← België

Arrest 156104 - - 09/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.104 Rolnummer: A. 133870/XIV-14105 Zaak: Arrest 156104 - - 09/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 12:44 Fiche Arrest nr 156.104 van 9 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.104 van 9 maart 2006 in de zaak A. 133.870/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. QUINTELIER, kantoor houdende te 2140 ANTWERPEN, Plantin & Moretuslei 141 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 7 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.105-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat R. QUINTELIER verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 juni 2000 en zich vluchteling verklaart op 14 juni 2000; dat op 5 maart 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 13 januari 2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dagen, ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/
  3. artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de dienst Vreemdelingenzaken via en op grond van de bevindingen van het commissariaat-generaal een bevel om het grondgebied te verlaten heeft betekend aan de verzoekende partij, zonder voorafgaandelijk persoonlijk contact met deze laatste, dat, gelet op de bestreden beslissing waarbij het bevel om het grondgebied te verlaten wordt bevestigd, voor het leven van de verzoekende partij moet worden gevreesd, dat de dienst Vreemdelingenzaken de bestreden beslissing in het Nederlands heeft laten betekenen terwijl de verzoekende partij deze taal onmachtig is, dat de dienst Vreemdelingenzaken noch de commissaris-generaal in beroep de verzoekende partij voldoende de gelegenheid hebben geboden om haar situatie toe te lichten, dat de commissaris-generaal derhalve met de bestreden beslissing de zorgvuldigheidsplicht schendt en dat de commissaris-generaal zijn bevoegdheid heeft overschreden door de bestreden beslissing op artikel 52, § 2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de XIV-14.105-2/5 toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) te steunen, vermits deze bepaling is voorbehouden voor de dienst Vreemdelingenzaken; 2.1.
  5. Overwegende dat de commissaris-generaal de weigering van verblijf, waartoe de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken had besloten, met de bestreden beslissingen bevestigt omdat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping en de vraag om inlichtingen binnen de maand na de verzending ervan met toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep over dezelfde beslissingsbevoegdheid beschikt als de minister van Binnenlandse Zaken voor wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat hij deze dan ook niet- ontvankelijk kan verklaren om dezelfde redenen als deze welke door artikel 52, § 2 van de Vreemdelingenwet worden voorzien; dat de commissaris-generaal zich dientengevolge niet aan machtsoverschrijding schuldig heeft gemaakt; dat het eerste middel in die mate ongegrond is, Overwegende dat noch uit het administratief dossier noch uit de door de verzoekende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat een bevel om het grondgebied te verlaten is genomen of betekend door de dienst Vreemdelingenzaken na de bestreden beslissing; dat de bestreden beslissing enkel een bevestiging is van de eerder door de minister van Binnenlandse Zaken genomen beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de commissaris-generaal daarbij niet het bevel om het grondgebied te verlaten bevestigt; dat het bevel geschorst was ingevolge het dringend beroep en herleeft ingevolge de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf; dat de commissaris-generaal slechts een advies geeft over de vraag of de verzoekende partij mag worden teruggeleid naar de grens van het land van herkomst; dat het eerste middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende, wat de taal van de beslissing van de commissaris- generaal betreft, dat de verzoekende partij ten tijde van haar asielaanvraag een verklaring heeft ondertekend waarin zij erkent erover geïnformeerd te zijn dat de taal waarin haar asielaanvraag onderzocht zou worden het Nederlands is; dat de verzoekende partij geen belang heeft om zulks nu aan te vechten; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk werd opgeroepen door de commissaris-generaal om de motieven van haar asielaanvraag toe te lichten of ze schriftelijk over te maken; dat de verzoekende partij daar zelf geen gevolg aan heeft gegeven; dat de verzoekende partij geenszins aantoont dat zij bij de dienst Vreemdelingenzaken “niet voldoende” de kans XIV-14.105-3/5 hebben gehad om haar situatie toe te lichten, buiten het feit dat de verzoekende partij zich niet op ontvankelijke wijze tegen de in eerste aanleg genomen beslissing tot weigering van verblijf kan richten; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aantoont dat de commissaris-generaal de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen omdat de beslissing van de commissaris-generaal het voorbeeld is van een stereotiepe, geijkte en standaardmotivering waarbij een individuele benadering van het specifieke geval van de verzoekende partij in elk geval ontbreekt; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij zich zelf beperkt tot een stereotiepe, geijkte of standaardomschrijving van het middel, dat helemaal niet in concreto op de bestreden beslissing wordt betrokken; dat een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing toelaat het motief en de rechtsgrond te kennen waarop die beslissing is gesteund; dat het tweede middel ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.105-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.105-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.