← België

Arrest 156007 - - 08/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.007 Rolnummer: A. 123117/VII-27090 Zaak: Arrest 156007 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 12:26 Fiche Arrest nr 156.007 van 8 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.007 van 8 maart 2006 in de zaak A. 123.117/VII-27.090 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ghanese nationaliteit, op 27 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 maart 2002 waarbij verzoeker wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van het bevel om het grondgebied te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 mei 2002; Gelet op het arrest nr. 131.273 van 11 mei 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; VII-27.090-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij diende op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.2. Op 10 oktober 2001 bracht de Kamer van de Commissie voor Regularisatie een gunstig advies uit betreffende de regularisatieaanvraag van de verzoekende partij. 1.3. Op 26 maart 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999, aan verzoeker ter kennis gebracht op 28 mei 2002. Dit is de eerste bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: "Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1984, 14 juli 1987, 18 juli 1991, 6 mei 1993, 10 en 15 juli 1996, 9 maart 1998, 29 april 1999 en 7 mei 1999, inzonderheid de artikelen 20 en 21; Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europese Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de Mens en van de fundamentele Vrijheden; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 27 januari 2000, door XXX geboren op 2 februari 1952 te Accra van Ghanese nationaliteit, alias XXX geboren op 25 december 1949 te Herbel van Liberiaanse nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag het criterium

(4)werd aangevoerd; Overwegende dat betrokkene zich op 22 december 1992 vluchteling verklaarde en die hoedanigheid hem op 14 april 1993 werd geweigerd met bevel het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen hem rechtstreeks betekend; VII-27.090-2/5 Overwegende dat hij op 14 januari 1994 een verzoekschrift indiende bij de Raad van State tot schorsing van het bevel om het grondgebied te verlaten en dat deze vordering op 14 maart 1993 werd verworpen; Overwegende dat hij dienvolgens niet meer gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk; Overwegende dat hij op 25 november 1997 opgesloten bleef ter beschikking van de Dienst Vreemdelingenzaken met het oog op zijn repatriëring en dat hij op 19 maart 1998 werd vrijgesteld en dat hem op 20 maart 1998, via de gevangenis, een bevel werd gegeven het grondgebied te verlaten gezien de Dienst Vreemdelingenzaken geen reisdocumenten kon bemachtigen van de Ghanese Ambassade; Overwegende dat hij op 16 maart 1998 een aanvraag indiende tot machtiging tot verblijf op basis van het artikel 9, 3/ van de wet van 15 december 1980; Overwegende dat hij wegens valsheid in geschriften door een particulier, gebruikmaking van deze valsheid en aanmatiging van naam op 29 september 1993 door de Correctionele Rechtbank van Antwerpen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden; Overwegende dat hij wegens het dragen zonder wettige reden zonder vergunning van wapen (s), verweerwapen (s) en aanmatiging van naam op 29 september 1993 door de Correctionele Rechtbank werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden met uitstel voor 3 jaar; wegens handel en bezit van verdovende middelen tot een gevangenisstraf van 15 maanden voorwaardelijk waarvan 6 maand effectief en wegens onwettig binnenkomen of verblijf in het Rijk, werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand met uitstel voor 3 jaar; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; beslist: XXX geboren op 2 februari 1952 te Accra van Ghanese nationaliteit, alias XXX geboren op 25 december 1949 te Herbel van Liberiaanse nationaliteit, is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.". 1.
  1. Op 28 mei 2002 werd aan verzoeker het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in uitvoering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken genomen op 26 maart
  2. Dit is de tweede bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: "(...) Reden van de beslissing: Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 26.03.2002 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikelen 5 en
  3. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.". VII-27.090-3/5
  4. Beoordeling. In een enig middel roept de verzoekende partij onder meer de schending in van artikel 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, van het begrip “openbare orde”, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt letterlijk het volgende: “De bestreden beslissing sluit verzoeker uit van de toepassing van de regularisatiewet omdat hij een gevaar zou zijn voor de openbare orde (artikel 5 regularisatiewet). De bestreden beslissing steunt zich hiervoor op twee strafrechterlijke veroordelingen van verzoeker van 29 september 1993 in verband met valsheid en aanmatiging naam, en dragen wapen zonder vergunning, verdovende middelen, onwettige binnenkomst in het Rijk. Verzoeker heeft vermelde straffen ondergaan. Ze dateren van
  5. De bestreden beslissing motiveert voor het overige enkel met de standaardformule "dat deze ernstige bedreiging van de openbare orde die uit het gedrag van betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde.” 2.
  6. De verwerende partij stelt daartegenover dat de verzoekende partij zich schuldig heeft gemaakt aan de in de bestreden beslissing opgesomde zwaarwichtige feiten en dat zij op grond van de haar door artikel 5 van de Regularisatiewet toebedeelde bevoegdheid terecht kon beslissen dat de verzoekende partij diende te worden uitgesloten van het voordeel van de regularisatie. 2.
  7. Het gedrag dat aanleiding heeft gegeven tot de strafrechtelijke veroordelingen van 1993 dateert uit een ver verleden. Uit geen enkel stuk blijkt dat de verzoekende partij zich sindsdien nog schuldig zou hebben gemaakt aan andere strafrechtelijke feiten. Het is bijgevolg niet vanzelfsprekend dat de verzoekende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing nog een gevaar betekende voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de verwerende partij van oordeel is dat er nog een actueel gevaar bestaat voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De eerste bestreden beslissing is bijgevolg niet afdoende gemotiveerd. VII-27.090-4/5 Vermits het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten het gevolg is van de beslissing tot uitsluiting van de regularisatie en het beroep tegen deze beslissing gegrond is moet ook het bestreden bevel worden vernietigd. BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd worden de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 maart 2002 waarbij verzoeker wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en het bevel om het grondgebied te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 mei 2002;. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij . Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.090-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.