id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.001 Rolnummer: A. 127038/VII-27886 Zaak: Arrest 156001 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 12:25 Fiche Arrest nr 156.001 van 8 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.001 van 8 maart 2006 in de zaak A. 127.038/VII-27.886 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Georgische nationaliteit, op 21 september 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 december 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 september 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; VII-27.886-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat P. VAN HOECKE, verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché M. HUYGHE , die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 5 juli 1999 en verklaarden zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 17 december 1999 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 augustus 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen onontvankelijk waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "(...) U, een Georgisch staatsburger, verklaarde tijdens uw verhoor voor het Commissariaat-generaal dat u goed bevriend was met de familie van Gotcha Esebua. Gotcha Esebua had in februari 1998 vier militaire waarnemers van de VN korte tijd gegijzeld. In maart 1998 werd Gotcha door de Georgische overheid doodgeschoten. Tijdens de begrafenis, waar u op aanwezig was, werden verschillende personen gedood en gewond. Eind november 1998 werd u door veiligheidsagent Koko Arnania benaderd. Op 25 februari 1999 werd u voor de tweede maal benaderd. Er werd u gevraagd met hen mee te werken tegen de familie van Esebua. U beloofde de nodige informatie mee te delen als u iets wist. Op 31 maart 1999 zou er een grote herdenkingsbijeenkomst worden gehouden ter nagedachtenis van Gotcha. Omdat de overheid vermoedde dat er belangrijke informatie zou gegeven worden tijdens deze bijeenkomst werd u door de politie op 29 maart 1999 uitgenodigd. Op 2 april 1999 werd u nogmaals uitgenodigd door de politie. U vertelde hen wat u gehoord had tijdens deze bijeenkomst. Een politieagent verweet u dat u iets verborg en bedreigde u. Nog diezelfde dag trok u naar Tblissi waar u verbleef bij uw broer. Op 28 april 1999 kwam de politie bij uw broer langs en liet er een convocatie achter voor u. Op 30 april 1999 VII-27.886-2/7 bood u zich aan op het politiebureau van Tblissi. Er werden vragen gesteld over enkele personen die aanwezig waren geweest bij de herdenkingsbijeenkomst. Op 17 mei 1999 kwamen twee politieagenten langs bij uw broer. Ze vertelden uw echtgenote XXX (OV 4.851.924) dat u niet was komen opdagen voor een verhoor. Op 18 mei 1999 ging u nogmaals naar het politiebureau en vertelde wat er zich de dag voordien had afgespeeld. Daarop begon men u uit te lachen. Op 19 mei 1999 keerde u terug naar de stad Zugdidi. Op 21 mei 1999 werd u na het werk opgewacht door enkele agenten van Zugdidi. Ze wilden weten wat u aan de politie van Tblissi had verteld. Volgens uw verklaringen was er een "informatiestrijd" aan de gang tussen de politie van Zugdidi en Tblissi. Op 31 mei 1999 bood u zich opnieuw aan op het politiebureau. Men vroeg u of u als getuige wou optreden in de rechtbank. U weigerde echter, waarop de agenten u en uw gezin bedreigden. Vanaf dat ogenblik zocht u naar hulp. Op 10 juni 1999 had u een ontmoeting met parlementslid Tengzie Djgushia die op dat moment voor een meeting in Zugdidi was. Op 16 juni 1999 ontmoette u het parlementslid in Tbilissi. Het parlementslid stelde zich echter gereserveerd op en u verkreeg dan ook geen hulp. Op 18 juni 1999 kwamen er twee politieagenten langs bij uw echtgenote. Zij werd enkele uren vastgehouden op het politiebureau. Nog diezelfde dag bracht uw neef uw echtgenote over naar Tblissi waar u op dat ogenblik verbleef. Op 19 juni 1999 had u een ontmoeting met onderzoeker Gachechildze in Tblissi. Op het politiebureau ontmoette u ook Zarianda. Zarianda was een aanhanger van ex-president Gamsachurdia en opdat ogenblik lid van een oppositiepartij. Door deze ontmoeting op het politiebureau werd u bang omdat Zarianda u mogelijks kon aanzien als verrader. Volgens uw verklaringen was de ontmoeting met Zarianda opgezet spel van de onderzoekers om u onderdruk te zetten. Op 20 juni 1999 kreeg u een convocatie waarna u uw oom contacteerde. Uw oom vertelde dat het gevaarlijk werd en regelde uw reis naar Europa. U vertrok op 25 juni 1999 samen met uw echtgenote in de richting van België waar u op 5 juli 1999 de status van vluchteling aanvroeg. U legde in het kader van uw asielaanvraag volgende documenten voor: uw rijbewijs, uw huwelijksakte, twee brieven van uw werkgever, een identiteitsbewijs van uw werk en een krantenartikel. Er dient te worden opgemerkt dat door tegenstrijdigheden in uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal, enerzijds met uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en anderzijds met informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal, de geloofwaardigheid van uw asielrelaas op substantiële wijze wordt aangetast. Ten eerste over de begrafenis van Gotcha Esebua waarbij u aanwezig was, verklaarde u tijdens u verhoor in dringend beroep van 1 februari 2000 dat vier doden en vijftien gewonden vielen (CGVSI, pp.6-7). Uit informatie beschikbaar voorhanden op het Commissariaat-generaal blijkt echter dat er tijdens deze begrafenis vijf mensen werden gedood en acht werden verwond. Ten tweede over de drie personen Akapidze, Pipia en Uchanhvili, waar de politie naar informeerde, verklaarde u tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u deze personen wel kende doch slechts oppervlakkig omdat ze alledrie ondergedoken leefden (DVZ, vraag 42). Terwijl u tijdens uw verhoor in dringend beroep beweerde u dat deze drie personen een gewoon leven leiden in de stad Zugdidi en niet ondergedoken leefden. U kwam ze regelmatig tegen in de straten van Zugdidi (CGVSI, p.8 en 11 en CGVSII, p.2) Ten derde verklaarde u tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 29 maart 1999 enkel contact had met Sakhokia (DVZ, vraag 42) terwijl u tijdens uw eerste verhoor in dringend beroep stelde u dat u werd ondervraagd door Soknokia en Kwaska (CGVS 1, p.8). Ten vierde over uw bezoek aan het politiebureau op 19 juni 1999 verklaarde u tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat Gachichiladze tegen u vertelde dat er u van beschuldigd kon worden dat u ontmoetingen regelde tussen Gocha en Sergo, Gocha's vader, toen de politie Gocha aan het zoeken was (DVZ, vraag 42). Terwijl u tijdens uw verhoor in dringend beroep van 27 maart 2001 beweerde dat de politie geen concrete beschuldigingen vernoemde maar dit deed in algemene termen (CGVSII, p.7) Ten vijfde verklaarde u over uw contacten ontmoetingen met het parlementslid Djushia tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u hem op 10 juni 1999 consulteerde en hem op 19juni 1999 Djushia ontmoette(DVZ, vraag 42). Tijdens uw eerste verhoor in dringend beroep stelde u dat u het parlementslid op 10 juni 1999 ontmoette (CGVS 1, p.14) en hem op 16juni 1999 belde (CGVS 1, p. 15). Bij uw VII-27.886-3/7 eerste verklaring voor het Commissariaat-generaal maakte u geen melding van een tweede ontmoeting op 19 juni 1999 (verhoorverslag CGVS). Tijdens uw tweede interview voor het Commissariaat-generaal stelde u Djushia op 10 juni 1999 voor het eerst te hebben ontmoet en later, op 16 of 17 juni 1999, een vergadering met hem te hebben gehad (CGVS, p.6). En ten zesde verklaarde u tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 20 juni 1999 een convocatie kreeg om de volgende dag naar het politiekantoor te gaan (DVZ, vraag 42). Tijdens uw verhoor in dringend beroep van 1 februari 2000 ontkende u echter dat na 19 juni 1999 nog een convocatie heeft gekregen. (CGVSI, p. 17). Na al het voorgaande kan er geen geloof meer worden gehecht aan uw asielrelaas. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat ze de geloofwaardigheid van uw verklaringen zouden kunnen herstellen.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 maart 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring oflen een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". Dit zijn de bestreden beslissingen.
- Beoordeling 2.
- In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partijen leveren kritiek op de inhoud van de motivering van de twee bestreden beslissingen en trachten de in de eerste bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden te ontkrachten of verklaren. Wat de tweede bestreden beslissing betreft zetten de verzoekende partijen uiteen dat de tweede verzoekende partij, omwille van zwangerschap geen gevolg had kunnen geven aan de oproeping, maar dat zij haar vluchtrelaas aangetekend had bezorgd aan de commissaris-generaal. VII-27.886-4/7 De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kenden, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpen. Zij hebben dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de eerste verzoekende partij, werden in de eerste bestreden beslissing weergegeven. Die beslissing is bijgevolg naar behoren formeel gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren. De toetsing van de formele motivering houdt overigens in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. In de mate waarin de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, slagen zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij immers niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld noch dat de motieven kennelijk onredelijk zouden zijn. Van de kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat- vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De commissaris-generaal stelt in het huidige geval op redelijke gronden vast dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eerste verzoekende partij ondermijnen. Het feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de appreciatie van de commissaris- generaal maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. VII-27.886-5/7 De bedenkingen in verband met het al dan niet gevolg geven aan de oproeping voor verhoor hebben geen uitstaans met de motiveringsplicht. Het middel is niet gegrond. 2.
- In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van het recht van verdediging. Het beginsel van het recht van verdediging is als dusdanig niet van toepassing in de administratieve procedure zoals voorzien door de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 2.
- In een derde middel wordt de schending ingeroepen van “het beginsel van behoorlijk bestuur in verband met het verloop van de procedure en het nemen van een tijdige beslissing”. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissingen niet tijdig werden genomen, zijnde 31 maanden na het eerste verhoor in dringend beroep en 17 maanden na het tweede verhoor. De vernietiging van de bestreden beslissingen wegens de beweerde miskenning van de redelijke termijneis zou tot gevolg hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissingen, die een weigering inhielden, herleven. De verzoekende partijen hebben dan ook geen belang bij het inroepen van dit middel. Het middel is niet gegrond.
- De verzoekende partijen hebben geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Het beroep tot nietigverklaring wordt derhalve verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-27.886-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.886-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.