← België

Arrest 156080 - - 09/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.080 Rolnummer: Zaak: Arrest 156080 - - 09/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 12:29 Fiche Arrest nr 156.080 van 9 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.080 van 9 maart 2006 in de zaken A. 163.790/VII-34.234 A. 166.687/VII-34.703 A. 167.620/VII-34.913 In zake : I. 1. Marnik MASSCHELIN, 2. Liévin van OUTRYVE d’YDEWALLE, 3. de n.v. MEERBERG, 4. Oswald VANDAMME, 5. Raynier van OUTRYVE d’YDEWALLE, 6. Anne ‘t SERSTEVENS, II. Marnik MASSCHELIN III Geert STUBBE die woonplaats kiezen bij Advocaat G. AMPE, kantoor houdende te OOSTENDE, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : I + II + III het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tussenkomende partij : I + II + III de b.v.b.a. C&D FOOD, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marnik MASSCHELIN, Liévin van OUTRYVE d’YDEWALLE, de n.v. MEERBERG, Oswald VANDAMME, Raynier van OUTRYVE d’YDEWALLE en Anne ‘t SERSTEVENS op 30 juni 2005 hebben VII-34.234-1/30 ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 20 april 2005 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van 23 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de b.v.b.a. C&D FOOD om een inrichting voor de productie van groene stroom en organisch bodemverbeterende middelen, gelegen te Beernem, Wellingstraat 109 te exploiteren (A. 163.790/VII-34.234); Gezien het verzoekschrift dat Marnik MASSCHELIN op 6 oktober 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 31 augustus 2005 houdende uitspraak over het beroep van de echtgenoten MASSCHELIN- VADEWALLE tegen de beslissing van 23 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de b.v.b.a. C&D FOOD om een inrichting voor de productie van groene stroom en organisch bodemverbeterende middelen, gelegen te Beernem, Wellingstraat 109 te exploiteren (A. 166.687/VII- 34.703); Gezien het verzoekschrift dat Geert STUBBE op 8 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de voornoemde besluiten van 20 april 2005 en 31 augustus 2005 (A. 167.620/VII- 34.913); Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien de verslagen opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 11 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 januari 2006; VII-34.234-2/30 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. AMPE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. LOUAGE die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat, gelet op hun samenhang, het aangewezen is dat de zaken worden gevoegd; 2. Overwegende dat met verzoekschriften van respectievelijk 20 juli 2005, 27 oktober 2005 en 28 november 2005 de b.v.b.a. C&D FOOD, houder van de bestreden vergunning, heeft gevraagd om in de debatten te mogen tussenkomen; dat deze verzoeken kunnen worden ingewilligd; 3. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 3.1. Op 2 juni 2004 dient de b.v.b.a. C&D FOOD, tussenkomende partij, een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting gelegen te 8730 Beernem, Wellingstraat 109, met als voorwerp de productie van groene stroom en van organisch bodemverbeterende middelen. In bijlage 2 van die aanvraag wordt het doel als volgt omschreven: “Het betreft een nieuwe inrichting voor co-verwerking van mest- en afvalstoffen tot een organische meststof, loosbaar water en groene elektriciteit. De mest zal anaëroob worden vergist tot een gestabiliseerd digestaat. Dit digestaat zal vervolgens worden gescheiden in 2 fracties. De dunne vloeibare fractie zal worden gefilterd tot een loosbaar effluent. De dikke stapelbare fractie zal worden gedroogd tot organische meststof. De retentaten afkomstig van de filtratie worden eveneens mee gedroogd alsmede het gevormde ammoniumsulfaat ontstaan tijdens het zuiveren van de lucht in de verwerkingsloods. VII-34.234-3/30 De exploitant wenst met andere woorden verschillende producten met een negatieve waarde om te zetten tot groene elektriciteit (na omzetting van het biogas in een WKK) en een organische bodemverbeteraar. Deze filosofie wordt recentelijk in Vlaanderen ondersteund gezien de regelgeving van groene stroomcertificaten en warmtecertificaten. De exploitant voorziet in een totale verwerkingscapaciteit van 60.000 ton. Waarvan het grootste deel mest (40.000 ton) en een beperkt organische biologisch afval (20.000 ton) om de verwerking te optimaliseren en een stabiel uitgegist digestaat te bekomen. Een deel van die 60.000 ton kan afhankelijk van de marktomstandigheden worden ingevuld door primaire grondstoffen (energieteelten) en secundaire grondstoffen (cfr. lijst bijlage VLAREA). Beide grondstoffen worden niet beschouwd als een afvalstof. De vooropgestelde co- verwerking (optimalisatie C/N-verhouding) is de enige mogelijkheid om het vergistingsproces stabiel te laten verlopen.” 3.2. Op 23 september 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van 20 jaar. De vergunning wordt geweigerd wat betreft de anaërobe vergisting van GFT-afval en tevens wordt een reeks bijzondere voorwaarden opgelegd. 3.3. De vergunde inrichting zal gevestigd worden op een terrein gelegen volgens het gewestplan Brugge-Oostkust in agrarisch gebied waarop reeds de gebouwen van een oud slachthuis zijn gevestigd. Voor de inrichting dient een nieuwe loods met bijhorende tanks te worden opgericht waarvoor door het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning werd verleend op 27 november 2003, op aanvraag van Jean-Pierre GOBIN-BONAMIE. Het voorwerp van de aanvraag wordt daarin omschreven als ‘het bouwen van een nieuwe mestverwerkingsinstallatie’. 3.4. Tegen de beslissing van de bestendige deputatie van 23 september 2004 wordt beroep ingediend door: - Oswald Van Damme (vierde verzoeker in de zaak A. 163.790); - Raynier van Outryve d’Ydewalle (vijfde verzoeker in de zaak A. 163.790); - Liévin van Outryve d’Ydewalle (tweede verzoeker in de zaak A. 163.790); - de n.v. Meerberg (derde verzoeker in de zaak A. 163.790); - Freddie Serlet; - Anne t’Serstevens (zesde verzoeker in de zaak A. 163.790); - Geert en Tania Stubbe (verzoeker in de zaak A. 167.620); - het echtpaar Marnik Masschelin- Sandra Vandewalle (eerste verzoeker in de zaak A. 163.790 en verzoeker in de zaak A. 166.687). VII-34.234-4/30 3.5. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven: - afdeling Water op 7 december 2004 : gunstig; - cel Monumenten en Landschappen op 8 december 2004 : gunstig; - OVAM op 16 december 2004 : gunstig; - VMM op 20 december 2004 : gunstig; - afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie op 22 december 2004 :gunstig; - VLM op 22 december 2004 : gunstig mits het opleggen van twee bijkomende bijzondere voorwaarden; - afdeling Stedenbouwkundige vergunningen op 22 december 2004 : ongunstig - afdeling Milieuvergunningen op 5 januari 2005 : gunstig, mits beperking van het percentage en de aard van de te verwerken afvalstoffen; - afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg op 22 januari 2005 :gunstig; - afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 27 januari 2005 : tweede aanvullend advies waarin het oorspronkelijke ongunstige advies verduidelijkt en bevestigd wordt; - Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 14 februari 2005 : gunstig 3.6. Op 20 april 2005 beslist de verwerende partij de beroepen ontvan- kelijk en deels gegrond te verklaren. Het betreft een aantal beperkingen inzake de aard en het percentage van de te verwerken afvalstoffen. In essentie wordt de beslissing van de bestendige deputatie evenwel grotendeels bevestigd. Dit is de bestreden beslissing in de zaken A. 163.790 en A. 167.620. Evenwel wordt in die beslissing geen melding gemaakt van het beroep ingediend door het echtpaar MASSCHELIN-VANDEWALLE. 3.7. Op 31 augustus 2005 wordt uitspraak gedaan over het vergeten beroep van het echtpaar MASSCHELIN-VANDEWALLE waarbij de beslissing van 20 april 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt “bevestigd”, aangezien de argumenten van evengenoemde beroepindieners “geen nieuwe elementen bevatten ten opzichte van de argumenten die zijn behandeld in het ministerieel besluit van 20 april 2005". Dit is het bestreden besluit in de zaken A. 166.687 en A. 167.620; 4. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep ingediend door Geert STUBBE (zaak A. 167.620) onontvankelijk is ratione temporis VII-34.234-5/30 voor wat betreft de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 april 2005 en wegens gebrek aan belang voor wat betreft de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2005; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; 5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in de zaak 163.790 omtrent het moeilijk te herstellen ernstig nadeel volgende toelichting verschaffen “1.Het hoeft geen betoog dat ingevolge het verlenen van de milieuvergunning de verzoekende partijen bijzonder ernstige, en daarenboven onmogelijk te herstellen schade zullen lijden. En ofschoon het voorwerp van de bouwvergunning niet identiek is aan dat van de milieuvergunning, hoeft het anderzijds ook weinig betoog dat de aanvragers de milieuvergunning meteen zullen aangrijpen, om te starten met de uitvoering van de bouwvergunning. In die zin is het risico voor het dreigende nadeel dan ook bijzonder acuut. 2.Het nadeel dat de verzoekers zullen lijden, doet zich voor op diverse vlakken. Op de 1e plaats is er het onmiskenbaar, en onmogelijk te herstellen nadeel, op het vlak van de geurhinder - nadeel dat voor elk van de betrokken verzoekers gelijk is, en dat zich telkens weer zal voordoen, in functie van de windrichting. Het actuele woonklimaat van verzoekers zal ernstig worden verstoord, waaromtrent in het bijzonder moet worden gewezen op de doordringende en psychisch onbehagen verwekkende geur van o.a. ammoniak, een scherp ruikend gas die wordt verspreid door varkensmest. In dat opzicht moet ook worden gewezen op de voorziene dagelijkse aanvoer van varkensmest, waaromtrent er nu al wordt uitgegaan van 24 verkeersbewegingen - hetgeen impliceert dat dagelijks 24 naar varkensmest stinkende vrachtwagens door de Wellingstraat en het Blommeke zullen passeren, om vervolgens hun vracht te lossen ter hoogte van de Wellingstraat 109 - met dien verstande dat er moet worden aan herinnerd dat de Minister de meest elementaire maatregel, om geurhinder te voorkomen, heeft weggelaten uit de vergunning, met name door toe te laten dat de vrachtwagens in open lucht worden gelost - hetgeen onmiskenbaar tot gevolg zal hebben dat de stank zich wel degelijk in het luchtruim zal verspreiden. VII-34.234-6/30 Verder moet dan nog worden verwezen naar de constante opslag van toch ruim 50.000 ton mest, weliswaar in gesloten ruimtes, doch met dien verstande dat er ook daar altijd een zekere uitstoot zal zijn, alleen al bij het openen en dichtdoen van deuren en poorten. Tussen het mestverwerkingsbedrijf en de respectievelijke woningen van verzoekers bevinden zich geen of nauwelijks natuurlijke of andere barrières, (de houtkanten en bossen bevinden zich precies telkens aan de andere kant van de woningen), zodat, zeker bij windstille dagen, en derhalve op de meest genietbare dagen van het jaar, de luchtvervuiling voor verzoekers het ergst zal zijn, zodat zij er niet hoeven aan te denken in hun tuin te eten, vrienden of familie te ontvangen, enz.. Eén en ander is ook voor eerste verzoeker bijzonder prangend, nu hij niet alleen woonachtig is op een boogscheut van de geplande vestiging, doch er tevens ook zijn broodwinning heeft. Eerste verzoeker verwijst terzake naar de overtuigingsstukken 12/1 t/m 12/3. 3. Verzoekers kunnen verder verwijzen naar het nadeel dat zij dreigen te lijden, ingevolge de afwezigheid van deugdelijke voorzieningen, op het vlak van de beveiliging en de brandveiligheid. Verzoekers kunnen in dat opzicht inzonder verwijzen naar datgene wat zij hebben uiteengezet in het 9e en 10e middel. Er zijn duidelijk geen maatregelen genomen op het vlak van brandveiligheid; er is een ernstig risico op het vlak van ontploffingsgevaar, overigens met dien verstande dat ook hier elementaire voorschriften terzake het feit dat opslag van zwavel thuishoort in een industriegebied, gewoon met de voeten werd getreden. En bij dit alles komt dan nog de vaststelling dat, in weerwil van de klaar en duidelijk dwingende voorschriften terzake, de verplichting het domein volledig af te sluiten, niet eens werd opgelegd. Verzoekers passeren dagelijks doorheen de Wellingstraat en het Blommeke, met de auto, met de fiets, te voet. Ze wonen er immers. Het kan toch niet dat verzoekers zich moeten blootstellen aan het risico van een ontploffing louter omdat werd nagelaten voorafgaandelijk de naleving te eisen van de dwingende voorschriften op vlak van beveiliging. En dat dit geen loze risico's zijn, werd in het recent verleden jammerlijk genoeg op schrijnende wijze bewezen. 4. De verzoekers Oswald VAN DAMME, en NV MEERBERG wensen verder te wijzen op het voor hen toch wel bijzonder dreigend nadeel, uit hoofde van nieuw te verwachten vervuiling van de Bulskampveldbeek. Zoals hierboven aangetoond is men van plan te lozen in de Bulskampveldbeek terwijl, eens temeer, de dwingende voorschriften terzake, teneinde elke mogelijke vervuiling te voorkomen, niet werden nageleefd. Ook hier betreft het een ernstig, en bovenal onmogelijk te herstellen ernstig nadeel waarvan de verzoekers in het verleden overigens ook al het slachtoffer zijn geweest, ingevolge de lozing die toentertijd gebeurde door het slachthuis. Ook toen werd er geloosd in de Bulskampveldbeek, zonder naleving van welkdanige dwingende reglementering. Een en ander was toen zo erg dat de beek niet alleen was veranderd in een open stinkende riool, maar met zelfs tot gevolg dat - onafgezien de enorme last die het gezin van Oswald VAN DAMME er zelf door ondervond, ingevolge de geurhinder - er ook nog bijkomende materiële schade was, onder de vorm van het afsterven van bomen van NV MEERBERG. Het hoeft weinig betoog dat verzoekers VAN DAMME en NV MEERBERG die tragedie niet nogmaals wensen te beleven; en in dat opzicht is het dan ook onbegrijpelijk dat, niettegenstaande de lessen die uit het verleden kunnen worden getrokken, er thans opnieuw op dezelfde wijze wordt tewerkgegaan, in die zin dat de vergunning wordt verleend - met dien verstande dat de uitbater VII-34.234-7/30 achteraf dan maar eens moet controleren of hij niet teveel afval in de oppervlaktewateren stuwt. Dit kan toch niet? Verzoekers leggen enkele foto's voor van de Bulskampveldbeek, ter hoogte van de NV MEERBERG, onder de overtuigingsstukken 14/1 en 14/2. 5. Tenslotte mag worden benadrukt dat de verzoekers allen zullen worden getroffen door de landschappelijke schade die zal worden veroorzaakt door het nieuwe bedrijvencomplex, uitgespreid over een oppervlakte van 100 bij 100m: - Een groot gebouw van circa 78,30m bij 25m en 10m hoog; - Zes grote tanks met een diameter van circa 22,50m en 9,5m hoog; - Drie kleinere tanks met een diameter van circa 16m en 9,5m hoog; - Tenslotte de infrastructuur voor de lozing in de beek, die nog niet eens is opgenomen in de bouwvergunning. Het betreft hier een complex in onverkort zuivere industriële bouwstijl, zonder enige harmonie met de natuur en in flagrante tegenspraak met het bij wijlen pittoresk en landschappelijk waardevol karakter van de omgeving. De overtuigingsstukken 12/2 en 12/3 geven het uitzicht, vanuit de woning MASSCHELlN, respectievelijk op het Provinciaal Domein (stuk 12/2), en anderzijds op het perceel waar het project is gepland (stuk 12/3). De nieuw geplande gebouwen hebben een hoogte en volume die de thans bestaande gebouwen, zichtbaar op de foto 12/3, in zeer aanzienlijke mate overstijgen. De visuele vervuiling staat zodoende vast. Voor wat het landschappelijk waardevol karakter van de omgeving betreft, mag heel zeker worden verwezen naar het kasteel Drie Koningen (eigendom van vijfde verzoeker) en de "Oude Paterij", eigendom van zesde verzoekster, en het domein MEERBERG, eigendom van derde verzoekster, bewoond door vierde verzoeker. MEERBERG is de plaats naast de autosnelweg, waar ooit het kasteel MEERBERG stond, dat in 1964 werd gesloopt. De naam MEERBERG werd al vermeld in 1469 in het cartularium van de Abdij van Sint-Trudo in 1562 op de vermaarde kaarten van Pourbus. De naam MEERBERG zou zijn oorsprong te danken hebben aan één van de talrijke met sparrenbomen bezette zandhoofden. Drie Koningen is het gebied in de omgeving van het kasteel Drie Koningen, aan het kruispunt van de Heirweg en de Wellingstraat. Onmiddellijk naast het kasteel Drie Koningen ligt de Oude Paterij. Het kasteel Drie Koningen is omgeven door een park van 20 ha. Het werd aangelegd in het begin van de 198 eeuw door baron François de Serret en is steeds zorgvuldig onderhouden geweest. Door de schoonheid van de bomen en verscheidenheid van de gewassen die er groeien, vertoont dit park een der meest belangwekkende dendrologische verzamelingen. Dicht bij het gebouw staan 20m hoge Pinsapo en daarachter op de weide een 25m hoge Tulpenboom. Magnolia's van 18m en reuze Thuya's van 22m hoogte wisselen af met Nordmannia's. Enkele edele kastanjebomen bereiken zelfs een hoogte van 30m. Als zeldzaamheid mogen hoogoprankende 100 jarige Oxydendrons en Sassafres worden genoemd. Verscheidene planten werden gekocht in 1859 en 1860, door het Beheer der Keizerlijke Hovingen van Frankrijk. Voor het belangrijk historisch en landschappelijk karakter van het domein Drie Koningen, vermogen verzoekers te verwijzen naar "Schriften van Drie Koningen. Een geschiedenis van Beernem, zijn kastelen en de kunst-weekends", van de hand van Reginald PRAET (drukkerij de Windroos NV, Beernem/D- 2005-1.656-1). Verzoekers verwijzen hier ook nog naar hun overtuigingstuk 13 met de medegaande foto. De Oude Paterij was lange tijd eigendom van paters, Ongeschoeide Karmelieten uit Brugge; de paters kochten de Oude Paterij aan in 1563. De paters verkochten, om ongekende redenen, de Oude Paterij in 1777, voordat de VII-34.234-8/30 Franse Revolutionairen het land bezetten; op heden wordt de Oude Paterij bewoond door mevr. t'SERSTEVENS, zesde verzoekster. Aansluitend op het domein Drie Koningen is er dan het Provinciaal Domein Lippensgoed-Bulskampveld - alwaar zich nog diverse andere pittoreske kastelen bevinden. Het feit alleen al dat men, op een boogscheut van dergelijk landschappelijk waardevol gebied, dergelijke inplanting overweegt, is compleet onaanvaardbaar. In werkelijkheid zou de overheid overigens de klok dienen terug te zetten, en er moeten op toezien dat de zonevreemde bebouwing, waaromtrent kan worden verwezen naar het oud slachthuiscomplex, precies verdwijnt - temeer het afleveren van een milieuvergunning voor dat complex naar de toekomst toe onmogelijk is. En zowaar: de merkwaardige vaststelling dringt zich op dat, niettegenstaande de overheid thans de gelegenheid heeft om zonder veel problemen fouten uit het verleden te herstellen, men integendeel - alle mooie beloftes ten spijt - precies terug de fouten van vroeger wenst te herhalen. 6. Besluitend kan worden gesteld dat de voorliggende milieuvergunning, en het voorliggende project niet van aard lijken te zijn om alle kans weg te nemen, noch op geurhinder, noch op veiligheidsrisico's, noch op watervervuiling, noch op extra geluidshinder. Anderzijds staat het vast dat het uitzicht van het landschap nog maar eens zal worden aangetast, overigens met een complex dat uitsluitend als exclusief industrieel kan worden bestempeld. Waar het enkele risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel volstaat, zijn verzoekers dan ook van oordeel dat er afdoende dringende redenen voorhanden zijn om de schorsing van het bestreden besluit te bevelen."; 5.1.2. Overwegende dat verzoeker MASSCHELIN in de zaak A. 166.687 hetzelfde nadeel aanvoert als in de vorige zaak, waarbij hij evenwel nog de volgende precisering geeft : “ (...) 3.Eén en ander is voor verzoeker bijzonder prangend, nu hij niet alleen woonachtig is op een boogscheut van de geplande vestiging - op nauwelijks 190 m (stuk 2), doch er tevens ook zijn broodwinning heeft. Verzoeker verwijst terzake naar de overtuigingsstukken 3/1 t/m 3/3. De exploitatie van verzoeker is zodoende gelegen op nauwelijks 190 m van de gewraakte inrichting. In werkelijkheid is het nog niet eens zoveel, nu de exploitatie van verzoeker zich ook uitstrekt achter de gebouwen, met ondermeer een maïsdoolhof (cfr. stuk 3/2). Belangrijker evenwel is de vaststelling dat zich tussen de exploitatie van verzoeker, en de gewraakte inrichting, nauwelijks of geen natuurlijke barrières bevinden: opnieuw verwijst verzoeker naar de voorliggende foto's, getrokken vanuit het erf van verzoeker, en waarop het bestaand slachthuiscomplex duidelijk zichtbaar is, nauwelijks aan het zicht onttrokken door enkele bomen. In deze concrete omstandigheden staat het dan ook vast dat wanneer er geurhinder zal zijn ter hoogte van de gewraakte exploitatie, er ook geurhinder zal zijn bij verzoeker. Dit laatste klemt daarenboven nog des te meer in het licht van de wetenschap dat aan de andere kant van de woning van verzoeker, het landschap overgaat VII-34.234-9/30 in een bos hetgeen impliceert dat eventuele geurhinder daar ook zal blijven "hangen", nu dit bos de verdere bespreiding tegen werkt. 5. De voorwaarden die in de vergunning worden opgelegd, teneinde eventuele geurhinder te voorkomen, zijn gewoon niet dienend: In de eerste plaats wordt niet ingezien waarom het klare en duidelijke voorschrift van VLAREM II - laden en lossen in afgesloten ruimtes - zo maar kan en mag worden miskend: het voorschrift kan maar zo klaar en duidelijk zijn, en voorkomt de facto nagenoeg elke mogelijkheid van geurhinder; er mag overigens worden aangenomen dat, precies omdat geurhinder zo lastig is, dergelijk voorschrift werd opgelegd; maar als het er dan op aankomt dit voorschrift toe te passen... wijkt de minister er gewoon vanaf, middels een totaal andere procedure, die gewoon de deur voor problemen openzet. Dit valt niet te begrijpen, noch feitelijk noch juridisch. Het ganse systeem dat vervolgens wordt voorgeschreven, is de facto zo lek als een zeef, om de heel eenvoudige reden dat er precies geen oplossing is, voor het geval van accidentele gebeurtenissen: een verharde ondergrond kan uiteraard wel er voor zorgen dat de mest niet in de grond kan dringen; maar een verharde ondergrond is helemaal geen middel om te voorkomen dat de meststoffen zich in de lucht verspreiden, en de geurhinder zich zodoende voordoet. Terloops weze overigens aangestipt dat in de hele vergunning al evenmin ook maar één concreet voorschrift voorkomt nopens de voorwaarden waaraan de tankwagens moeten voldoen; er is weliswaar sprake van "gesloten tankwagens", doch het weze wel duidelijk dat dergelijke gesloten tankwagens zich al vlug ontwikkelen tot "stankwagens". En ofschoon het zogezegd een volstrekt gesloten systeem zou zijn, heeft de vergunning het zelf over "run-off" van de verharding die wordt opgevangen en door de mestverwerkingsinstallatie wordt gestuurd... met dien verstande evenwel dat nergens wordt voorgeschreven op welke basis dit dient te gebeuren: na elke losbeurt? Of dagelijks? Of wekelijks? Of maandelijks? En dat een en ander bepalend kan zijn voor de geurhinder, weze evenzeer duidelijk. 6.Verzoeker wenst overigens te benadrukken dat het hem niet toekomt nader te bewijzen dat er geurhinder zal zijn. De wetgever heeft er zelf op toegezien, voor te schrijven dat, omwille van de evidente kans op geurhinder, alles moet gebeuren in afgesloten ruimtes. Wanneer er dan ook al wordt geoordeeld dat er van dit wettelijk voorschrift kan worden afgeweken (quod certe non), dan komt het in de eerste plaats de vergunningaanvrager toe het bewijs te leveren dat elk risico op geurhinder wordt uitgesloten. Dit bewijs ligt niet voor; integendeel: uit de vergunningsvoorwaarden zelf blijkt dat het risico altijd voor handen zal zijn - nu er wel werd gedacht aan speciale voorwaarden, voor het geval mest in de grond zou kunnen dringen - met dien verstande evenwel dat er alsdan geen oplossingen zijn voor de mest die zich in de lucht zal verspreiden... 7. Terzake dient dan nog te worden benadrukt dat voor verzoeker, en gelet op de aard van zijn exploitatie, als het ware één enkele geurhinder reeds dodelijk is : - vooreerst is het heel zeker geen reclame voor verzoeker, dat er, midden dit prachtig agrarisch gebied een heuse mestfabriek zal opduiken; - verzoeker zal evenmin in de mogelijkheid zijn dit te "verbergen" : alleen al gelet op de visuele impact op de omgeving, zal een ieder, die in de buurt komt, er meteen mee worden geconfronteerd; vanuit de inrichting van verzoeker zal het precies zijn alsof op een afstand van minder dan 200 meter, een waar industriecomplex uit de grond zal schieten; VII-34.234-10/30 - en wanneer de klanten van verzoeker dan ook effectief, al was het maar één keer, de stank van mest zullen waarnemen, dan zullen deze het meteen voor bekeken houden - en er ook wel voor zorgen dat hun vrienden, kennissen, enzovoort nimmer noch de inrichting van verzoeker zullen aandoen: het laatste wat immers aangenaam is, bestaat erin eten of drank te moeten nuttigen tussen enkele happen "stank" door... (...) 9. Tenslotte mag worden herhaald dat verzoeker zal worden getroffen door de landschappelijke schade die zal worden veroorzaakt door het nieuwe bedrijvencomplex, uitgespreid over een oppervlakte van 100 bij 100m : (...) Ten onrechte zou worden overwogen dat deze visuele hinder niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing, maar uit de stedenbouwkundige vergunning die reeds verleend werd: - vooreerst is het zo dat de bouwvergunning niet hetzelfde voorwerp heeft als de milieuvergunning, zodat de bouwvergunning hoe dan ook nog zal moeten worden aangepast, in functie van datgene wat men klaarblijkelijk in realiteit wenst te realiseren; - bovenal weze aangestipt dat die bouwvergunning is opgeschort, tot zolang er geen milieuvergunning is afgeleverd, zodat het eventueel nadeel wel degelijk het rechtstreeks gevolg is van de milieuvergunning zonder de milieuvergunning, kan de bouwvergunning immers nooit effectief worden hetgeen meteen ook impliceert dat verzoeker er bezwaarlijk belang bij heeft om ook daaromtrent nog eens een aparte procedure te gaan voeren. Wat tenslotte het groenscherm betreft, weze nog aangestipt dat de enkele bomen die er nu staan, niet beletten dat het actuele complex al perfect zichtbaar is. Laat staan als er straks infrastructuur zal komen met een hoogte van meer dan 10 meter - hetgeen zodoende torenhoog boven de bomen zal uitsteken. Het feit dat de ruimte reeds aangetast is, is anderzijds geen argument om de ruimte nog meer aan te tasten. Overigens, en integendeel : nu de milieuvergunning voor het slachthuis was vervallen, was de tijd rijp om dit zonevreemd gebouw uiteindelijk te zien verdwijnen, zodat er terug een ongerepte landschappelijke ruimte zou ontstaan. Opnieuw is het bepaald merkwaardig te moeten vaststellen dat in naam van groene energie (sic) agrarisch gebied wordt opgeofferd voor grootschalige industriële projecten. Indien een windmolen, op enkele kilometers van de kust, die de horizon verstoort, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn voor een mestfabriek, van 10 meter hoog, op nauwelijks 190 meter afstand van de woning van verzoekers, en dit op een plaats - agrarisch gebied - waar men dergelijke inrichting heel zeker niet moet verwachten;” 5.1.3. Overwegende dat verzoeker STUBBE (zaak A. 167.620) een analoog nadeel aanvoert als verzoeker MASSCHELIN; dat hij daarbij nog preciseert dat zijn horecazaak, zijnde een café en feestzaal, gelegen is “op minder dan 100 meter” van de geplande vestiging en op “minder dan 200 meter van de verste uithoek” en dat alle transport naar de inrichting dient te gebeuren via de Wellingstraat, voorbij “de deur van verzoeker”; VII-34.234-11/30 5.2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A. 163.790 in haar nota volgende repliek geeft : “III.1.Algemeen Volgende nadelen worden door verzoekende partij ingeroepen: - geurhinder - brandgevaar - vervuiling van de Bulskampveldbeek (enkel ingeroepen door derde en vierde verzoekende partij) - verlies van uitzicht = landschappelijke schade Met het oog op overzichtelijkheid worden deze nadelen hierna per verzoekende partij beoordeeld. III.2. t.a.v. eerste verzoekende partij III.2.1. geurhinder -Er wordt uiteengezet dat de geurhinder, -"nadeel dat voor elk van de betrokken verzoekers gelijk is"- het woonklimaat van verzoekers ernstig zal verstoren, waarbij gewezen wordt op de doordringende en psychisch onbehagen verwekkende geur van o.a. ammoniak. Door verzoekende partijen wordt vooreerst gewezen op de doordringende geur van ammoniak. Hierbij wordt evenwel voorbijgegaan aan het feit dat uit het milieuverslag blijkt dat de emissie van ammoniak door de wijze van werken en de opgelegde maatregelen gereduceerd worden 95 %. Dat er aldus een merkbare (geur) hoeveelheid ammoniak nog zou uitgestoten worden, wordt tegengesproken door het dossier. Het betreft aldus een onwaarschijnlijk en dus louter hypothetisch nadeel. Verder halen verzoekende partijen aan dat zij vrezen nadeel te zullen ondervinden van naar varkensmest stinkende vrachtwagens, die hun vracht dan ter hoogte van het bedrijf zullen lossen. Nochtans is ook dit gevreesde nadeel totaal hypothetisch: er werd door verzoekende partijen op geen enkele wijze rekening gehouden met de voorzorgsmaatregelen die zullen genomen worden om geurhinder te voorkomen. Maatregelen die in de vorm van milieuvergunningsvoorwaarden dwingend opgelegd zijn aan het bedrijf (cfr. infra). - Het één en ander is te lezen in de verscheidene adviezen. In het advies van VMM onder rubriek "lucht" staat het volgende: ‘om mogelijke geurhinder te voorkomen zal de aanvoer en het lossen van de vloeibare producten in een afgesloten tank geschieden via vloeistofdichte snelkoppelingen, zullen de vaste producten in de verwerkingshal, voorzien van een luchtafzuiging met gaswasser worden opgeslagen en wordt de droogloods in onderdruk gehouden via een ruimteluchtafzuiging met afleiding naar een cycloon en vervolgens naar een wasser en biofilter.’ [...] en overwegende dat de maatregelen worden geïnstalleerd om geurhinder te voorkomen - gesloten opslagtanks, lossen via vloeistofdichte snelkoppelingen, ruimteluchtafzuiging van verwerkings- en drogingshal met nageschakelde gaswasser en/of cycloon en biofilter kan gesteld dat de nodige inspanningen werden geleverd om de nieuwe exploitatie te kunnen uitbaten met een minimum hinder voor de omgeving, maw voor de milieuvergunningsaanvraag van het bedrijf C&D Food te Beernem kan een gunstig advies verleend.’ - Naar aanleiding van het aangetekende beroep tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie, onder meer over de inplanting en mogelijkheid tot geur- en geluidshinder stelde de VMM dat het aldus kon instemmen met de door de Bestendige Deputatie opgelegde bijzondere voorwaarden. VII-34.234-12/30 - Ook OVAM stelde dat als de milieuvergunningsvoorwaarden worden gerespecteerd (en dit kan afgedwongen worden!), de hinder naar de omgeving beperkt is. - Ten slotte stelde ook de VLM onder "evaluatie mestverwerking": ‘De mengmest wordt aangevoerd in gesloten tankwagens en geladen en gelost via snelkoppelingen. De pluimveemest en dikke fractie varkensmest wordt gelost en opgeslagen in de loods die in onderdruk staat met behandeling (zure wasser en biobed) van de afgezogen lucht. De Vlaamse Landmaatschappij meent dat hiermee voldaan is aan artikel 5.28.3.4.1. VLAREM II’ Artikel 5.28.3.4.1. VLAREM II bepaalt de te nemen maatregelen om geurhinder te vermijden. Ook de VLM stelde aldus vast dat met de vooropgestelde wijze van exploiteren de geurhinder vermeden zal worden. - Het advies VLM omtrent het aspect "lucht" luidt als volgt : ‘de lucht afkomstig van de loods, waarin o.a. volgende processen plaatsvinden: - mestopslag - mestdroging - scheiding van het digestaat - opslag eindproduct wordt afgezogen en gezuiverd via een zure luchtwasser met nabehandeling in een biobed.' De Vlaamse Landmaatschappij is van oordeel dat het plaatsen van een biobed voor de geurreductie van de afgassen van de zure wassers een milieukundig verantwoorde oplossing kan zijn voor deze mestverwerkingsinstallatie op voorwaarde dat er voldoende garanties kunnen geboden worden voor een continue sturing van de procesparameters (temperatuur, vochtgehalte, belasting, ...) van het biobed en een regelmatig onderhoud van deze biofilter. De Vlaamse Landmaatschappij is van mening dat voldoende emissiebeperkende maatregelen zijn voorzien en dat gebruikt zal gemaakt worden van de "BBTs" voor de behandeling van de afgezogen lucht van de loods. - In de bestreden beslissing wordt overwogen als volgt: Overwegende dat het laden, lossen en stapelen van de vaste afvalstoffen, de vaste mest en de energieplanten in de loods gebeuren; dat deze loods in onderdruk staat; dat de lucht wordt afgezogen en uiteindelijk wordt gezuiverd door een zure wasser (10 luchtverversingen per uur) en een biofilter; dat deze techniek als BBT wordt aangenomen ter preventie van luchtverontreiniging en geurhinder (BBT-studie voor be- en verwerking van dierlijke mest); dat het aangewezen is steeds met gesloten poorten te werken; Overwegende dat de vloeibare producten (dierlijke mest en vloeibare afvalstromen) worden aangevoerd in tankwagens; dat deze producten door middel van vloeistofdichte snelkoppelingen via een vaste aanvoerdarm gelost worden in de tanks; dat de verdreven lucht naar de opslagloods wordt geleid en wordt meegezuiverd door de centrale luchtzuiveringseenheid (zure wasser en biobed); dat de bestendige deputatie hieromtrent de volgende voorwaarden heeft opgelegd: [...] Verder wordt ook nog melding gemaakt van de noodzaak van het opleggen van de vereiste van jaarlijks onderhoud van het luchtbehandelingssysteem en eveneens wordt het proces van ontzwaveling, verbranding, afzuiging van gassen, gebruik van chemische wasser enzovoort uiteengezet. Dit alles toont volgens de minister dan ook aan dat de geurhinder dan ook tot een minimum beperkt zal zijn. VII-34.234-13/30 Op p. 23-24 van de beslissing van de Bestendige Deputatie, op dat vlak ongewijzigd overgenomen door de minister, worden heel wat bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd teneinde geurhinder tot een minimum te beperken. - Het nadeel dat verzoekende partij vreest te lijden door geurhinder, is dan ook totaal ongegrond. III.2.2. brandgevaar - Verzoekende partijen stellen dat er geen deugdelijke voorzieningen zij op het vlak van de beveiliging en de brandveiligheid. Zij verwijzen hiervoor naar het 9de en 10de middel van hun verzoekschrift. - Verwerende partij verwijst naar haar uiteenzetting omtrent deze middelen hiervoren. Daaruit blijkt dat de bewering door verzoekende partijen van het feit dat er een ernstig risico op ontploffingsgevaar is, ongegrond is. - Wat betreft de bewering van verzoekende partijen dat de opslag van zwavel thuishoort in industriegebied, terwijl dit in casu in agrarisch gebied gebeurt, moet vastgesteld worden dat dit een wel erg ongenuanceerd en daarmee ook verkeerd uitgangspunt is. Daaruit kan dan alleszins ook geen enkele gevolgtrekking genomen worden wat de (brand- )veiligheid van het bedrijf betreft. Niet alle opslag van zwavelzuur kan enkel in industriegebieden gebeuren. Dit is enkel vereist indien het om hoeveelheden gaat die voor gevolg hebben dat de opslag ingedeeld is in klasse 1 van VLAREM I (art. 5.17.1.2 VLAREM II). Quod non. Wat betreft de verplichting het domein volledig af te sluiten, verwijst verwerende partij in hoofdorde naar haar bespreking van het achtste middel. Daarbij wordt uiteengezet dat de plicht tot afsluiten van het domein niet van toepassing is. Ondergeschikt wordt opgemerkt dat verzoekende partijen niet duidelijk maken in welke zin de niet-afsluiting van het domein voor hen een nadeel uitmaakt. III.2.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade - In hoofdorde: de aangevoerde visuele hinder door de aanwezigheid van het bedrijf dat bij het bestreden besluit een milieuvergunning verkreeg, is niet rechtstreeks het gevolg van de bestreden milieuvergunning, doch vloeit voort uit de oprichting van de gebouwen van de firma. Verwerende partij kan hieromtrent verwijzen naar een arrest van Uw Raad dd. 2 juli 2004 (nr. 133.487). De corresponderende bouwvergunning voor de oprichting van de gebouwen voor de firma werd evenwel reeds verleend. Eerste verzoekende partij heeft mogelijks haar kans verkeken om het argument van de visuele hinder op te werpen tegen de verlening van de bouwvergunning. Doch dit kan geen enkele invloed hebben op de thans bestreden beslissing. Daar de beweerde dreigende hinder geen nadeel is dat in rechtstreeks verband staat met de bestreden beslissing, komt dit nadeel niet in aanmerking als moeilijk te herstellen ernstig nadeel als voorwaarde voor het verkrijgen van een schorsing. - Het is dan ook louter ondergeschikt dat verwerende partij het volgende uiteenzet. Eerste verzoekende partij toont met foto's aan welk haar zicht thans is op de reeds bestaande gebouwen, nl. die van het voormalige slachthuis. Deze gebouwen zijn erg in de verte gelegen, en vormen reeds een verstoring van de landschappelijke omgeving in hoofde van eerste verzoekende partij. Bovendien is het duidelijk dat reeds enig groenscherm aanwezig is, teneinde deze gebouwen aan het oog te onttrekken. Bovendien is het zo dat ook voor de nieuw te bouwen gebouwen een groenscherm voorgeschreven is (cfr. p. 24 beslissing Bestendige Deputatie, door de minister op de vlak ongewijzigd overgenomen). Er is dan ook geen sprake van een ernstig nadeel. III.3.t.a.v. tweede verzoekende partij III.3.1. geurhinder VII-34.234-14/30 Wat de beweerde geurhinder betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.1. III.3.2. brandgevaar Wat het beweerde brandgevaar betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.2. III.3.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade - In hoofdorde verwijst verwerende partij naar wat onder punt III.2.1. werd uiteengezet, nl. i.v.m. het feit dat de beweerde dreigende visuele hinder geen nadeel is dat in rechtstreeks verband staat met de bestreden beslissing, waardoor dit nadeel niet in aanmerking komt als moeilijk te herstellen ernstig nadeel als voorwaarde voor het verkrijgen van een schorsing. - Ondergeschikt moet trouwens opgemerkt worden dat tweede verzoekende partij helemaal niets uiteenzet omtrent dit in het algemeen, voor alle verzoekende partijen vermelde nadeel. Daar tweede verzoekende partij aldus geen enkel bewijs naar voorbrengt omtrent haar bestaande uitzicht dat ze nu beweert te verliezen, dient het beweerde nadeel als totaal onbewezen te worden verworpen. III.4. t.a.v. derde verzoekende partij III.4.1. geurhinder Dit beweerde nadeel kan niet gelden in hoofde van een rechtspersoon! Een rechtspersoon kan dergelijk nadeel niet lijden, daar hetgeen zintuigen heeft Hetzelfde geldt voor wat betreft het argument dat het "woonklimaat ernstig verstoord zal worden". III.4.2. brandgevaar Verzoekende partijen hebben het over het gevaar dat zij zouden oplopen bij het 'dagelijks passeren doorheen de Wellingstraat en het Blommeke, met de auto, met de fiets, te voet, daar zij er wonen. Dit nadeel geldt niet in hoofde van derde verzoekende partij, daar deze een rechtspersoon is, die aldus niet in de betreffende straten passeert. III.4.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade Net zoals wat betreft de aangevoerde geurhinder, moet ook hier verwerende partij opmerken dat dit beweerde nadeel kan niet kan gelden in hoofde van een rechtspersoon! III.4.4. vervuiling van de Bulskampveldbeek - Derde verzoekende partij stelt dat zij een MTHN zou lijden bij lozing door het betreffende bedrijf in de Bulskampveldbeek. Derde verzoekende partij specificeert niet welk haar nadeel zou zijn. Vooreerst moet blijkbaar verondersteld worden dat het effluent dat geloosd zal worden bepaalde kwaliteitsnormen zal overschrijden (= pure hypothese, en in strijd met de bepalingen en voorwaarden van de vergunning) waardoor de beek vervuild zal worden. Derde verzoekende partij beperkt zich tot een verwijzing naar het verleden, toen de exploitatie van het slachthuis vervuiling van de beek voor gevolg had, en de 'tragedie' die dit teweegbracht. Er wordt verwezen naar materiële schade onder de vorm van het afsterven van bomen van derde verzoekende partij. - Zoals reeds aangehaald, is het uitgangspunt dat het geloosde effluent vervuiling teweeg zal brengen, en totaal ongegronde hypothese. Verwerende partij verwijst naar het gunstige advies van de VMM, waarbij naast de geldende algemene en sectorale voorwaarden voor lozing in oppervlaktewater ook nog enkele bijkomende vergunningsvoorwaarden voorgesteld worden die opgenomen zijn in de beslissing teneinde met zekerheid de milieukwaliteitsnormen te halen. De VMM behandelt dit aspect in haar advies n.a.v. de beroepen als volgt VII-34.234-15/30 ‘Het beroep van NV MEERBERG, Masschelin-Vandewalle en Van Damme Oswald (identiek aan NV Meerberg) haalt ook de mogelijke schade aan bij lozen van afvalwater met giftige stoffen en herhaalt de bezwaren die werden ingediend (incl. m.b.t. de lozing). De beslissing van de Bestendige Deputatie geeft een antwoord op deze bezwaren m.b.t. de lozing, namelijk: Overwegende dat er bedrijfsafvalwater bestaat uit de gezuiverde dunne fractie van het mestverwerkingssysteem en reinigingswater van de vrachtwagens; dat het afvalwater van de mestverwerking wordt gezuiverd door ultrafiltratie, 2 omgekeerde osmosefiltraties en een actief koolfilter; dat het effluent wordt gebufferd in een effluentbuffer en vervolgens wordt geloosd in de Bulskampveldbeek; dat het bedrijf niet gelegen is in een zuiveringszone zodat de voorwaarden voor lozen in oppervlaktewater van toepassing zijn; [... zie p. 9 en 10 van het advies van de VMM; stuk 14] De VMM stelde terecht vast dat de Bestendige Deputatie de nodige aandacht heeft geschonken aan de lozing van het bedrijfsafvalwater. De VMM stelt ook vast dat de niet-vergunde gevaarlijke stoffen ook niet geloosd mogen worden in concentraties hoger dan de milieukwaliteitsnormen. Er werden door de Bestendige Deputatie een aantal bijzondere voorwaarden opgenomen in het besluit m.b.t de lozing van bedrijfsafvalwater. De VLM stelt het volgende vast: Na scheiding van het digestaat wordt de dunne fractie behandeld tot een loosbaar effluent. Het gezuiverd effluent kan maar worden geloosd indien voldaan is aan de sectorale lozingsvoorwaarden zoals bepaald in punt 24bis,

  1. b)van bijlage 5.3.2. van VLAREM II. Uit het dossier blijkt ook dat de verplichte meetinstallatie zal worden voorzien ter controle van het afvalwater dat wordt geloosd. Het feit dat derde verzoekende partij voorhoudt schade te zullen ondervinden, steunt dan ook louter op veronderstellingen, die niet gegrond zijn. Derde verzoekende partij verwijst naar vroegere materiële schade die zou zijn geleden (waarvan geen enkel bewijs voorligt) naar aanleiding van lozingen door de exploitatie van het vroeger aanwezige slachthuis. Uiteraard is dergelijke argumentatie niet van nut! Het gaat in casu om een andere, nieuwe inrichting, en men kan eventuele tekortkomingen van een vroegere inrichting, en eventueel nadeel daardoor geleden, niet transponeren naar huidige inrichting! Verzoekende partijen gaan ervan uit dat de opgelegde voorwaarden, zowel de algemene en sectorale als de bijzondere vergunningsvoorwaarden, niet zullen worden nageleefd en dat daardoor nadeel zal geleden worden. . .. Dit is een pure hypothese. Er staan andere middelen ter beschikking voor niet naleven van vergunningsvoorwaarden. Deze situeren zich op het vlak van de handhaving (penaliserend) van het milieurecht, en kunnen niet de weigering of de schorsing of nietigverklaring van een vergunning voor gevolg hebben. De beweerde nadelen vloeien in elk geval NIET uit de betwiste beslissing zelf voort. III.5. t.a.v. vierde verzoekende partij: III.5.1. geurhinder Wat de beweerde geurhinder betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.1. III.5.2. brandgevaar Wat het beweerde brandgevaar betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.2. III.5.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade - In hoofdorde verwijst verwerende partij naar wat onder punt 111.2.3. werd uiteengezet, nl. i.v.m. het feit dat de beweerde dreigende visuele hinder geen nadeel is dat in rechtstreeks verband staat met de bestreden beslissing, waardoor VII-34.234-16/30 dit nadeel niet in aanmerking komt als moeilijk te herstellen ernstig nadeel als voorwaarde voor het verkrijgen van een schorsing. - Ondergeschikt moet trouwens opgemerkt worden dat vierde verzoekende partij helemaal niets uiteenzet omtrent dit in het algemeen, voor alle verzoekende partijen vermelde nadeel. Daar vierde verzoekende partij aldus geen enkel bewijs naar voorbrengt omtrent haar bestaande uitzicht dat ze nu beweert te verliezen, dient het beweerde nadeel als totaal onbewezen te worden verworpen. III.5.4. vervuiling van de Bulskampveldbeek Ook vierde verzoekende partij roept de vervuiling van de beek in. Zij omschrijft dit nadeel als de last die het gezin moet ondervinden door geurhinder. In hoofdorde moet opgemerkt worden dat vierde verzoekende partij op geen enkele wijze aantoont in welke nabijheid zij woont t.o.v. de betreffende beek, zodat vastgesteld moet worden dat het nadeel dat vierde verzoekende partij aanvoert, niet aangetoond is. Ondergeschikt verwijst verwerende partij naar de uiteenzetting hiervoren i.v.m. derde verzoekende partij: het gaat om een louter hypothetisch nadeel onder punt III.4:4. III.6.t.a.v. vijfde verzoekende partij: III.6.1. geurhinder Er wordt uiteengezet dat de geurhinder, -"nadeel dat voor elk van de betrokken verzoekers gelijk is"- het woonklimaat van verzoekers ernstig zal verstoren, waarbij gewezen wordt op de doordringende en psychisch onbehagen verwekkende geur van o.a. ammoniak. Uit het dossier blijkt evenwel dat het kasteel van vijfde verzoekende partij niet door hem bewoond wordt Er is dan ook geen sprake van enig nadeel dat vijfde verzoekende partij zou lijden m.b.t zijn woonklimaat als gevolg van de exploitatie van het betreffende bedrijf. Er is dan ook geen sprake van enig (ernstig) nadeel door geurhinder. Voor het overige verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.1. III.6.2. brandgevaar Wat het beweerde brandgevaar betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.2. Bovendien valt niet in te zien welk (ernstig) nadeel vijfde verzoekende partij zou kunnen lijden, daar uit het dossier blijkt dat zij het kasteel in de buurt van het geplande bedrijf niet bewoont. Er is dus geen sprake van een 'dagelijks passeren doorheen de Wellingstraat en het Blommeke, met de auto, met de fiets, te voet'. III.6.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade - In hoofdorde verwijst verwerende partij naar wat onder punt III.2.3. werd uiteengezet, nl. i.v.m. het feit dat de beweerde dreigende visuele hinder geen nadeel is dat in rechtstreeks verband staat met de bestreden beslissing, waardoor dit nadeel niet in aanmerking komt als moeilijk te herstellen ernstig nadeel als voorwaarde voor het verkrijgen van een schorsing. - Louter ondergeschikt wijst verwerende partij erop dat vijfde verzoekende partij verzuimt uit te leggen wat haar bestaande uitzicht is dat ze nu beweert te verliezen, zodat ze niet aannemelijk maakt dat haar uitzicht van dien aard zou zijn, rekening houdende met het feit dat zich tussen het kasteel en de exploitatie nog een ander bouwwerk en ook bomen en dergelijke bevinden, dat het verlies ervan een (ernstig) nadeel zou opleveren. Meer bepaald wordt gesteld dat het kasteel Drie Koningen omgeven is door een park van 20 ha. Er wordt gesproken van de schoonheid van de bomen. Zo zou dicht bij het gebouw een 20 meter hoge Pinsapo en daarachter op ede weide een 25 m hoge Tulpenbooom staan, is er sprake van Magnolia's van 18 m en reuze Thuya's van 22 m hoogte. Enkele edele kastanjebomen zouden een hoogte bereiken van zelfs 30 m. . VII-34.234-17/30 Er valt dan ook heel sterk te betwijfelen of er vanuit het kasteel ook maar enig zicht is op de site waar het geplande bedrijf geëxploiteerd zal worden. Er dient ook de vraag gesteld te worden wie enig uitzicht zou verliezen. Alleszins wordt niet beweerd dat het kasteel bewoond wordt. Wie zou dan ook enig uitzicht hebben, om het te verliezen? Alleszins is het niet bewezen dat het als uniek beschreven landschappelijke kader waarin het kasteel zich bevindt ook maar enige hinder zou ondervinden van de geplande gebouwen van de exploitatie. Laat staan ernstige hinder, die zelfs niet gedurende de termijn van de annulatieprocedure te verdragen zou zijn. III.7. t.a.v. zesde verzoekende partij III.7.1. geurhinder Wat de beweerde geurhinder betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.1. III.7.2. brandgevaar Wat het beweerde brandgevaar betreft, verwijst verwerende partij naar hetgeen uiteengezet werd onder punt III.2.2. III.7.3. verlies van uitzicht = landschappelijke schade - In hoofdorde verwijst verwerende partij naar wat onder punt III.2.3. werd uiteengezet, nl. i.v.m. het feit dat de beweerde dreigende visuele hinder geen nadeel is dat in rechtstreeks verband staat met de bestreden beslissing, waardoor dit nadeel niet in aanmerking komt als moeilijk te herstellen ernstig nadeel als voorwaarde voor het verkrijgen van een schorsing. - Ondergeschikt moet opgemerkt worden dat zesde verzoekende partij verzuimt uit te leggen wat haar bestaande uitzicht is dat ze nu beweert te verliezen, zodat ze niet aannemelijk maakt dat haar uitzicht van dien aard zou zijn dat het verlies ervan een nadeel zou opleveren. III.8. Besluit Zoals hiervoren aangetoond, is er in hoofde van geen van de verzoekende partijen een MTHEN aan te houden;” 5.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de zaken A. 166.687 en A. 167.620 omzeggens dezelfde repliek geeft als in de zaak A. 163.790; 5.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in de zaak 163.790 als volgt repliceert : “1. Naar luid van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, wat erop neerkomt, en wat overigens bevestigd werd in de rechtspraak van Uw Raad, dat een louter beroep tot nietigverklaring niet tot een nuttige oplossing van het geschil kan leiden indien de bestreden rechtshandeling bij de afloop van dit beroep effectief onwettig zou blijken en vernietigd zou dienen te worden. Voor een schorsing is derhalve de cumulatieve vervulling van vijf voorwaarden vereist: 1/ dat er nadeel berokkend wordt of kan worden, 2/ dat dit nadeel ernstig is, 3/ dat dit nadeel moeilijk te herstellen is, 4/ dat dit nadeel veroorzaakt wordt door de bestreden rechtshandeling en 5/ dat de verzoeker persoonlijk dit nadeel ondervindt. VII-34.234-18/30 2. In het verzoekschrift worden diverse nadelen opgesomd, waarvan enkele voor alle verzoekende partijen zouden gelden, en andere specifiek in hoofde van bepaalde verzoekende partijen. 2.1. Vooraleer de opgeworpen nadelen tegemoet te komen, dient vooreerst in het algemeen te worden opgemerkt dat verzoekende partijen nalaten om de aard en de omvang van de door hen aangevoerde nadelen te specifiëren en concreet aan te tonen, en zich beperken tot loutere beweringen, die Uw Raad geenszins toelaten om de ernst van deze nadelen te beoordelen. 2.2. In dit kader kan tevens worden vastgesteld dat verzoekende partijen lijken te vergeten dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden onderzocht in hoofde van alle verzoekende partijen afzonderlijk, en dit telkens op basis van hun concrete individuele situatie. Het gegeven dat blijkens het inleidend verzoekschrift sommige nadelen voor alle verzoekende partijen ernstig zouden zijn, terwijl andere nadelen zich slechts bij sommige verzoekende partijen zouden manifesteren, kan er uiteraard niet toe leiden dat Uw Raad alle verschillende aangevoerde nadelen, enerzijds in hoofde van meerdere verzoekende partijen en anderzijds in hoofde van één enkele verzoekende partij, in hun globaliteit beschouwt, teneinde na te gaan of er aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan. 3. Verzoekende partijen beweren dat ze allemaal, en vooral eerste verzoekende partij, een ernstig nadeel zullen lijden ten gevolge van de geurhinder die voortkomt uit de exploitatie, in functie van de windrichting. 3.1. Zoals hierboven reeds opgemerkt, laten verzoekende partijen na om dit nadeel concreet te specifiëren, bijvoorbeeld door aan te geven op welke manier de inrichting storende geurhinder kan veroorzaken, op welke afstand hun respectievelijke eigendommen zich van de inrichting en de aanvoerweg bevinden, en welke de overheersende windrichting is. Uit hetgeen daaromtrent hierna concreet wordt uiteengezet, zal blijken dat dit nadeel allesbehalve ernstig is, wellicht de reden waarom verzoekende partijen hierover vaag blijven. 3.2. De inrichting van verzoekende partij in tussenkomst zal geen additionele geurhinder veroorzaken, die niet kan worden getolereerd in agrarisch gebied. Met betrekking tot de weerlegging van dit nadeel kan vooreerst worden verwezen naar hetgeen daarover wordt gesteld op pp. 13 en 14 van het bestreden besluit, en naar de bijzondere vergunningsvoorwaarden. 3.2.1. Daaruit blijkt onder meer dat het anaëroob vergistingsproces in gesloten luchtdichte ruimtes verloopt, en elke tank is voorzien van een ontzwavelingseenheid. Het laden en lossen en stapelen van vaste afvalstoffen, vaste mest en energieplanten gebeurt in een loods die in onderdruk staat, waarbij de lucht bij het openen van de poorten wordt afgezogen en uiteindelijk wordt gezuiverd door een zure wasser en een biobed. Het ventilatiedebiet is daarbij tien keer het volume van het gebouw. Bovendien zal steeds met gesloten poorten worden gewerkt, teneinde alle mogelijke geurhinder te voorkomen. Ook het aanvoeren. en lossen van de vloeibare produkten, met name de dierlijke mest en de vloeibare afvalstromen, zal geen geurhinder veroorzaken, gezien alles wordt aangevoerd in gesloten tankwagens, en vervolgens via een vaste afgesloten aanvoerdarm, die beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die op de vrachtwagens past, wordt VII-34.234-19/30 gelost in tanks, waarbij de zich daarin bevindende lucht wordt verdreven naar de opslagloods, alwaar het door voormelde centrale luchtzuiveringseenheid wordt meegezuiverd. Bij het lossen worden de kleppen van de aanvoerdarm, de mestkelder en de vrachtwagen geopend, zodat één gesloten los dubbel klepsysteem wordt bekomen. Na het lossen wordt de mestdarm uiteindelijk onder hoge druk leeggeblazen. Bovenstaand procédé verhindert aldus dat er geurhinder ontstaat bij het laden en lossen en stapelen van alle gebruikte stoffen, zodat het nadeel reeds daarom niet ernstig is. Minstens wordt nergens aangetoond dat deze beproefde methode geen afdoende garanties biedt. Hiervoor kan nog worden verwezen naar de uiteenzetting onder het zevende middel. Bovendien weze in dit kader opgemerkt dat de bijzondere vergunningsvoorwaarden ook opleggen dat er noodzakelijke onderhoudsvoorschriften dienen te worden opgesteld voor het luchtbehandelingssysteem, met goedkeuring van een erkend deskundige lucht, die deze voorschriften opvolgt en het onderhoud van het lucht behandelingssyst eem jaar lijks co nt r oleert . Alle onderhoudshandelingen en controles worden bijgehouden in een onderhoudsboek. De loutere, niet gefundeerde, bewering van verzoekende partijen, dat de vrachtwagens in open lucht worden gelost, is aldus pertinent onjuist. Hetzelfde geldt voor de bewering dat er in de loods een constante opslag zal zijn van 50.000 ton mest, gezien er hoogstens sprake kan zijn van 18000 ton mest, zowel begin, tussen- als eindprodukt. Overigens weze hierbij herhaald dat de lucht in de loods steeds wordt afgezogen en gezuiverd. 3.2.2. Wat betreft het argument van verzoekende partijen dat er dagelijks 24 "naar varkensmest stinkende vrachtwagens" door de Wellingstraat en het Blommeke zullen passeren, dient opnieuw te worden opgemerkt dat dit overdreven en onjuist is. De vergunning voorziet in een maximum van 24 verkeersbewegingen per dag. Los van de vaststelling dat dit maximum uiteraard niet elke dag wordt gehaald, moet hierbij worden opgemerkt dat de vrachtwagens worden. aangevoerd via de brede en goed uitgeruste Wellingstraat, ofwel uit de richting van Beernem, via de brug over de E40 autostrade, ofwel uit. de richting van Wingene, en bijvoorbeeld niet langs de Heirweg, die niet mag worden gebruikt voor zwaar verkeer. Deze route loopt ter hoogte van het bedrijf bovendien hoofdzakelijk door agrarisch gebied, waar de tolerantiedrempel uiteraard hoger is dan in een woongebied, en een gebeurlijke geurhinder -quod non in deze- eerder voortvloeit uit de gewestplanbestemming dan uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Wanneer de vrachtwagens ter hoogte van het slachthuis van Beernem komen, wordt de Wellingstraat verlaten, om via de bestaande inrit van het slachthuis naar de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst te rijden. Daartoe werd in een notariële akte voorzien dat er een recht van doorgang is over het perceel van het slachthuis. Vervolgens wordt ook voorzien dat de weg achteraan het perceel, die in verbinding staat met het Blommeke, zal worden verhard en gebruikt, teneinde te verhinderen dat de vrachtwagens van de loonwerker wiens exploitatie aan het einde van deze weg is gelegen, en die de transporten voor de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst zal verzorgen, het verkeer op het Blommeke zouden hinderen. Eén en ander heeft uiteraard eveneens tot gevolg dat de VII-34.234-20/30 mogelijke bestaande geluidshinder ten gevolge van de E40-autostrade alleszins niet zal toenemen. 3.3. Eerste verzoekende partij woont het dichtst van alle verzoekende partijen bij de plaats waar de inrichting wordt gesitueerd. Toch woont deze partij nog steeds op circa 300 meter ten zuiden daarvan, langs de Heirweg, die niet wordt gebruikt voor de aan- en afvoer van mest- en andere stoffen. Bovendien is de woning en de uitbating van eerste verzoekende partij zonevreemd, gezien gelegen in agrarisch gebied, zodat eerste verzoekende partij zoals hierboven gesteld niet vermag te klagen over een gebeurlijke minimale geurhinder -quod non in deze: zie hoger-. Eerste verzoekende partij laat daarbij -wellicht bewust- na om te vermelden dat er tussen de geplande inrichting en zijn eigendom onder meer een aërobe waterzuiveringsinstallatie is gelegen, die eerder geurhinder kan .veroorzaken dan de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst, en een haag en bomenrij. Voorts ligt er op enkele honderden meters ten noordoosten van de eigendom van eerste verzoekende partij een zéér groot varkensbedrijf, met een tiental varkensstallen, dat overigens onlangs nog uitbreidde, en waarvan eerste verzoekende partij blijkbaar geen hinder ondervindt. 3.4. De eigendom van de respectievelijke andere verzoekende partijen is op nog grotere afstand gesitueerd van de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst, hetgeen afdoende blijkt uit de bij de stukken gevoegde situatieschets. Hun -zonevreemde- eigendommen liggen bovendien niet tegenaan de wegen waarlangs de mest- en andere stoffen zullen worden aan- en afgevoerd, terwijl ze omgeven zijn door groen, en zelfs middenin een park of bos zijn gesitueerd. De eigendom van vierde verzoekende partij ligt zelfs aan de overzijde van de E40-autostrade, terwijl het slachthuis is gesitueerd tussen zijn eigendom en de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst. Wat betreft het nadeel van derde verzoekende partij, valt niet in te zien hoe een rechtspersoon een. persoonlijk nadeel zoals geurhinder zou kunnen ondervinden. 3.5. Uit de uiteenzetting hierboven blijkt aldus afdoende dat geen van alle verzoekende partijen voldoende aantoont dat de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst aanzienlijke geurhinder zal veroorzaken, die niet moet worden getolereerd in agrarisch gebied, en die van aard is dat zij daardoor een ernstig nadeel zullen lijden. 4. Verzoekende partijen voeren ook allemaal aan dat zij een nadeel dreigen te lijden door het beweerde gebrek aan deugdelijke voorzieningen op het vlak van de beveiliging en de brandveiligheid. 4.1. Verzoekende partijen verwijzen hierbij naar hetgeen ze onder hun negende en tiende middel uiteenzetten. Evenwel moet opnieuw worden vastgesteld dat verzoekende partijen geenszins rekening houden met de voorziene veiligheidsmaatregelen, die eveneens in het bestreden besluit worden vermeld, onder meer met betrekking tot de opslag van biogas boven de vergistingstanks, waarbij een fakkel wordt voorzien indien de gasmotor buiten werking is. Voorts worden op het volledige systeem, dit is de vergisters, de biogasopslag, de leidingen en de WKK continu drukmetingen uitgevoerd, waarbij PLC-gestuurd acties worden ondernomen, vooraleer een boven- of ondergrens in werking treedt. Daarenboven worden op de biogasopslag additioneel dubbele overdruk en onderdruk-beveiligingen voorzien. Ook wordt er maximaal 5% buitenlucht toegevoegd bij het ontzwavelen van de biogas, zodat het volledige systeem nooit in de buurt van de explosiegrens van het biogas kan komen. Bij een gebeurlijke brand is er voldoende bluswater VII-34.234-21/30 voorradig in de effluentenbuffer van 400m³. In dit kader kan eveneens worden verwezen naar de voorzieningen die worden getroffen om de brandweer toe te laten voldoende flexibel te manoevreren rond de ganse inrichting. Wat betreft de opslag van gevaarlijke stoffen, worden uiteraard eveneens de nodige veiligheidsmaatregelen genomen, waarbij de opslagtanks worden geplaatst in een extra lekbak, die de volledige inhoud van deze tanks kan opvangen, en waarbij bij deze tank en bij de luchtwasser aanvullend is voorzien in absorberend materiaal voor het zwavelzuur op de huid en een nooddouche. Tenslotte worden de noodzakelijke blustoestellen, brandwerende materialen, noodverlichting- en uitgangen voorzien, en worden alle veiligheidsvoorzieningen omschreven in een veiligheidsboek. Daarenboven dient een erkend VR-deskundige een veiligheidsstudie op te maken voor de bouw van de mestverwerkingsinstallatie, waarin eventueel bijkomende veiligheidsmaatregelen worden voorgesteld en meegedeeld aan de bevoegde overheid, die dienen. te worden uitgevoerd onder controle van deze deskundige. Wat betreft het argument dat verzoekende partijen tevens een nadeel dreigen te lijden omdat het terrein niet zou worden afgezet, weze opgemerkt dat het terrein nu reeds is omheind, en ook na de bouw van de inrichting verder zal worden afgezet, met daarrond nog een brede groene zone. 4.2. Met betrekking tot dit nadeel, dient te worden opgemerkt dat verzoekende partijen laten uitschijnen dat een grote ramp onoverkomelijk is, terwijl inachtgenomen de hierboven opgesomde veiligheidsmaatregelen moet worden vastgesteld dat dit nadeel eerder hypothetisch is, te meer verzoekende partijen allen op een respectabele afstand van de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst W0nen, en een gebeurlijke calamiteit alleszins niet van aard is om hen een ernstig nadeel te berokkenen. 4.3. Ook dit nadeel mist aldus ernst, waarbij opnieuw wordt opgemerkt dat niet valt in te zien hoe derde verzoekende partij als rechtspersoon het aangevoerde nadeel zou kunnen lijden. 5. Derde en vierde verzoekende partijen voeren aan dat zij een nadeel lijden door de te verwachten verontreiniging van de Bulskampveldbeek, die langs hun eigendom zou stromen, alhoewel dit nergens wordt aangetoond. Dat dit nadeel niet hypothetisch is, zou moeten blijken uit het gegeven dat deze beek in het verleden, ten gevolge van de exploitatie van het slachthuis, zou zijn vervuild. 5.1. Met betrekking tot het nadeel van derde verzoekende partij, weze opnieuw opgemerkt dat deze vennootschap geen persoonlijk nadeel kan ondervinden van de beweerde te verwachten vervuiling. Hetzelfde kan echter worden gezegd van vierde verzoekende partij, die ter staving van de ernst van zijn nadeel enkel verwijst naar een beweerdelijke verontreiniging van de beek in het verleden door een andere inrichting, die geen voorwerp uitmaakt van de bestreden milieuvergunning. 5.2. De lozing van bedrijfsafvalwater in de beek zal immers geen vervuiling teweegbrengen, die een ernstig nadeel in hoofde van derde verzoekende partij teweegbrengt. Hiervoor kan worden verwezen naar hetgeen onder meer in het bestreden besluit op p. 12 wordt gesteld met betrekking tot de lozing van afvalwater. Dit water zal voortkomen uit de gezuiverde dunne fractie van het mestverwerkingssysteem en van het reinigingswater van de vrachtwagens. Het afvalwater van de VII-34.234-22/30 mestverwerking, evenals dat van het inwendig reinigen van de vrachtwagens, zal worden gezuiverd door ultrafiltratie, twee omgekeerde osmosefiltraties en een actief koolfilter. Het effluent zal vervolgens worden gebufferd in een effluentenbuffer, en pas daarna geloosd in de beek. Het waswater van de vrachtwagens zaluit de buffer worden gehaald, en na het reinigen van de vrachtwagens via een bezinkput, koolwaterstofafscheider en coalescentiefilter terug naar de buffer worden gevoerd. Daarbij wordt een meetinstallatie voorzien ter controle van het geloosde afvalwater. In dit kader kan worden verwezen naar een analyserapport in het dossier van de Bodemkundige Dienst van België, waaruit blijkt dat een proefunit aantoont dat de sectorale nomen niet worden overschreden bij dit procédé. Ter controle wordt in navolging van het gunstig advies van de VMM van 29 juli 2004 bovendien als bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde opgelegd dat er binnen achttien maanden na het verlenen van de vergunning moet worden aangetoond dat aan de sectorale en bijzondere lozingsvoorwaarden wordt voldaan, middels analyses voor de heffingsparameters, uitgevoerd door een erkend labo. De analyseresultaten van de bemonsteringen op het effluent moeten binnen dertig dagen na bemonstering worden overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid, de VMM en Aminal Vergunningen, 5.3. Voorts kan omtrent dit nadeel nog worden opgemerkt dat de Bulskampveldbeek, die komt uit de richting van de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst, niet langs de eigendom van vierde verzoekende partij passeert, hetgeen blijkt uit het bijgevoegde plan. De gracht die gebeurlijk langs de woning van vierde verzoekende partij stroomt, hetgeen alleszins niet blijkt uit de voorgelegde foto's, watert af in de Bulskampveldbeek, die vervolgens richting het kanaal Brugge- Gent stroomt. 6. Tenslotte voeren alle verzoekende partijen aan dat de inrichting van verzoekende partij in tussenkomst visuele hinder veroorzaakt, en het volgens verzoekende partijen ongeschonden landschap beschadigt. 6.1. Met betrekking tot dit nadeel, dient in hoofdorde te worden opgemerkt dat dit beweerde nadeel rechtstreeks voortvloeit uit de stedenbouwkundige vergunning, die alhoewel behoorlijk bekendgemaakt, met inbegrip van een openbaar onderzoek, door geen enkele van de verzoekende partijen ooit werd aangeklaagd of aangevochten, alhoewel verzoekende partijen, die beweren dagelijks met de auto, de fiets of te voet langs het terrein te passeren, daarvan alleszins op de hoogte waren. Het kan niet worden aanvaard dat verzoekende partijen op heden nog de stedenbouwkundige aspecten van de inrichting bekritiseren, gezien deze geenszins voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dat betrekking heeft op de exploitatie van de inrichting. 6.2. Bovendien kan voor de goede orde worden opgemerkt dat verzoekende partijen ook met betrekking tot dit nadeel de waarheid geen eer aandoen. Zoals uit de overwegingen van de stedenbouwkundige vergunning blijkt, bevindt de inrichting zich in een ruimtelijk aangetast gebied, als gevolg van de autosnelweg, de brug over de autosnelweg, de gebouwen van het bestaande slachthuis en het grote- varkensbedrijf en het loonwerkersbedrijf. Bovendien zal de inrichting worden omringd door een groenscherm, in samenspraak met het Regionaal Landschap Houtland, terwijl geen van verzoekende partijen op heden de inrichting kan waarnemen vanuit zijn woning, met VII-34.234-23/30 uitzondering van eerste verzoekende partij, die daarvoor evenwel onder meer boven een grote haag en tussen een bomenrij moet kijken, hetgeen blijkt uit de bijgevoegde foto's. 7. Gezien voormelde uiteenzetting, is in deze zekerlijk niet voldaan aan één van de twee cumulatieve schorsingsvoorwaarden, zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging reeds om deze reden moet worden afgewezen als ongegrond. Voor de goede orde kan hieromtrent in het algemeen nog worden verwezen naar een gelijkaardige zaak voor Uw Raad, waarbij in arrest nr. 140.760 van 17 februari 2005 werd geoordeeld dat niet werd voldaan aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel;” 5.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in de zaak A. 166.687 grotendeels herhaalt wat zij in de zaak A. 163.790 heeft gesteld; dat zij, samengevat, daaraan nog toevoegt dat, wat de opmerking van de verzoekende partij betreft dat er geen oplossing voor de bestrijding van geurhinder zou voorliggen indien er zich accidentele gebeurtenissen voordoen, de verzoekende partij de ernst van het nadeel niet kan staven door iets wat louter hypothetisch is; dat wat de door verzoeker voorgestelde afstand van 193 meter tussen zijn eigendom en die van de tussenkomende partij betreft, zij preciseert dat het de afstand betreft tussen de perceelsgrenzen en niet tussen het deel van de inrichting dat volgens verzoeker geurhinder zal veroorzaken en zijn eigendom; dat zij stelt dat de afstand tot de loods en tot de eerste opslagtank -opslagtanks die alle hermetisch afgesloten zijn- minstens 300 meter bedraagt; dat zij er nogmaals op wijst dat de inrichting geen geurhinder zal veroorzaken en zeker geen geurhinder die niet in een agrarisch gebied kan worden getolereerd, zodat de discussie over de afstand zelfs irrelevant is; 5.2.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in de zaak A. 167.620 eveneens haar repliek in de vorige zaken grotendeels herhaalt; dat zij daarbij nog preciseert -dit los van de vaststelling dat de maximum vergunde 24 verkeersbewegingen per dag niet elke dag zal worden gehaald- dat de vrachtwagens die uit de richting van Beernem, via de brug over de E40-autosnelweg, naar de inrichting komen niet langs de eigendom van de verzoekende partij passeren en dat dit enkel het geval is voor de vrachtwagens die uit de richting van Wingene komen; dat zij benadrukt dat de horecazaak van de verzoekende partij zonevreemd is en dat ter hoogte ervan dagelijks landbouwvoertuigen passeren gezien de vele agrarische bedrijven in de onmiddellijke omgeving; dat zij ook nog opmerkt dat uit een neergelegd deskundigenverslag van een landmeter blijkt dat de afstand van de uiterste en dichtst gelegen perceelgrens van de eigendom van de verzoekende partij ten opzichte van de loods minstens circa 330 meter bedraagt en dat hetzelfde geldt voor VII-34.234-24/30 de afstand van de eerste opslagtank; dat zij “louter voor de volledigheid” er op wijst dat de eigendom van de verzoekende partij is gelegen ten noordwesten van de inrichting, zodat “de voorgehouden geurhinder enkel door een wind uit zuidoostelijke richting tot bij hem zou kunnen worden geblazen, terwijl de overheersende windrichting in België volgens onderzoek van het KMI uit zuidwestelijke richting komt”; 6.1. Overwegende dat, wat de aangevoerde geurhinder betreft, dat in de beslissing van 20 april 2005 waarbij de vergunning wordt verleend als volgt omstandig wordt gemotiveerd welke maatregelen er worden genomen om de geurhinder te beperken : “Overwegende dat het laden, lossen en stapelen van de vaste afvalstoffen, de vaste mest en de energieplanten in de loods gebeuren; dat deze loods in onderdruk staat; dat de lucht wordt afgezogen en uiteindelijk wordt gezuiverd door een zure wasser (10 luchtverversingen per uur) en een biofilter; dat deze techniek als BBT wordt aangenomen ter preventie van luchtverontreiniging en geurhinder (BBT-studie voor be- en verwerking van dierlijke mest); dat het aangewezen is steeds met gesloten poorten te werken; Overwegende dat de vloeibare producten (dierlijke mest en vloeibare afvalstromen) worden aangevoerd in tankwagens; dat deze producten door middel van vloeistofdichte snelkoppelingen via een vaste aanvoerdarm gelost worden in de tanks; dat de verdreven lucht naar de opslagloods wordt geleid en wordt meegezuiverd door de centrale luchtzuiveringseenheid (zure wasser en biobed); dat de bestendige deputatie hieromtrent de volgende voorwaarden heeft opgelegd: - de gesloten tankwagens die buiten het gebouw worden opgesteld op een verharde ondergrond, worden aangesloten op een afgesloten aanvoerdarm van de eveneens afgesloten voorraadkelder. Deze aanvoerdarm beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die op de vrachtwagens past; - om te lossen worden de kleppen van de aanvoerdarm, mestkelder en de vrachtwagens geopend zodat één gesloten lossysteem wordt bekomen (een dubbel klepsysteem); na het lossen wordt de mestdarm onder hoge druk leeggeblazen; - daarnaast worden er nog extra maatregelen genomen: er wordt een lekbak voorzien die in het geval van een accidentele gebeurtenis de mest alsnog kan opvangen; de vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde ondergrond; alle run-off van deze verharding wordt opgevangen en wordt eveneens door de mestverwerkingsinstallatie gestuurd; - tijdens het bedienen van de installatie dient de nodige aandacht besteed te worden aan de nauwgezette opvolging van de interne procedures; aan het personeel, dat met de losoperaties is belast, worden terzake duidelijke schriftelijke richtlijnen gegeven; Dat artikel 5.28.3.4.1, § 1 van titel II van het Vlarem stelt dat het laden en lossen van de mest in afgesloten ruimten moet gebeuren; dat in het betreffende artikel verder wordt vermeld dat elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om amoniakemissie en hinder te voorkomen in de milieuvergunning kan worden toegelaten;” VII-34.234-25/30 dat uit deze motivering blijkt dat tal van maatregelen genomen werden om de geurhinder aanzienlijk te beperken; dat de verzoekende partijen met hun betoog niet aannemelijk maken dat mits het naleven van de bijzondere vergunningsvoorwaarden de exploitatie van de inrichting een ernstige geurhinder afkomstig van mest zal verspreiden die door bewoners van een agrarisch gebied en door klanten van een horecazaak binnen datzelfde gebied niet moet worden getolereerd; dat daarbij nog komt dat, zoals de tussenkomende partij doet gelden, de zaak van verzoeker MASSCHELIN zich ten zuiden van de geplande inrichting bevindt en die van verzoeker STUBBE ten noordwesten ervan, terwijl de overheersende windrichting in België uit zuidwestelijke richting komt; 6.2.1. Overwegende, wat het aangevoerde onveiligheidsaspect betreft, dat in de bestreden beslissing inzake veiligheidsmaatregelen het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen met betrekking tot de opslag van biogas boven de vergistingstanks; dat er een fakkel voorzien is indien de gasmotor buiten werking is; dat op het buitenterrein 2 H2SO4 opslagtanks zijn voorzien, die geplaatst worden in een extra lekbak, die de gehele hoeveelheid van de opslagtank kan opvangen; dat bovendien bij deze tank en bij de luchtwasser absorberend materiaal voor het zwavelzuur en een nooddouche zal worden geplaatst; dat de exploitant vermeldt dat het gehele doseerstation ingericht zal worden conform de geldende normen; dat in het aanvraagdossier wordt vermeld dat de noodzakelijke blustoestellen, brandwerende materialen, noodverlichting en uitgangen worden voorzien en dat alle veiligheidsvoorzieningen duidelijk omschreven in een veiligheidsboek of werkplan worden vastgelegd en ter plaatse van het bedrijf van de noodzakelijke opschriften voorzien worden; dat in geval van brand voldoende bluswater voorradig is in de effluentbuffer van 400 m³;” dat daaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, in ieder geval veiligheidsmaatregelen zijn genomen die het risico op brand en/of ontploffing en de gevolgen van dergelijke calamiteiten moeten beperken; dat de verzoekende partijen niet in concreto aantonen dat zij zich moeten blootstellen aan het risico van ontploffing, alsof brand en/of explosie zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen voordoen, en die tot een ramp zullen leiden die hen persoonlijk zal treffen; dat het terzake trouwens niet duidelijk is waarnaar verzoekers refereren bij hun verwijzing zonder enige concrete toelichting naar het recent verleden waar een dergelijke ramp zich zou voltrokken hebben. VII-34.234-26/30 6.2.2. Overwegende dat verzoekers nog vruchteloos verwijzen naar hun uiteenzetting van het negende en tiende middel; dat in het negende middel onder meer wordt aangeklaagd dat de veiligheidsstudie slechts als voorwaarde wordt opgelegd en niet voorafgaandelijk moet gebeuren, en dat onvoldoende zou zijn geantwoord op de door verzoekers geuite bezwaren inzake brandveiligheid; dat in het tiende middel de schending van de EG-verordening tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten wordt aangevoerd; dat niet valt in te zien hoe deze eventuele onwettigheden het risico op brand of explosie dermate zouden vergroten dat een brand of explosie onafwendbaar is; dat in elk geval de verzoekende partijen desbetreffend geen nadere toelichting verschaffen; 6.2.3. Overwegende, voorts, dat de verzoekende partijen nog gewag maken van de ontoelaatbare opslag van zwavelzuur in agrarisch gebied; dat dienaangaande de verwerende partij kan bijgetreden worden waar zij stelt dat dit wel een zeer ongenuanceerd standpunt is, vermits luidens artikel 5.17.1.2, § 1, 2, van Vlarem II de opslag van de bedoelde stoffen verboden is in ander dan industriegebied, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning; dat prima facie er dus geen absoluut verbod van opslag van zwavelzuur in agrarisch gebied lijkt te zijn; 6.2.4. Overwegende, tenslotte, dat het niet duidelijk is hoe de bewering dat de inrichting nog niet volledig afgesloten is - hetgeen door tussenkomende partij betwist wordt - het risico op brand of ontploffing zou kunnen vergroten; dat prima facie de verwerende partij lijkt te moeten worden bijgetreden waar zij stelt dat het een inrichting klasse 2 betreft, waarop artikel 5.17.1.3, § 5, van Vlarem II dat het ontoegankelijk maken van een inrichting voor onbevoegden oplegt, niet van toepassing is; 6.2.5. Overwegende dat bovenstaande vaststellingen volstaan om te besluiten dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de exploitatie van de inrichting een ernstig risico op ontploffing en brand zal teweegbrengen dat hen persoonlijk zal treffen; 6.3.1. Overwegende, wat betreft de vervuiling van de Bulskampveldbeek die door de derde en de vierde verzoekende partij als dreigend nadeel wordt aangevoerd, dat zij dat nadeel hoofdzakelijk adstrueren op grond van vervuiling uit het verleden door lozingen van het toenmalige slachthuis en dat zij er vanuit gaan dat VII-34.234-27/30 een zelfde ‘tragedie’ zich zal herhalen omdat de dwingende voorschriften om vervuiling te voorkomen bij het verlenen van de vergunning niet werden nageleefd; dat evenwel die lozingen niets te maken hebben met de hier vergunde inrichting; 6.3.2. Overwegende dat inzake de lozingen in de bestreden beslissing het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van de gezuiverde dunne fractie van het mestverwerkingssysteem en van reinigingswater van de vrachtwagens; dat het afvalwater van de mestverwerking wordt gezuiverd door ultrafiltratie, 2 omgekeerde osmosefiltraties en een actief koolfilter; dat het effluent wordt gebufferd in een effluentbuffer van 400 m³ en vervolgens wordt geloosd in de Bulskampveldbeek; dat er verder een meetinstallatie wordt voorzien ter controle van het afvalwater dat wordt geloosd; Overwegende dat op het plan met de afvalwatercircuits de verbinding tussen de filterinstallatie en de buffer niet is aangegeven, noch de controle-installatie tussen de buffer en het lozingspunt; dat evenwel is verduidelijkt dat het waswater van de vrachtwagens uit de buffer gehaald wordt en dat dit afvalwater na het reinigen van de vrachtwagens via een bezinkput, koolwaterstofafscheider en coalescentiefilter wordt teruggevoerd naar de buffer; dat dit zuiveringsprocédé enkel voldoet voor afvalwater van het uitwendig reinigen van de vrachtwagens; dat afvalwater afkomstig van het eventueel inwendig reinigen de volledige zuiveringsinstallatie (ultrafiltratie, omgekeerde osmose en aktief koolfilter) moet doorlopen vermits dit water met de grondstoffen in contact is geweest; dat het inwendig reinigen van de vrachtwagens ook in de loods in onderdruk gebeurt; dat dit in de bestreden beslissing werd opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat fosfaten nominatief vermeld zijn op de lijst van gevaarlijke stoffen (bijlage 2C van titel I van het Vlarem) en dat de van toepassing zijnde lozingsnorm hoger is dan de milieukwaliteitsnorm (Ptot: 1 mg/l); dat de activiteit één of meer van de in bijlage 2C bij titel I van het Vlarem bedoelde gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewater, met een debiet tot en met 20 m³ /uur bijgevolg van toepassing is; dat de sectorale lozingsvoorwaarden van toepassing zijn volgens bijlage 5.3.2.24bis
  2. b)van titel II van het Vlarem; dat aan het dossier een analyserapport werd bijgevoegd van de Bodemkundige Dienst van België; dat dit een proef-unit betreft en dat de metingen werden uitgevoerd op de dunne fractie na mestscheiding over het filtratie-gedeelte; dat uit de resultaten blijkt dat deze sectorale normen niet worden overschreden; Overwegende dat het niet-verontreinigde hemelwater geloosd wordt in oppervlaktewater en dat het potentieel verontreinigde hemelwater van loszones mee verwerkt wordt in de verwerkingsinstallatie;” dat daaruit blijkt dat wel degelijk de nodige voorwaarden werden opgelegd inzake de lozingen en dat deze voorwaarden prima facie in overeenstemming zijn met de reglementering; dat de verzoekende partijen wel stellen, doch nergens aantonen welke “dwingende voorschriften terzake” niet zouden zijn nageleefd; dat, tenslotte, de VII-34.234-28/30 opgelegde controle van het afvalwater enkel een bijkomende zekerheid betreft om na te gaan of de opgelegde normen nageleefd worden; dat deze controle achteraf niet wegneemt dat de tussenkomende partij zich moet houden aan de opgelegde voorwaarden; Overwegende dat , gelet op het voorgaande besloten moet worden dat de vrees voor vervuiling van de Bulskampveldbeek al te hypothetisch is om als moeilijk te herstellen ernstig nadeel gekwalificeerd te kunnen worden; 6.4. Overwegende, wat de door de verzoekende partijen aangevoerde landschappelijke schade betreft die door het nieuwe bedrijvencomplex zou worden veroorzaakt, dat dit nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; dat voor het overige de desbetreffende repliek van de verwerende en tussenkomende partij kunnen worden bijgetreden; 7. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste voorwaarde, zodat de vorderingen moeten worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 163.790/VII- 34.234, A. 166.687/VII-34.703 en A. 167.620/VII- 34.913 worden samengevoegd voor wat vordering tot schorsing betreft. Artikel 2. De verzoeken tot tussenkomst van de b.v.b.a. C&D FOOD in de administratieve kort gedingen worden ingewilligd. Artikel 3. VII-34.234-29/30 De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en zes, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-34.234-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.