← België

Arrest 156100 - - 09/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.100 Rolnummer: A. 120515/XIV-9841 Zaak: Arrest 156100 - - 09/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 12:43 Fiche Arrest nr 156.100 van 9 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.100 van 9 maart 2006 in de zaak A. 120.515/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 december 1979 en van Kazachse nationaliteit, op 24 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 18 april 2002; Gelet op de beschikking van 6 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 5 september 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 september 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; XIV-9841-1/12 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat H. DE PONTHIERE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 26 juli 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 9 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 18 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Kazachs staatsburger van Koreaanse origine, verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw dringend beroep dat u Kazachstan verlaten heeft omwille van de problemen van uw vader (O.V. 980.481). In maart 2000 kwam uw vader afgeranseld thuis. U weet echter niet wat er gebeurd is. Op 21 juni

(2000)kwamen er vier Kazachen naar jullie woning. Zij eisten geld van uw ouders en zeiden dat indien uw ouders niet zouden betalen, zij u zouden doden en uw zus (O.V.
  1. 980.466) zouden verkrachten. Daarna zeiden zij dat jullie jullie huis aan hen moesten afstaan. Zij stelden als voorwaarde dat het huis vóór 20 juli 2000 vrijgemaakt moest zijn en zij namen de documenten mee. Jullie hadden geen keuze en uw vader begon naar een mogelijkheid te zoeken om het land te verlaten. Op 16 juli 2000 bent u samen met uw ouders (, O.V. 980.481) en uw meerderjarige zus ( O.V.
  2. 980.466) uit Kazachstan vertrokken. Op 26 juli 2000 bent u in België aangekomen, waar u dezelfde dag asiel aanvroeg. Er dient te worden opgemerkt dat uit de verklaringen die u voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw beroepschrift aflegde, duidelijk blijkt dat u zich op dezelfde asielmotieven beroept als uw vader (O.V. 980.481) en dat u omwille van de problemen van deze laatste uit Kazachstan vertrokken bent. Aangezien in het kader van het dringend beroep dat door uw vader werd ingesteld, een bevestigende beslissing genomen werd omwille van het kennelijk XIV-9841-2/12 ongegronde en bedrieglijke karakter ervan, kan in hoofde van u onmogelijk een positief antwoord weerhouden worden. Verder dient te worden opgemerkt dat in het kader van de dringende beroepen die door uw moeder (O.V. 980.481) en uw zus (O.V. 4.980.466) werden ingesteld, eveneens een bevestigende beslissing genomen werd. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden weerhouden. De door u neergelegde documenten (studentenkaart, rijbewijs en geboorteakte) zijn niet van die aard dat zij deze conclusie kunnen wijzigen. Zij bevestigen enkel uw identiteit, waar niet aan wordt getwijfeld. Aangezien het kennelijk ongegronde karakter van uw asielaanvraag duidelijk blijkt uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit uw beroepschrift, acht ik het niet noodzakelijk u op te roepen voor een interview op het Commissariaat-generaal. (...)”.
  3. Over de ontvankelijkheid. 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot het vermelden van een feitelij- ke uiteenzetting in het verzoekschrift; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoeker zich beperkt tot de overname van het feitenrelaas van de bestreden beslissing; dat de verwe-rende partij besluit dat aldus artikel 20 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over de beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zou zijn geschonden; dat de verwerende partij hieruit afleidt dat de ingestelde vordering on- ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij het recht heeft te bepalen welke feiten hij aanvoert, en “dat deze vrije keuze impliceert dat men de feiten vermag weer te geven van de bestreden beslissing.”; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift verschillende malen de bestreden beslissing citeert; dat bijgevolg wordt aangenomen dat verzoeker zich aansluit bij de feiten die in de bestreden beslissing worden weergegeven, en dat hij deze feiten niet betwist; dat de exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij “opteert voor een kamer met drie Raadsheren.”; Overwegende dat de verzoekende partij dit verzoek niet motiveert in het verzoekschrift en dat zijn Advocaat dit verzoek niet gestand doet ter openbare zitting van 14 december 2005, zodat dit verzoek wordt afgewezen; XIV-9841-3/12
  6. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  7. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet); Overwegende dat de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om uitspraak te doen in dringend beroep een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste belang om de overschrijding van die termijn in te roepen, aangezien hij intussen op het Belgisch grondgebied mag verblijven zolang zijn asielaanvraag wordt onderzocht door het Commissariaat-generaal; dat hij intussen bijkomende bewijsstukken kan verzamelen, supplementaire informatie kan inwinnen, nieuwe stukken kan voegen bij het administratief dossier om zijn asielrelaas te staven; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift verzoekt om desbetreffend een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; dat uit de debatten ter openbare terechtzitting van woensdag 14 december 2005 evenwel blijkt dat de Advocate van verzoeker niet verder aandringt op het stellen van een prejudiciële vraag, en dat verzoeker de prejudiciële vraag niet formuleert; 3.
  8. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 149 van de Grondwet; van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van “het algemeen rechtsbeginsel”; 3.2.
  9. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Vluchtelingenconventie een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt; dat verzoeker stelt dat “voormelde elementen (...) niet afdoende zijn om een weigeringsbeslissing te gronden. Dat men bovendien dient na te gaan of deze elementen wel te wijten zijn aan de verzoekende partij (...). Dat immers de verzoekende partijen destijds verzekerd werd dat zij hun argumenten meer in detail zouden kunnen uiteenzetten en eventueel bijkomende stukken zou kunnen neerleggen; dat zij evenwel geen oproeping voor een verhoor hebben gekregen.”; dat verzoeker uiteenzet dat de motivering van de bestreden beslissing “enkel en alleen een statement is zonder dat gesteld wordt waarom het gestelde juist zou zijn (...)”, XIV-9841-4/12 en “dat een dergelijke motivering eigenlijk geen individuele behandeling van de zaak uitmaakt zoals de conventie van Genève en de vreemdelingenwet voorstaan. Dat het niet volstaat een verzoek af te wijzen met het al te algemeen argument dat iets doorgaans zo zou zijn.”; dat verzoeker aanvoert “dat om aan de Wet van 29.7.91 en art. 62 van de Wet van 15.12.80 te voldoen, (het niet) volstaat (...) voor de Commissaris-generaal (...) te stellen dat het verhaal van verzoekers hoogst onwaarschijnlijk of bedrieglijk is. Dat de Commissaris- generaal moet aangeven waarom precies hij die stelling weerhoudt.”; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal een manifeste en grove appreciatiefout heeft begaan die onderworpen is aan de controle van de Raad van State, en “dat het (...) niet volstaat te verwijzen naar het feit dat verzoekende partij lopende de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen gewag van iets gemaakt heeft of juist voor de Dienst Vreemdelingenzaken wel van iets gewag maakt.”; dat verzoeker betoogt dat “zo per impossibele verschillende verklaringen, lopende de verschillende fasen in de procedure kunnen vergeleken worden, het doel van dergelijke vergelijking, niet het vaststellen van zogenaamde incoherenties is, doch het oplossen van datgene wat fout of incoherent is.”; dat verzoeker uiteenzet dat een vergelijking geen deugdelijke motivering kan opleveren, en dat het bovendien meestal niet om echte tegenstellingen of contradicties gaat; dat verzoeker tenslotte een aantal in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te weerleggen; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat er wel degelijk sprake is van een individuele behandeling van verzoekers asielaanvraag; dat de verwerende partij stelt dat het dringend beroep een administratieve beroepsprocedure is, die volgens de wet werd toevertrouwd aan een onafhankelijke en gespecialiseerde administratieve instantie, en die aldus niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege, waar de waarborg van de hoorplicht en de rechten van de verdediging moeten worden gerespecteerd; dat de verwerende partij uiteenzet dat, ondanks de gangbare praktijk, er geen verplichting bestaat tot het horen van de kandidaat-vluchteling op het Commissariaat-generaal, en dat zij gerechtigd is de bestreden beslissing te nemen op grond van de stukken van het administratief dossier, zonder verzoeker te hebben gehoord; dat de verwerende partij tenslotte de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden staaft aan de hand van de stukken van het administratief dossier; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volhardt in het initieel verzoekschrift; 3.2.
  10. Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing geen vonnis is; dat de schending van artikel 149 van de Grondwet bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd; XIV-9841-5/12 Overwegende dat, volgens een constante rechtspraak van de Raad van State, artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het E.V.R.M. inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het eerste middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - uit de verklaringen die verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn beroepschrift voor het Commissariaat-generaal heeft afgelegd, blijkt dat hij zich beroept op dezelfde asielmotieven als zijn vader, en dat hij omwille van de problemen van deze laatste uit Kazachstan is vertrokken; dat, aangezien in het kader van het dringend beroep dat door verzoekers vader werd ingesteld een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, in hoofde van verzoeker evenmin een positief antwoord kan worden weerhouden; XIV-9841-6/12 - gelet op het voorgaande, geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in hoofde van verzoeker; Overwegende dat verzoeker geen concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat uit voormelde motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoeker er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen, noch aantoont dat zijn asielaanvraag niet op een objectieve wijze zou zijn behandeld; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel is vereist dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoeker bij het indienen van zijn dringend beroep de mogelijkheid had om zijn relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat het hem bovendien vrij stond een vragenlijst aan te vragen of een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoeker te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoeker niet aantoont welke verklaringen hij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat, waar verzoeker de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te weerleggen, blijkt dat verzoeker een verklaring post factum geeft, die de tegenstrijdigheden evenwel niet opheft; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier; dat verzoeker zijn grieven geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 3.
  11. Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt uit de “schending van artikel 52, juncto, artikel 63/2 en artikel 63/3 van de vreemdelingenwet”; XIV-9841-7/12 Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat in de ontvanke- lijkheidsfase van de asielprocedure door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een onderzoek ten gronde werd gevoerd; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de bestreden beslissing een beslissing ten gronde zou zijn; dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van één van de onontvankelijkheidsgronden opgesomd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volhardt in het initieel verzoekschrift; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op basis van de bedrieglijkheid of van de kennelijke ongegrondheid ervan; dat de asielaanvraag in casu werd afgewezen op grond van de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag, noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn, waarbij tevens de gegevens eigen aan de zaak in acht worden genomen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker zich beroept op dezelfde asielmotieven als zijn vader; dat de verklaringen van verzoekers vader werden getoetst aan de objectieve socio-politieke situatie van het land van herkomst zoals zij bestonden op het tijdstip waarop de bestreden beslissing werd genomen en aan de gegevens van zijn asielrelaas, zoals zij tot uiting kwamen voor de asielinstanties, alsook aan de verklaringen die zijn echtgenote afgelegde voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal op grond daarvan heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van diens asielaanvraag; dat de Commissaris-generaal ook verwijst naar de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken, en dat uit een vergelijking met deze verklaringen blijkt dat verzoeker geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden kon besluiten dat er in hoofde van verzoeker geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat een dergelijk onderzoek wordt gevoerd in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; XIV-9841-8/12 3.
  12. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert “dat de bestreden beslissing niet genomen is binnen een redelijke termijn”; Overwegende dat verzoeker aanvoert “dat na het verloop van een redelijke termijn een administratieve overheid geen negatieve beslissing meer vermag te nemen, daar anders art. 8 van het E.V.R.M. (...), welke het privéleven beschermt, geschonden wordt, gelet op het proportionaliteitsvereiste.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van wederantwoord antwoordt dat tussen het indienen van het dringend beroep en de bevestigende beslissing amper elf maanden zijn verstreken en dat dit geen onredelijk lange termijn is; dat de verwerende partij stelt dat verzoeker bovendien niet aantoont welk belang hij zou hebben om de bevestigende beslissing eerder te ontvangen; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volhardt in het initieel verzoekschrift; Overwegende dat het beoordelen van de termijn waarbinnen een beslissing werd genomen, in concreto dient te gebeuren aan de hand van de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak; dat bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van het bestuur om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het moet mogelijk maken met kennis van zaken te beslissen; dat zowel de concrete gegevens van de zaak als de houding van de partijen in deze beoordeling worden betrokken; dat, gelet op de grote toevloed van asielzoekers op het tijdstip van de bestreden beslissing en op de verplichting om iedere aanvraag afzonderlijk te onderzoeken, vaststaat dat de redelijke termijn niet werd overschreden; dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 8 van het E.V.R.M., blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de verdragsbepaling die hij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze die bepaling door de bestreden beslissing zou zijn geschonden; dat verzoeker zich beperkt tot algemene affirmaties en tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de concrete vaststellingen van de bestreden beslissing, of op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich in wezen beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, doch nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het vierde middel ongegrond is; XIV-9841-9/12 3.
  13. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52, 57/6, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending uitwerkt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste onderdeel van het vijfde en het zevende middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat in de mate dat verzoeker een schending aanvoert van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet, vaststaat dat dit artikel niet van toepassing is op een asielaanvraag die zich in de ontvankelijkheidsfase bevindt; dat dit artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat verzoeker in zijn uiteenzetting van het vijfde en het zevende middel voor het overige de uiteenzetting van het tweede middel woordelijk herhaalt, zodat voor de analyse van deze middelen naar de analyse van het tweede middel wordt verwezen; 3.
  1. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van de rechten van de verdediging, van het hoorrecht, van “het algemeen beginsel met direkte werking van de rechtsbescherming”, en van “art. 6 juncto 13 van het E.V.R.M., artikel 26 van het B.U.P.O. en artikel 16 van het verdrag van Genève (...).”; Overwegende dat, waar verzoeker de schending aanvoert van de rechten van de verdediging, van het hoorrecht, en van “het algemeen beginsel met direkte werking van de rechtsbescherming”, wordt verwezen naar de analyse van het tweede middel, waar uitvoering werd uiteengezet dat de procedure voor de Commissaris-generaal vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn en dat, niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen, zodat de Commissaris-generaal van XIV-9841-10/12 een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van “art. 6 juncto 13 van het E.V.R.M., artikel 26 van het B.U.P.O. en artikel 16 van het verdrag van Genève (...).”, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepalingen die hij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze die rechtsregels en beginselen door de bestreden beslissing werden geschonden; dat verzoeker zich beperkt tot algemene affirmaties en tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, of op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich in wezen beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, doch nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het zesde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9841-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9841-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.