← België

Arrest 156021 - - 08/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.021 Rolnummer: A. 126403/VII-27777 Zaak: Arrest 156021 - - 08/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 12:27 Fiche Arrest nr 156.021 van 8 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.021 van 8 maart 2006 in de zaak A. 126.403/VII-27.777 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 5 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-27.777-1/7 Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In zijn verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 3 augustus 2000 en verklaarde zich op 4 augustus 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 11 augustus 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 7 augustus 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Iraans staatsburger uil Abadan, verklaart uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen verlaten te hebben. Tal u in het begin van 1379 (Perzische kalender, stemt overeen met 2000-2001 in de Westerse kalender) naar Abadan verhuisde om daar te werken en te investeren in een fotowinkel van een kennis, woonde u bij uw ouders in Foulad Shar, in de omgeving van Isfahan. Op 15/07/1374 (07/10/1995) werd u aangehouden omdat uw vrienden anti-regimeslogans op muren hadden geschilderd. U werd vervolgens zonder enig proces tot 21/10/1374 (11/01/1996) opgesloten in de Dastgerd-gevangenis in Isfahan. Toen u vrijgelaten werd diende u een document te ondertekenen waarin u verklaarde nooit meer acties tegen VII-27.777-2/7 het regime te ondernemen. U huwde op 11/01/1375 (31/03/1996) met N. U kende geen problemen tot 15/04/1379 (06/07/2000). Op deze dag nam u samen met Gasern Moradi Pasta, deel aan een betoging in Abadan. Het betrof een manifestatie tegen het verzilte drinkwater in Abadan. Het gebeuren ontaarde in geweld. In het gewoel van de betoging raakte u Gasern kwijt. Omstreeks 02.00h kwam u alleen thuis. Omdat u wilde weten wat er met Gasern was gebeurd beide u omstreeks 03.00h naar zijn woning. Omdat niemand de telefoon opnam belde u naar Mijnheer Ahmady, zijn buurman. Van hem vernam u dat de politie rond middernacht bij Gasem was langs geweest en hem en zijn zoon had meegenomen. Mijnheer Ahmady zei ook dat u best stappen ondernam om uzelf in veiligheid te brengen. U vertrok nog dezelfde nacht per taxi naar Isfahan Omdat u angst had om dadelijk naar uw ouders te gaan belde u uw moeder vooraf vanuit een telefooncel. U vernam van haar dat eerder die dag de Sepah-e Pasdaran (Korps van de revolutiewachters) bij hen een huiszoeking had gedaan. U durfde niet naar huis gaan en ging vervolgens naar uw vriend Mohamad Tajebi in Foulad Shar. Op 17/04/1379 vertrok u naar Teheran. In Teheran logeerde u tot 29/04/1379 (20/07/2000) bij Mijnheer Ezati, een ver familielid van u. Tijdens uw verblijf in Teheran werd uw vader tweemaal kortstondig door de politie meegenomen voor ondervraging naar uw verblijfplaats. Tijdens uw verblijf bij Mijnheer Ezati beide u naar uw tante en vernam van haar dat er op 16/04/1379 (07/07/2000) een convocatie voor u van Niru-ye Entezami (reguliere politie) bil uw ouders was aangekomen. Mijnheer Ezati raadde u aan om Iran te ontvluchten. U verliet dadelijk Iran en vroeg op 04/08/2000 in België de status van vluchteling aan. Uw echtgenote bevindt zich thans bij haar vader in Iran. U bent niet op de hoogte van de situatie van Mijnheer Gasem. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (dvz) en het Commissariaat-generaal (cgvs). Zo legt u tegenstrijdige verklaringen af over uw vriend Gasem. Zo verklaart u op het Commissariaat-generaal in verband met de betoging te Abadan dat u uw vriend Gasem in het gewoel van de betoging kwijtraakte en daarom na de betoging 's nachts alleen naar uw woning ging (verslag cgvs, p20). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u daarentegen dat u de betoging samen met Gasem verliet en u met hem in de fotowinkel was (verslag dvz, 14). En waar u op het Commissariaat-generaal verklaart niet op de hoogte te zijn van wat er na de betoging met Mijnheer Gasem gebeurd is (verslag cgvs, p21), verklaart u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat Gasem u de dag na de betoging opbelde om te zeggen dat de staatsveiligheid in de fotowinkel was geweest, op zoek naar u (verslag dvz, p15). Aangaande de convocatie verklaart u op het Commissariaat-generaal dat u dat nieuws vernam van uw tante toen u haar vanuit Teheran opbelde (verslag cgvs, p24). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u hierover dat u vanuit Teheran uw ouders opbelde en van hun vernam dat er een convocatie op uw naam bij hen was aangekomen (verslag dvz, p15). Daarnaast is er een tegenstrijdigheid omtrent uw verblijfplaats na uw vertrek uit Abadan. Zo blijkt uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u na uw vertrek uil Abadan een korte periode bij uw ouders in lsfahan hebt verbleven (verslag dvz, p15). Op het Commissariaatgeneraal verklaart u echter dat u nooit bij uw ouders bent geweest omdat u telefonisch van uw moeder had vernomen dat er in uw ouderlijke woning een huiszoeking had plaatsgevonden en daarom angst had om naar huis te gaan (verslag cgvs, p22). Bovenstaande vaststellingen tasten in ernstige mate de geloofwaardigheid van uw verklaringen aan. In het bijzonder wat betreft uw deelname aan de betoging van Abadan merken we op dat u op het Commissariaatgeneraal verklaart dat u tegen geweld bent, tijdens de betoging geen stenen gooide (verslag cgvs, pl 2) en met het initiatief om te staken niets te maken had (verslag cgvs, p16). Volgens de bronnen waarover het Commissariaatgeneraal beschikt zijn echter enkel degenen gearresteerd die de publieke orde verstoorden, winkels plunderden publieke goederen vernielden of de menigte ophitsten (zie: IR 2002-206w). Deze vaststelling ondermijnt verder de geloofwaardigheid van uw verklaringen als zou u door de Iraanse autoriteiten gezocht worden. Aangaande uw gevangenschap in 1374 (1995-1996) merken we op dat het voorval geen deel uitmaakt van uw actuele vrees. Bovendien is het aangezien u verklaart nooit politieke activiteiten ontplooid te hebben, zelf geen slogans geschreven te hebben en VII-27.777-3/7 niet te weten of de leden van uw 'vriendengroep' verbonden waren met een organisatie, weinig geloofwaardig dat u drie maanden bent opgesloten. Wat betreft de door u neergelegde documenten: uw legerkaart staaft uw identiteit; de diploma's van middelbaar en universitair onderwijs bevestigen de door u gevolgde studies. Voornoemde documenten kunnen niets aan bovenstaande beslissing wijzigen. Bovenstaande vaststellingen in acht genomen kunnen we in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève weerhouden. Derhalve sluiten we af met een bevestiging van de weigering van verblijf.". Dit is de bestreden beslissing.
  5. Beoordeling. 2.
  6. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 39 e.v. van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Bestuurstaalwet), van de artikelen 51/4 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het algemeen principe van de rechten van de verdediging”. Hij stelt in wezen dat de interviews bij de Dienst Vreemdelingenzaken en de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen plaats vonden in het Frans, terwijl de procedure diende te verlopen in het Nederlands en dat het relaas van het gesprek bij de Dienst Vreemdelingenzaken niet werd voorgelezen in het Perzisch, zoals ten onrechte werd vermeld. Het taalgebruik in het kader van een asielprocedure wordt geregeld door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en niet door de voornoemde gecoördineerde wetten. De schending daarvan kan niet dienstig worden ingeroepen. Het beroep is gericht tegen de beslissing van de commissaris-generaal zodat gebeurlijke onregelmatigheden begaan tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken niet in aanmerking worden genomen, zeker niet nu de verzoekende partij daaromtrent geen voorbehoud heeft gemaakt en daarvan geen gewag heeft gemaakt bij haar dringend beroep. De schending van het recht van de verdediging kan evenmin worden aangevoerd, nu dit enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures en in administratiefrechtelijke zaken op tuchtzaken. Het recht van verdediging is niet van toepassing zijn op de behandeling van een administratief beroep betreffende de beoordeling van een asielaanvraag. Uit artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet kan niet worden afgeleid dat de tolk die de verklaringen van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dit rechtstreeks moet doen in de taal van de procedure. Voor het overige wordt niet aangetoond dat de verklaringen van de verzoekende partij bij de commissaris-generaal niet behoorlijk werden opgenomen of verkeerd werden begrepen. Het middel is niet gegrond. VII-27.777-4/7 2.
  7. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.). Zij betoogt dat er “afwezigheid van redenen” is, een manifeste appreciatiefout en dat de rechten van verdediging werden geschonden. Volgens de verzoekende partij ligt in de ontvankelijkheidsfase van de asielaanvraag de bewijslast bij de verwerende partij. Artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. naar luid waarvan bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld, heeft enkel betrekking op jurisdictionele procedures en niet op een procedure waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag. De Conventie van Genève verbiedt niet dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring. De Belgische Staat heeft dit gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De verzoekende partij voert niet aan dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet laat aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, die de redelijkheid tot grens heeft. Deze wetsbepaling is niet geschonden louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde en tegenstrijdige beweringen van de verzoekende partij en deze niet aantoont dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Zij heeft dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De toetsing van de formele motivering houdt overigens in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. VII-27.777-5/7 In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij immers niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont, zoals reeds gezegd, niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld noch dat de motieven kennelijk onredelijk zouden zijn. Het is te dezen niet kennelijk onredelijk dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 § 1, 7/, § 2, 2/, § 3, 2/ en § 4, 2/ van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8). De asielaanvrager moet dus altijd aantonen dat hij vervolgd wordt. Dit betekent geen omkering van de bewijslast, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn (Parl. St.,Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83). Het middel is niet gegrond.
  8. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-27.777-6/7 BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.777-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.