgelopen die hem belet om nog terug te keren naar KOSOVO. Op 17 maart 1999 liet betrokkene zich registreren als vluchteling in België: op 7 september 1999 kreeg hij het bevel om het grondgebied te verlaten en een schorsend beroep bij het CGVS werd op 4 april 2000 niet ontvankelijk verklaard. Thans is een procedure hangende voor de Raad van State. De Commissie is echter van oordeel dat niet kan gesteld worden dat de redenen aangehaald door aanvrager manifest onjuist en/of tegenstrijdig zijn en heeft oor naar de chaotische na-oorlogse situatie in KOSOVO, waarbij bloedige afrekeningen tussen de rivaliserende partijen een realiteit vormen. Terloops kan nog gewezen worden op het feit dat betrokkene ernstige inspanningen heeft geleverd om zich in onze gemeenschap goed te integreren, door Nederlands te leren en te pogen zich in te schakelen in het legale arbeidscircuit, waardoor hij in ons land duurzame sociale bindingen aan het ontwikkelen is.”. 1.
- Op 9 april 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van regularisatie van de verzoekende partij. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat de 2e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een gunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt, door u ingediend bij de Burgemeester te ANTWERPEN, op 28 januari 2000 en dat het nummer 26002000012803790 draagt; Overwegende dat u zich bij uw regularisatieverzoek beriep op criterium 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat u om redenen onafhankelijk van uw wil niet kan terugkeren naar het land of de landen waar u voor aankomst in België gewoonlijk verbleven heeft, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan u de nationaliteit heeft; Overwegende dat eveneens stukken werden toegevoegd welke betrekking lijken te hebben op het criterium van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat u humanitaire redenen meent te kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land zou hebben ontwikkeld; dat deze voorgelegde elementen dan ook in deze beslissing worden bestudeerd; Overwegende dat bij het opstellen van deze beslissing het dossier gehouden door de Dienst Vreemdelingenzaken werd geconsulteerd; Overwegende wat het criterium van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreft dat u verklaart niet terug te kunnen keren naar Kosovo, het land waarvan u de nationaliteit zou hebben; Overwegende dat kan worden gesteld dat de situatie in Kosovo dermate gewijzigd is, dat overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, de Servische troepen en autoriteiten zich hebben teruggetrokken uit Kosovo en dat de regio onder internationaal toezicht en bestuur werd geplaatst; Overwegende dat in het geval van mogelijke problemen u zich tot dit internationaal bestuur, gevestigd in Kosovo, kan wenden; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in zijn bevestigende beslissing van weigering van verblijf van 4 april 2000 stelde dat de asielaanvraag onontvankelijk was en dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar. volgens uw verklaring uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren; Overwegende dat derhalve niet wordt aangetoond dat u inderdaad in de onmogelijkheid verkeert, om redenen onafhankelijk van uw wil, terug te keren naar Kosovo; Overwegende dat volgens artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 verzoeker die zich beroept op artikel 2, 4/ van dezelfde wet van 22 december 1999 dient aan te VII-27.291-3/6 tonen dat zijn of haar aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat verzoeker wettig in België verbleven heeft en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat verzoeker in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat er geen sprake is van minderjarige kinderen die op het ogenblik van het regularisatieverzoek, te weten 28 januari 2000, de leeftijd hebben om naar school te gaan., en op 1 oktober 1999 in België verbleven; Overwegende dat u derhalve dient aan te tonen dat op het ogenblik van uw aanvraag uw aanwezigheid in België derhalve teruggaat tot meer dan zes jaar, - dat u op het ogenblik van uw asielaanvraag verklaarde op 16 maart 1999 in België te zijn gearriveerd; dat u derhalve niet kan aantonen op het ogenblik van de aanvraag, te weten 28 januari 2000, meer dan zes jaar in België te hebben verbleven; Overwegende dat geen verklaring werd toegevoegd welke stelt dat u in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het land te verlaten; dat zelfs indien een dergelijke verklaring werd toegevoegd vaststaat dat u wel degelijk een dergelijk bevel heeft ontvangen, te weten de "beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten" van de Dienst Vreemdelingenzaken, op 7 september 1999 aan u betekend; dat dit bevel werd bevestigd door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 5 april 2000; dat hoe dan ook u in onderhavige situatie vijf jaar in België dient te verblijven op het ogenblik van uw regularisatieverzoek; Overwegende dat u op het ogenblik van de aanvraag, te weten op 28 januari 2000, geen wettig verblijf bezat in de zin van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende derhalve dat u niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende dat de 2e Kamer van de Commissie voor Regularisatie stelt u ernstige inspanningen heeft geleverd om zich in onze gemeenschap goed te integreren, door Nederlands te leren en te pogen zich in te schakelen in het legale arbeidscircuit, waardoor u in ons land duurzame sociale bindingen aan het ontwikkelen is; Overwegende dat de ingeroepen redenen voor het regularisatieverzoek die zowel door de Commissie voor Regularisatie als door de Minister worden geëvalueerd dienen te gelden op het ogenblik van de aanvraag. in het geval van verzoeker is dit 28 januari 2000; Overwegende dat de voorliggende bewijsstukken onvoldoende aantonen dat er voor u humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aanwezig zijn; dat u in België arriveerde in de loop van maart 1999, dat dit betekent dat u op het ogenblik van het verzoek slechts tien maanden in België verbleef, dat deze periode bijzonder kort is; dat het derhalve bijzonder moeilijk is aan te tonen in een periode van tien maanden zich op dergelijke wijze in een samenleving te integreren dat men in het gastland duurzamer sociale bindingen zou hebben ontwikkeld dan in het land van herkomst, waar men zijn hele leven heeft doorgebracht en waarvan men de taal spreekt; Overwegende dat op basis van de voorgelegde elementen niet kan worden geconcludeerd dat u in januari 2000 humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen kon laten gelden; BESLUIT: De regularisatieaanvraag nr. 16002000012803790, ingediend door mijnheer H. M. op 28 januari 2000 bij de Burgemeester van ANTWERPEN wordt afgewezen, ondanks het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie.". Dit is de bestreden beslissing. VII-27.291-4/6
- Beoordeling. De verzoekende partij stelt in een tweede middel dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is omdat in een gelijkaardig geval de verwerende partij wel beslist heeft om een vreemdeling te regulariseren. Zij voegt dit gunstige advies van de Commissie bij het verzoekschrift en stelt dat dit advies, door de Commissie gegeven nadat de betrokken regularisatieaanvrager, F. M., op dezelfde dag als de verzoekende partij voor deze Commissie is verschenen, werd gevolgd door een gunstige beslissing van de verwerende partij. Zij stelt dat “het een evidente schending [is] van het gelijkheidsprincipe waar de Minister van Binnenlandse Zaken in twee tweelingdossiers twee uiteenlopende beslissingen neemt” en dat er “alleszins geen enkele motivering aanwezig [is] die de discriminatie zou kunnen verantwoorden”. De verwerende partij stelt daartegenover dat de beoordeling van een aanvraag individueel verloopt, en dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden voor zover de bestreden beslissing op redelijke basis werd genomen en in het kader van een individueel gericht onderzoek. Omwille van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, moeten de beslissingen van de verwerende partij in beginsel een zekere continuïteit vertonen. Als op korte tijd in min of meer gelijkaardige dossiers anders wordt beslist, moet uit de motivering van de afwijkende beslissing of uit het dossier blijken dat de gewijzigde opvatting volgt uit een nieuw onderzoek van de gegevens van de regularisatieaanvraag. De verwerende partij toont niet aan dat dit te dezen het geval is. Het middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2002 tot weigering van regularisatie van de verzoekende partij. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-27.291-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.291-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.996 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div