← België

Arrest 155997 - - 08/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.997 Rolnummer: A. 131172/VII-28633 Zaak: Arrest 155997 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 12:24 Fiche Arrest nr 155.997 van 8 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 155.997 van 8 maart 2006 in de zaak A. 131.172/VII-28.633 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue du Général Bertrand 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 27 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 november 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk werd verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 december 2002; Gelet op de beschikking van 15 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; VII-28.633-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. GARDIN, die, loco advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten 1.
  2. De verzoekende partij die België was binnengekomen op 1 juni 2000 en aan wie het verblijf in de hoedanigheid van vluchteling geweigerd werd, diende op 20 september 2001 een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  3. Op 14 november 2002 nam de verwerende partij de beslissing waarbij die aanvraag als onontvankelijk wordt afgewezen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: "(...) er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 22/05/2001 en ter kennis gegeven op 28/05/
  4. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkenen goed ingeburgerd zijn en Nederlands geleerd hebben, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  5. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. Gelieve betrokkenen mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, VII-28.633-2/5 overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  6. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hun een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat zij voor kennisname hebben getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in uw gemeente verblijven en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van uw bevindingen.". Dit is de bestreden beslissing.
  7. Beoordeling 2.1.
  8. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van het recht van verdediging, van het beginsel van het recht op een eerlijk proces en van het beginsel van de tegenspraak. De verzoekende partij stelt onder meer dat de bestreden beslissing ten aanzien van haar niet ontvankelijk is, omdat deze enkel aan haar echtgenoot werd betekend. 2.1.
  9. De aangehaalde beginselen zijn enkel van toepassing op jurisdictionele procedures en niet op een administratieve procedure zoals deze voorzien door artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De wijze waarop van een beslissing kennis wordt gegeven tast de rechtmatigheid van een beslissing niet aan. Het middel is niet gegrond. 2.2.
  10. In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van artikel 3 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van artikel 26 van het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, van artikel 14 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), van artikel 4 van het vierde protocol bij dit verdrag en van artikel 1 van het twaalfde protocol bij datzelfde verdrag. De verzoekende partij betoogt in wezen dat er geen geïndividualiseerde beslissing is, maar dat de verwerende partij eigenlijk steeds dezelfde beslissing neemt tegenover de onderdanen van het land van herkomst van de verzoekende partij, wat neerkomt op een collectieve beslissing. VII-28.633-3/5 2.2.
  11. De verzoekende partij reikt geen enkel concreet element aan waaruit zou kunnen blijken dat haar aanvraag niet individueel zou zijn behandeld. Voor het overige beperkt het middel zich tot het formuleren van vage en algemene beweringen betreffende de situatie in het land van herkomst, die reeds in het kader van het onderzoek van de asielaanvraag werden onderzocht en te licht bevonden. Het middel is niet gegrond. 2.3.
  12. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 van de universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève, van artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij tracht de vastgestelde tegenstrijdigheden te verklaren om aldus aan te tonen dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is. 2.3.
  13. De universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 is een beginselverklaring die geen rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde. De Conventie van Genève verbiedt niet dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring, zoals de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling is echter te dezen niet van toepassing, nu het niet gaat om een beslissing betreffende een asielaanvraag maar om een beslissing genomen na een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. De door de verzoekende partij in het middel gegeven omstandige uiteenzetting lijkt er van uit te gaan dat de verwerende partij een asielaanvraag heeft behandeld, maar mist echter feitelijke grondslag. Artikel 3 van het E.V.R.M., volgens hetwelk niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing. De uiteenzetting van het middel is echter summier en de verzoekende partij beperkt zich tot loutere affirmaties. Zij blijft in gebreke bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van voornoemde verdragsbepaling. Het middel is niet gegrond. VII-28.633-4/5 2.4.
  14. In een vierde middel wordt de schending ingeroepen van artikel 13 van het E.V.R.M., van artikel 16 van de Conventie van Genève en van het recht te beschikken over een daadwerkelijk rechtsmiddel in geval van inbreuk op een fundamenteel recht. 2.4.
  15. De verzoekende partij zet niet uiteen hoe en waarin haar beweerd “fundamenteel recht” te dezen zou zijn geschonden. Het middel is niet gegrond.
  16. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Het beroep tot nietigverklaring wordt derhalve verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-28.633-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.997 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.