← België

Arrest 156098 - - 09/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.098 Rolnummer: A. 96930/VII-23090 Zaak: Arrest 156098 - - 09/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 12:42 Fiche Arrest nr 156.098 van 9 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.098 van 9 maart 2006 in de zaak A. 96.930/VII-23.

  1. In zake :
  2. Luciaan DE KESEL,
  3. Luc VAN DE WALLE, die woonplaats kiezen bij advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij advocaat R. DE MEYER, kantoor houdende te GENT, Zuidstationstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luciaan DE KESEL en Luc VAN DE WALLE op 27 oktober 2000 hebben ingediend om te nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Vlaamse Landmaatschappij afdeling Mestbank van 29 augustus 2000 houdende afwijzing van hun bezwaar tegen het gecorrigeerde aanslagbiljet voor mestafname; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 22 april 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-23.090-1/6 Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. DEVOS die, loco Advocaat R. DE MEYER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat het auditoraatsverslag er ambtshalve toe besluit dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om te oordelen over de ingestelde vordering; dat de verwerende partij zich in haar laatste memorie bij die declinatoire exceptie aansluit;
  6. Overwegende dat het geschil moet worden gesitueerd binnen het hierna geschetste juridisch en feitelijk kader : 2.
  7. Artikel 21 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen stelt in paragraaf 1 een basisheffing in op de productie van dierlijke mest, waarvan de opbrengst integraal wordt toegekend aan de Mestbank, lastens elke producent op wiens bedrijf de dierlijke mestproductie MPp gedurende het voorbije kalenderjaar meer bedroeg dan 300 kg difosforpentoxyde. Het bedrag van deze basisheffing wordt berekend door middel van de in dezelfde paragraaf opgenomen formule. Luidens paragraaf 4 van het voormelde artikel 21 wordt, aanvullend aan de in paragraaf 1 bedoelde basisheffing, een afzetheffing geheven lastens elke producent die in het voorbije kalenderjaar met tussenkomst van de Mestbank dierlijke mest heeft verhandeld. Het bedrag van deze bijkomende heffing wordt vastgesteld als "het product van de gemiddelde kostprijs per ton met de in de in de loop van het voorbije kalenderjaar, met tussenkomst van de Mestbank verhandelde hoeveelheid dierlijke mest". Ten slotte wordt bepaald dat de Vlaamse regering de berekeningsmodaliteiten voor de gemiddelde kostprijs per ton vaststelt, VII-23.090-2/6 rekening houdend met de kostprijs van de afhaling, het transport, de opslag, het kwaliteitsonderzoek, de administratiekosten, de prefinancieringskosten en desgeval- lend de kosten voor het opbrengen, de bewerking of de verwerking van de met tussenkomst van de Mestbank verhandelde mest. 2.
  8. In het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 1996 houdende regeling van de bijkomende afnameplicht en bemiddeling voor bijkomende mestoverschotten in sommige gebieden waar verscherpte bemestingsnormen gelden, vindt de regeling inzake de afzetheffingen verdere uitvoering voor de erin geviseerde bijkomende mestoverschotten van gezinsveeteeltbedrijven gelegen in gebieden waar verscherpte bemestingsnormen gelden. Dit besluit stelt in artikel 4, vervangen bij besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997, dat de producenten die voor de afzet van de bijkomende mestoverschotten geheel of gedeeltelijk wensen beroep te doen op de Mestbank in het kader van haar bijkomende ontvangstplicht, een bedrag betalen dat gelijk is aan de vergoedingen voor mestafzet en mestopslag, bedoeld in artikel 2, §§ 2 en 3 van het besluit van 20 december 1995 tot vaststelling van de vergoedingen, voor de jaren 1996 en 1997, in uitvoering van artikel 15, § 9, van het meststoffendecreet, en dit ten belope van een welomschreven hoeveelheid. 2.
  9. Op aanvraag van de verzoekers werd op hun bedrijf door de Mestbank 120 ton fokvarkens- en rundermengmest opgehaald. Ten gevolge daarvan werd hen door de Mestbank op 31 januari 2000 een aanslagbiljet toegestuurd ten bedrage van 153.286 BEF. In de toelichting daarbij werd vermeld dat de gemiddelde kostprijs berekend werd overeenkomstig artikel 21 van het Meststoffendecreet. Op 27 maart 2000 werd het aanslagbiljet gecorrigeerd. 2.
  10. Bij aangetekende brief van 17 mei 2000 dienten de verzoekers bij de Vlaamse Landmaatschappij een bezwaarschrift in tegen de bovenvermelde aanslag. In dat bezwaarschrift voeren de verzoekers aan dat hun aanvraag tot mestafname gebaseerd was op het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 1996 houdende regeling van de bijkomende afnameplicht en bemiddeling voor bijkomende mestoverschotten in sommige gebieden waar verscherpte bemestingsnor- men gelden, en dat dit besluit voorziet in een bijzondere afnameplicht van de VII-23.090-3/6 Mestbank en in een vergoeding voor mestafzet en mestopslag zoals vastgelegd in het vergoedingenbesluit van de Vlaamse regering van 20 december
  11. De aanslagbiljetten zijn naar hun mening ten onrechte op artikel 21, § 4, van het Meststoffendecreet gesteund. De aanslag had moeten zijn berekend zoals bepaald in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart
  12. 2.
  13. De bestreden beslissing verwerpt het bezwaar, op grond van de volgende motivering : "De afname van mestoverschotten die in 1999 op uw bedrijf gebeurde, vond wel degelijk plaats in het kader van de bijzondere afnameplicht van de Mestbank zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 1996 houdende regeling van de bijkomende afnameplicht en bemiddeling voor bijkomende mestoverschotten in sommige gebieden waar verscherpte bemes- tingsnormen gelden. Artikel 4 van dit besluit verwijst met betrekking tot de berekening van de vergoeding verschuldigd voor het ophalen van de mestoverschotten inderdaad naar de artikelen 2, § 2 en 2, § 3, van het besluit van 20 december 1995 tot vaststelling van de vergoedingen, voor de jaren 1996 en 1997, in uitvoering van artikel 15, § 9, van het mestdecreet. Dit laatsgenoemde besluit is nu nog steeds van kracht, maar aangezien het enkel de vergoedingen vaststelt voor de jaren 1996 en 1997, heeft dit tot gevolg dat het in de praktijk enkel voor die jaren effectief van toepassing kan zijn. Artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 1996 verwijst dus eigenlijk naar een besluit dat strikt juridisch gezien niet opgeheven is, maar dat, gelet op de inhoud ervan, voor situaties na 1997 geen betekenis meer kan hebben. Op dit moment kan dan ook niet meer naar dit besluit teruggegrepen worden om de vergoeding voor de afname van mestoverschotten te berekenen. Gelet op de formulering van artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 1996, is het zelfs niet meer mogelijk om het juiste bedrag verschuldigd voor de afname van de mestoverschotten in 1999, ondubbelzinnig te berekenen op basis van artikel 2 van het vergoedingenbesluit. In een brief van de Mestbank dd. 20 januari 1999 werd u reeds op de hoogte gebracht van de problemen die rond de bijzondere afnameplicht van de Mestbank, gerezen waren. In deze brief wordt zelfs uitdrukkelijk vermeld dat, afhankelijk van een/de uitspraak van de Europese Commissie over het hele vergoedingenstelsel voorzien in de Vlaamse mestwetgeving, de mogelijkheid bestaat dat de mestafnamekosten integraal op uw bedrijf zullen worden verhaald. Het feit dat u na deze brief alsnog een beroep hebt gedaan op de Mestbank voor de afname van de mestoverschotten, toont aan dat u zich impliciet akkoord verklaarde met de in de brief voorgestelde regeling. Bijgevolg kan ik uw argumenten niet aanvaarden en verzoek ik u hierbij het bedrag zoals bepaald op de factuur van 27 maart 2000 te betalen vóór 15 september 2000";
  14. Overwegende dat uit het bovenstaande en uit de aangevoerde annulatiemiddelen blijkt dat het werkelijk voorwerp van het voorliggend geschil een VII-23.090-4/6 betwisting betreft over het bedrag van de door de verwerende partij gevorderde heffing; Overwegende dat de hierboven geschetste toepasselijke regelge- ving vaststelt wie aan de erin opgelegde heffingen zijn onderworpen, en precies bepaalt op welke manier de verschuldigde heffingen worden berekend; dat hierbij aan de bevoegde overheid geen enkele discretionaire bevoegdheid wordt verleend; dat het voorliggend geschil betrekking heeft op subjectieve rechten; dat de desbetreffen- de decretale regeling geen bepaling bevat die de Raad van State bevoegd maakt voor de beslechting van geschillen met betrekking tot de vestiging van de kwestieuze heffingen; dat de beslechting van geschillen betreffende burgerlijke rechten krachtens artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken behoort; dat ook de beslechting van geschillen betreffende politieke subjectieve rechten, krachtens artikel 145 van de Grondwet, tot de bevoegdheid van de justitiële rechter behoort, “behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen”; dat de bevoegdheid te oordelen over een geschil betreffende subjectieve rechten niet kan worden ingepast in de algemene annulatiebevoegdheid die artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan dit administratief rechtscollege heeft verleend; dat deze zienswijze in casu nog wordt versterkt door het gegeven dat de artikelen 28 en 29 van het meststoffendecreet bepalen dat, bij gebreke aan voldoening van de heffing, interesten, administratieve geldboete en toebehoren, door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel kan worden uitgevaardigd waartegen de heffingsplichtige verzet kan aantekenen bij de rechtbank van eerste aanleg, en dat diezelfde ambtenaar, voor de definitieve uitspraak over het bedoelde verzet, een procedure in kort geding kan inleiden bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg teneinde de heffingsplichtige te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij dwangbevel gevorderde bedrag; 2.
  15. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de ingestelde vordering niet tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. VII-23.090-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.090-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.