id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.005 Rolnummer: A. 132690/VII-28951 Zaak: Arrest 156005 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 12:25 Fiche Arrest nr 156.005 van 8 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.005 van 8 maart 2006 in de zaak A. 132.690/VII-28.951 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 27 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van 1 februari 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken; Gelet op het arrest nr. 115.806 van 12 februari 2003 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt bevolen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-28.951-1/4 Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- De verzoekende partij, die beweert afkomstig te zijn uit Grozny (Tsjetsjenië) verklaarde zich op 9 oktober 2000 vluchteling in België. Overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) werd het Frans als proceduretaal bepaald. 1.
- Op 24 januari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 11 september 2002 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
- Tegen deze weigeringsbeslissing heeft de verzoekende partij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend (127.875/E/8801). Deze zaak werd nog niet voor behandeling vastgesteld. 1.
- Op 1 februari 2003 werd aan de verzoekende partij, die in Antwerpen verblijft, aldaar een bevel om het grondgebied te verlaten betekend, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Dit bevel is gegrond op artikel 7, eerste lid, 1/ van de Vreemdelingenwet.
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, kan de thans bestreden beslissing niet worden afgedaan als een loutere uitvoeringsmaatregel, die niet meer zou doen dan de eerder door de minister van Binnenlandse Zaken op 24 januari 2001 VII-28.951-2/4 gegeven weigering van verblijf te herhalen en die de verblijfstoestand van de verzoekende partij niet zou wijzigen. Het thans bestreden bevel werd gegeven op grond van artikel 7, eerste lid, 1/ van de Vreemdelingenwet en spreekt in het geheel niet over de weigering van verblijf omdat de asielaanvraag niet-ontvankelijk was.
- De verzoekende partij zet in haar middel onder meer uiteen dat : “de bestreden beslissing voorbij gaat aan de bepalingen van de artikelen 3 en 13 van het E.V.R.M. verdrag en het non-refoulement-beginsel, nu het vaststaat dat op het huidig ogenblik het Russisch-Tsjetsjeens conflict niet ten einde is, er op dit ogenblik geen enkele reden is te twijfelen aan het feit dat de verzoekende partij in verband met dit conflict gezocht wordt door de Russische autoriteiten, hij Tsjetsjenië en de Russische federatie is ontvlucht; Dat bij een eventuele terugkeer naar de Russische Federatie, de verzoekende partij riskeert op een wijze behandeld te worden, die niet strookt met de bepalingen van art. 3 E.V.R.M.; Dat volgens het UNHCR op plaatsen buiten Tsjetsjenië en Ingoesjetië, geen reëel binnenlands vestigingsalternatief bestaat binnen de Russische Federatie; Dat Ingoesjetië op het huidig ogenblik niet als een redelijk vestigingsalternatief voor Tsjetsjeense asielzoekers kan worden aangehouden, omwille van de overbevolking en de overbelaste infrastructuur (Ambtsbericht Kaukasus, p. 28 en 29); Dat de oorlog in Tsjetsjenië immers onverminderd voortgaat en de Russische autoriteiten nog maar onlangs op de vingers werden getikt door de Europese instanties omwille van de wijze, waarop de oorlog wordt gevoerd.”; De verwerende partij antwoordt daarop dat uit de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 september 2002 blijkt dat de verzoekende partij niet op pertinente wijze de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. kan inroepen. Zij citeert een passage uit deze beslissing, waaruit blijkt dat de verzoekende partij kan worden teruggeleid naar haar land van herkomst. De verwerende partij betwist niet dat de verzoekende partij afkomstig is uit Grozny (Tsjetsjenië), dat aldaar een oorlogssituatie heerst en dat zij die streek en haar land van herkomst heeft verlaten omwille van vervolgingen die verband houden met dit conflict. Evenmin wordt de uiteenzetting van de verzoekende partij betwist dat deze over geen ander vestigingsalternatief beschikt dan in voornoemde streek en dat, gelet op de daar heersende conflictsituatie kan worden gevreesd dat haar leven en veiligheid daar in gevaar komen. In de gegeven omstandigheden kan worden aangenomen dat de verzoekende partij, gelet op dit conflict, in haar land van herkomst een onmenselijke behandeling dreigt te kunnen ondergaan. Haar beweringen worden ondersteund door het door haar neergelegd document (Ambtsbericht Kaukasus), waarvan de herkomst niet wordt betwist en de inhoud niet wordt weerlegd door de verwerende partij. De door de verwerende partij geciteerde passage uit de beslissing van de commissaris-generaal, die het voorwerp uitmaakt van een annulatieberoep bij de Raad van State, weerlegt deze bewering niet. Het middel is gegrond. VII-28.951-3/4 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2003 houdende het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-28.951-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.005 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div