id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.152 Rolnummer: A. 76402/XII-693 Zaak: Arrest 156152 - - 09/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 12:57 Fiche Arrest nr 156.152 van 9 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.152 van 9 maart 2006 in de zaak A. 76.402/XII-
- In zake :
- Cecile SNAUWAERT, wonende te Brugge, Moerkerksesteenweg 493
- Monika LOOSE, wonende te Brugge, Oude-Zwinstraat 37
- Jean-Pierre LOGGHE, wonende te Brugge, Wulfhagestraat 39/3 tegen : de STAD BRUGGE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cecile Snauwaert, Monika Loose en Jean-Pierre Logghe op 18 november 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 september 1997 van de gemeenteraad van de stad Brugge waarbij het nieuw administratief statuut van het personeel wordt aangevuld en waarbij het programma van en de kwalificatie van de juryleden voor het examen van administratief hoofdmedewerker wordt vastgesteld; Gelet op het arrest nr. 71.994 van 24 februari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 14 april 1998 ingediend door verzoekers; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; XII-693-1/13 Gelet op de beschikking van 7 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoekers; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekers zijn in dienst van de stad Brugge, onder de gelding van het oud administratief statuut als onderbureauchef, sinds het nieuw administratief statuut als administratief medewerker. 1.
- Volgens het oud administratief statuut moet een personeelslid, om tot een hogere graad bevorderd te kunnen worden, onder meer “Slagen voor het desbetreffend bevorderingsexamen” (artikel 30, § 1, 2/). Evenwel komt de titularis van de graad van onderbureauchef in aanmerking voor een bevordering tot bestuurschef “zonder een speciaal bevorderingsexamen te moeten afleggen”, indien hij tenminste negen jaar anciënniteit telt in een weddeschaal die tenminste deze van opsteller is (artikel 32, eerste lid). De rangorde met het oog op de bevordering voor bestuurschef wordt in eerste instantie bepaald door de datum van het examen voor bevordering tot onderbureauchef (artikel 32, lid 4, a). XII-693-2/13 Ook het nieuw administratief statuut van 27 juni 1995 bepaalt dat het personeelslid voor een bevordering in hetzelfde niveau moet “slagen voor het desbetreffende bevorderingsexamen” (artikel 87, 6). Alle bevorderingsexamens zijn vergelijkende examens (artikel 92). Het statuut bevat ditmaal geen bijzondere bepaling in verband met de bevordering van administratief medewerker (destijds onderbureauchef) tot administratief hoofdmedewerker (destijds bestuurschef). Wél schrijft aanvankelijk het artikel 119, § 2, bij wege van overgangsbepaling voor : “Het personeelslid dat op datum van de inwerkingtreding van het nieuw administratief statuut aan alle voorwaarden voldeed voor een bevordering tot een bepaalde graad, en in een rangorde is opgenomen overeenkomstig artikel 30 - par. 6 van het vorige statuut, behoudt zijn aanspraak op bevordering tot die graad voor zover die in de personeelsformatie is behouden”. 1.
- Op 31 augustus 1995 schorst de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen de betrokken paragraaf. De paragraaf, die niet wordt ingetrokken, wordt evenmin gerechtvaardigd en is dienvolgens nietig, overeenkomstig artikel 30, § 2, tweede lid, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten. 1.
- De gemeenteraad van Brugge beslist op 24 juni 1997 artikel 119 van het administratief statuut aldus te wijzigen : “... Paragraaf 2 : Bij het in werking treden van het nieuw administratief statuut primeert de bestaande rangorde voor bevordering tot bestuurschef (nieuwe benaming : administratief hoofdmedewerker), mits de in die rangorde ingeschreven kandidaten slagen voor het eerste uit te schrijven bevorderingsexamen van administratief hoofdmedewerker. Paragraaf 3 De personeelsleden die titularis zijn van de graad van onderbureauchef of onderbureauchef-informatica op het ogenblik van de inwerkingtreding van het nieuw administratief statuut, zijn vrijgesteld van het einddiploma van een bestuursschool voor bevordering naar de graad van administratief hoofd- medewerker. Deze vrijstelling kan enkel verleend worden indien betrokkenen slagen voor een bevorderingsexamen voor administratief hoofdmedewerker, gunstig geëvalueerd worden en een vorming van minimum 100 uren hebben volbracht. De bevordering kan slechts bij vacature en is beperkt tot de weddeschaal C
- XII-693-3/13 Doorstroming naar de weddeschaal C5 is slechts mogelijk met een einddiploma van een bestuursschool. Paragrafen 3, 4 en 5 : worden paragrafen 4, 5 en 6.”. De beslissing wordt geschorst bij besluit van 18 augustus 1997 van de gouverneur. 1.
- De gemeenteraad van Brugge trekt op 30 september 1997 met de bestreden beslissing het geschorste besluit in en vult het administratief statuut onder meer als volgt aan : I. Artikel 119 - par. 2 (overgangsmaatregel) De personeelsleden die titularis zijn van de graad van onderbureauchef op het ogenblik van de inwerkingtreding van het nieuw administratief statuut, zijn vrijgesteld van het einddiploma van een bestuursschool voor bevordering naar de graad van administratief hoofdmedewerker. Deze vrijstelling kan enkel verleend worden indien betrokkenen slagen voor een bevorderingsexamen voor administratief hoofdmedewerker, gunstig geëvalueerd worden en een vorming van minimum 100 uur hebben volbracht. De bevordering kan slechts bij vacature en is beperkt tot weddeschaal C
- Doorstroming naar weddeschaal C5 is slechts mogelijk met een einddiploma van een bestuursschool”. Voorts worden voor de functie van administratief hoofdmedewer- ker de deelnemingsvoorwaarden voor het bevorderingsexamen bepaald, evenals het examenprogramma en de kwalificatie van de juryleden;
- Het voorwerp van het beroep. Overwegende dat de verzoekers zich in hun memorie van wederantwoord ermee akkoord verklaren dat het voorwerp van hun beroep wordt heromschreven als “de in de gemeenteraadsbeslissing van 30 september 1997 besloten weigering om ten voordele van de personeelsleden die in het oude statuut titularis waren van de graad van onderbureauchef, in het nieuwe personeelsstatuut een overgangsbepaling op te nemen die hen het behoud garandeert van hun rechten op bevordering tot bestuurschef/administratief hoofdmedewerker”;
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat de derde verzoeker bij gemeenteraadsbesluit van 25 januari 2000 ambtshalve op pensioen werd gesteld wegens gezondheidsredenen, te rekenen vanaf XII-693-4/13 1 december 1999 en aldus zijn belang bij het beroep heeft verloren; dat die verzoeker ter terechtzitting de voormelde pensionering niet betwist maar volhoudt nog een moreel belang bij het beroep te hebben; Overwegende dat niet wordt ingezien op welke wijze de gevorderde nietigverklaring, waarmee in essentie wordt beoogd rechten op bevordering te vrijwaren, verzoeker als gepensioneerde nog baat kan bijbrengen; dat ook het moreel belang te dezen niet wordt aanvaard aangezien het gebrek aan overgangsmaatregel te dezen, in die context van de betrokken bevorderings- mogelijkheden op zichzelf niet dermate grievend overkomt dat daaruit een moreel belang kan worden afgeleid dat meer is dan het enkel horen gegrond verklaren van een middel, hetgeen niet volstaat als het in artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde belang; dat derde verzoeker Jean-Pierre Logghe niet langer het vereiste belang heeft bij het beroep en het wat hem betreft niet ontvankelijk is;
- De gegrondheid van het beroep. 4.
- Overwegende dat de verzoeksters in een eerste middel de schending inroepen van het beginsel van de rechtszekerheid, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en daartoe betogen : - dat zij slaagden in 1977, respectievelijk 1981, in het examen voor onderbureauchef, en het oud personeelsstatuut hun rechten op bevordering tot bestuurschef verleende, in functie van de vrijkomende betrekkingen en de rangorde die zij bij het afleggen van dat examen hadden verkregen; dat deze verworven rechten nu na twintig, respectievelijk zestien, jaar retroactief ongedaan worden gemaakt; - dat de wijziging van het statuut en het opleggen van een nieuw en bijkomend examen het vertrouwen schendt dat verzoekers in het bestuur hadden toen zij het examen van onderbureauchef aflegden, doordat hun toen werd voorgespiegeld dat het verwerven van negen jaar anciënniteit in de graad van onderbureauchef hen “quasi-functioneel” tot een benoeming in de graad van bestuurschef-administratief hoofdmedewerker zou brengen; - dat de miskenning van hun rechten niet in verhouding staat tot “de nieuwe doeleinden zoals vervat in het sectoraal akkoord” en de beleidslijnen waarvan het nieuwe statuut de neerslag is, integendeel zelfs, het eerbiedigen van hun rechten niet strijdt met de doelstellingen van het sectoraal akkoord; XII-693-5/13 dat nog volgens de verzoeksters men zich bij de toetsing van voornoemde beginselen niet kan steunen op de schorsingsbesluiten van de provinciegouverneur, noch op de gemeenteraadsbesluiten waarbij de geschorste bepalingen worden ingetrokken, dat immers de enige motivering welke terug te vinden is, deze is in het gemeenteraads- besluit van 24 juni 1997 en een verwijzing betreft naar de omzendbrief nr. BA 96/7 van 2 augustus 1996 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden betreffende de algemene weddeschaalherziening en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen-Evaluatie; dat de verzoeksters nog doen gelden dat de omzendbrief nr. BA 93/07 van 14 juli 1993 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden betreffende de algemene weddeschaalherziening en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen, in een minder hiërarchische loopbaanstructuur voorzag, in een beperking van het aantal graden en in de objectivering van bevorderingen, zodat conform deze krachtlijnen precies kon voorzien worden “in een continuering van de statutaire situatie van de onderbureauchef”; Overwegende dat in een tweede middel verzoeksters de schending van de materiële motiveringsplicht inroepen en daartoe laten gelden hetgeen volgt : - dat de hun opgelegde verplichting om te slagen in een nieuw bevorderingsexamen geen draagkrachtig motief heeft zodat de bestreden beslissing niet materieel gemotiveerd is; dat het bestreden gemeenteraadsbesluit zonder meer verwijst naar de omzendbrief van 2 augustus 1996 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden in verband met de evaluatie van het sectoriaal akkoord van 18 juni 1993, maar dat daarbij voorbijgegaan wordt aan het determinerend gegeven dat de onderbureauchefs van het Brugse stadsbestuur reeds het examen waarop die omzendbrief doelt afgelegd hebben; toentertijd hebben zij dus reeds voldaan aan wat later, volgens de nieuwe krachtlijnen van onder meer het sectoraal akkoord, vereist zou worden; - dat artikel 119, § 1, van het nieuw administratief statuut de mogelijkheid inhoudt dat geslaagden voor een bevorderingsexamen om bestuurschef/administratief hoofdmedewerker te worden, hun aanspraken op bevorderingen en hun rangorde behouden “ook al was dit examen niet volstrekt equivalent aan het examen dat voortaan [...] dient georganiseerd te worden” zodat, hadden zij het door hen afgelegde examen niet vóór hun benoeming tot onderbureauchef afgelegd, zij op grond van hun uitslag in dat examen wel degelijk tot administratief hoofdmedewerker hadden kunnen worden benoemd; XII-693-6/13 Overwegende dat verzoeksters in een derde middel de schending van het “consistentiebeginsel” aanvoeren omdat het feit dat zij een nieuw examen moeten afleggen als ze toegang tot de bevordering tot administratief hoofd- medewerker willen krijgen, niet consistent is met het artikel 119, § 1, van het nieuwe statuut; Overwegende dat verzoeksters in hun memorie van weder- antwoord, wat het eerste middel betreft, benadrukken dat bij de afweging rekening dient te worden gehouden met het feit dat niet meer is voorzien in de aparte en specifieke graad van onderbureauchef, en verzoeksters aldus in niets verschillen van degenen die het examen voor onderbureauchef niet of niet met vrucht hebben afgelegd, voorts dat de functie van administratief hoofdmedewerker geenszins een andere inhoud heeft dan de functie van bestuurschef, dat anders de vroegere bestuurschefs niet automatisch administratief hoofdmedewerker zouden kunnen worden, dat ook de examenprogramma’s voor onderbureauchef en administratief hoofdmedewerker niet erg verschillend zijn : met de examens onderbureauchef werden verzoeksters tijdens de mondelinge proef -en wat de tweede verzoekster betreft ook tijdens een psychotechnische test met inbegrip van een interview- getest op “leiding geven, organiseren, oplossen van probleemsituaties met collega’s enzovoort”, zodat de examens niet vooral sloegen op kennis en dat de onderbureauchefs bovendien werden beoordeeld op hun leiderschapskwaliteiten, vaardigheden en attitudes; Overwegende dat verzoeksters tevens volharden in hun tweede middel, stellende dat een materieel motief ontbreekt om een nieuwe test in te voeren, omdat het onderscheid tussen kennistest en capaciteitstest immers elke feitelijke grondslag mist, en in ieder geval om de desgevallend in het nieuwe examen geslaagde oud-onderbureauchef zijn voorrangsrecht te ontnemen; Overwegende dat verzoeksters betreffende het derde middel benadrukken dat, aangezien de functie van onderbureauchef statutair niet meer bestaat, hun situatie perfect samenvalt met de situatie waarop artikel 119, §1, doelt : het examen onderbureauchef diende hoe dan ook te worden afgelegd om bestuurs- chef te worden, en er diende al evenmin een bijkomend examen te worden afgelegd om van onderbureauchef te worden bevorderd tot bestuurschef; in ieder geval leidt het belang dat artikel 119, hecht aan vroegere examens, ertoe dat het niet meer in aanmerking nemen van de vroegere voorrang, volstrekt inconsistent is; XII-693-7/13 Overwegende dat verzoeksters in hun laatste memorie, wat de eerste drie middelen betreft, doen gelden dat in het auditoraatsverslag wordt uitgegaan van een “aantal feitelijke veronderstellingen die niet aan de werkelijkheid beantwoorden”; dat zij aldus betwisten dat er enig verschil zou bestaan tussen de inhoud van de functie van de vroegere bestuurschef en van de huidige administratief hoofdmedewerker; dat zij voorts verwijzen naar personeelsstatuten van drie andere steden waarin overgangsbepalingen zijn opgenomen zoals zijzelf beogen te verkrijgen; dat zij ten slotte vragen dat de verwerende partij al hun evaluaties neerlegt waaruit zou moeten blijken dat zij wel degelijk op leidinggeven werden beoordeeld; 3.2.
- Overwegende, wat de eerste drie middelen betreft, dat ambtenaren die onder een publiekrechtelijke regeling worden tewerkgesteld zich niet kunnen beroepen op een recht om de voordelen van de op hen toepasselijke bepalingen van het administratief statuut te behouden, maar dat het bestuur dat statuut voor de toekomst kan wijzigen voor zover het daar deugdelijke redenen voor heeft die verband houden met het algemeen belang; Overwegende dat, naar blijkt uit de overwegingen van de gemeenteraad op het ogenblik dat hij met zijn beslissing van 27 juni 1995 het nieuwe statuut vaststelde en waaraan de bestreden beslissing een toevoeging doet, dat statuut erop gericht is de administratie te vernieuwen en te herwaarderen teneinde de uitvoering van het overheidsbeleid efficiënter te maken en de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren; dat die oogmerken gerealiseerd worden door de verbetering van de geldelijke voorwaarden van de tewerkstelling, door de opmaak van een behoefteplan met bijhorende functieomschrijvingen van de in de nieuwe personeelsformatie opgenomen betrekkingen, door een geobjectiveerde wervings- en bevorderingswijze en door een beperking van het aantal graden per niveau; Overwegende dat, indien de verwerende partij voldoende redenen heeft voor de vernieuwing van het statuut van het personeel, zulks evenwel nog niet betekent dat zij een in rechte aanvaardbare reden heeft om elk voordeel dat de verzoekers putten uit het oude statuut teniet te doen; dat het voordeel waarop zij te dezen aanspraak maken erin bestaat dat het examen waarin zij voor hun benoeming tot onderbureauchef geslaagd zijn hun zonder meer toegang zou verlenen tot de graad van administratief hoofdmedewerker; XII-693-8/13 Overwegende dat de stelling van verzoeksters -dat bij de afweging tussen, eensdeels, het belang de administratie van het stedelijk bestuur te vernieuwen en te herwaarderen en, anderdeels, het voordeel dat de verzoeksters kunnen putten uit het oud statuut, rekening dient te worden gehouden met het feit dat niet meer voorzien is in de aparte en specifieke graad van onderbureauchef, zodat verzoeksters aldus in niets verschillen van zij die het examen voor onderbureauchef niet of niet met vrucht hebben afgelegd-, in feite faalt; dat zij immers voorbijgaan aan het gegeven dat zij ambtshalve werden benoemd in de nieuwe personeelsformatie in de graad van administratief medewerker met behoud van hun anciënniteit, overeenkomstig artikel 118, terwijl volgens de bijlage 1, punt 2, bij het nieuwe administratief statuut minimum vier jaar graadanciënniteit in de graad van administratief medewerker een deelnemingsvoorwaarde is voor het bevorderingsexamen tot administratief hoofdmedewerker; dat zij eveneens aan artikel 119, §2, van het nieuwe administratief statuut voorbijgaan dat precies ten voordele van de titularissen van de graad van onderbureauchef op het ogenblik van de inwerkingtreding van het nieuw administratief statuut, voor bevordering naar de graad van administratief hoofd- medewerker in een vrijstelling voorziet van het einddiploma van een bestuursschool; Overwegende voorts, dat bij vergelijking van de examen- programma’s, eensdeels, voor bevordering tot onderbureauchef, en dus ook voor bestuurschef, en, anderdeels, voor bevordering tot administratief hoofdmedewerker het inhoudelijk verschil tussen beide niet te ontkennen valt; dat blijkens het examenprogramma georganiseerd in 1977, het examen voor onderbureauchef uit drie delen bestond : I. Administratief verslag aan de hand van documentatie II. Bestuurswetenschappen : de vakken van de drie studiejaren van de Provinciale School voor bestuursrecht van West-Vlaanderen, met mogelijkheid tot vrijstellingen III. Mondelinge proef : gesprek over verschillende kwesties van bestuurlijke aard; dat het examen georganiseerd in 1981 eveneens uit drie delen bestond : I. Schriftelijk : synthese en commentaar van een voordracht over gemeentebeleid en management in de publieke sector II. Psychotechnische test, met inbegrip van interview XII-693-9/13 III. Mondeling : proef over bestuurswetenschappen, namelijk grondige praktische kennis van de gemeentewet, ook in relatie tot andere openbare besturen, en bestuurskunde; dat het examenprogramma voor bevordering tot administratief hoofdmedewerker er als volgt uitziet : I. Schriftelijk deel : Case : beleidsnota in verband met organisatie en administratieve technieken II. Mondeling deel :
- Test in verband met de contact- en communicatievaardigheden, het leiding geven en de managementaanpak
- Interview over de attitude en de algemene ontwikkeling; dat uit de vergelijking van deze examenprogramma’s blijkt dat het examen voor onderbureauchef -en dus ook voor bestuurschef want de overgang van onderbureauchef naar bestuurschef was enkel afhankelijk van de beschikbare plaatsen op het kader- hoofdzakelijk kennisvakken betrof terwijl het examenprogramma voor bevordering tot administratief hoofdmedewerker het onderzoek beoogt van sociale vaardigheden, leidinggeven en organisatietalent van de betrokkenen; dat daaruit mag worden afgeleid dat de functie van administratief hoofdmedewerker een andere inhoud heeft dan de functie van bestuurschef zoals deze volgens het oude statuut bestond; dat verzoeksters aldus in gebreke blijven feitelijk aan te tonen dat zij destijds door deelname aan het examen voor onderbureauchef reeds getoetst zijn op de capaciteiten die thans worden vereist voor bevordering tot administratief hoofdmedewerker, meer in het bijzonder dat de psychotechnische test zou kunnen worden gelijk gesteld met het mondeling deel van het examen voor administratief hoofdmedewerker, bestaande uit een test in verband met de contact- en communicatievaardigheden, het leiding geven en de managementaanpak; dat ten slotte uit de voorgelegde evaluatiestaten niet kan worden afgeleid dat de daarin vervatte evaluatie tot doelstelling had het functioneren van verzoeksters te beoordelen specifiek met het oog op een bevordering en evenmin dat op eenzelfde wijze als bij een examen dat functioneren zou zijn beoordeeld; dat de verwerende partij dus wel een in rechte aanvaardbare reden had om in een examen te voorzien van administratief hoofdmedewerker; XII-693-10/13 Overwegende dat artikel 119, §1, van het nieuwe administratief statuut aan de personeelsleden die geslaagd zijn voor een bevorderingsexamen voor verhoging in graad in hetzelfde niveau of voor een graad van een hoger niveau waarvan de uitslag onbeperkt geldig bleef volgens hun vorig statuut, hun aanspraken op bevordering en hun plaats in de rangorde waarborgt; dat verzoeksters ook daarin geen reden van verongelijking kunnen vinden omdat -waar die bepaling zal beletten dat ambtenaren die met het oog op een bevordering een inspanning hebben gedaan, hun inspanning zonder meer teloor zien gaan verzoeksters zich in een geheel ander geval bevinden doordat een gunstige uitslag in het bevorderingsexamen van onderbureauchef voor hen de noodzakelijke voorwaarde was om tot onderbureauchef bevorderd te worden; dat verzoeksters overeenkomstig de bepalingen van het nieuw administratief statuut de graad van administratief medewerker hebben verkregen en dat het bevorderingsexamen voor onderbureauchef in elk geval niet tevergeefs is afgelegd, gezien verzoeksters het hoe dan ook moesten afleggen, wilden ze tenminste onderbureauchef worden; dat precies daardoor hun situatie verschilt van die van de in artikel 119, §1, van het nieuwe administratief statuut bedoelde personeelsleden, aangezien daarin de personeelsleden worden bedoeld die het examen sléchts hebben afgelegd met het oog op de bevordering tot de bedoelde graad, zonder effectief bevorderd te zijn, zodanig dat, zónder de overgangsbepaling, het examen voor hen volkomen nutteloos zou zijn geweest; dat geen van de eerste drie middelen gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeksters in een vierde middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoeren; dat zij daartoe betogen dat heden verscheidene jongere ambtenaren, met recuperatie-uren, de cursussen van de school voor bestuursrecht volgen, terwijl verzoeksters met het oog op de deelname aan het examen van administratief hoofdmedewerker nu niet een tweede keer aan de vormingsactiviteiten zullen kunnen deelnemen, dat verzoeksters voorts gelet op het feit dat zij lange tijd niet meer deelgenomen hebben aan examens, niet meer dezelfde fysieke conditie hebben en minder studiemogelijkheden als de kandidaten die niet het examen voor onderbureauchef afgelegd hebben, dat zij niet alleen minder examenmogelijkheden hebben, maar dat het feit dat de verwerende partij jarenlang niet bevorderd heeft, zonder de vroegere geslaagden in een werfreserve op te nemen, ook een discriminatie impliceert; dat verzoeksters in hun memorie van wederantwoord stellen dat de jongere collega’s gedurende hun carrière tal van mogelijkheden krijgen om via examen administratief hoofdmedewerker te worden, terwijl zij gedurende hun gehele carrière zeer weinig, eventueel maar één kans zullen XII-693-11/13 krijgen om het examen met vrucht af te leggen, in tegenstelling tot de jongere collega’s die meerdere kansen krijgen; dat zij betogen dat artikel 92 van het nieuwe administratief statuut geen onderscheid maakt tussen de geslaagde die zich destijds nooit de inspanning heeft getroost om het examen onderbureauchef af te leggen, en zij die dat wel hebben gedaan, zoals verzoeksters; dat zij in hun laatste memorie nog vermelden dat de gouverneur “de Brugse onderbureauchefs heeft onthouden wat hij aan de Oostendse onderbureauchefs wel heeft toegestaan”; Overwegende dat verzoeksters niet aantonen in welk opzicht zij minder examenmogelijkheden zouden hebben gehad in vergelijking met jongere collega’s, of welke examenbeurten zij dan wel zouden hebben laten voorbijgaan; dat bij eventueel niet-slagen in het eerstkomend examen voor bevordering tot administratief hoofdmedewerker, verzoeksters net als anderen opnieuw hun kans kunnen wagen; dat, waar verzoeksters verwijzen naar hun leeftijd, zij uit het oog verliezen dat het bevorderingsexamen er precies op gericht is de kandidaten te testen op het bezit van zekere vaardigheden waarvoor maturiteit en ervaring van doorslaggevend belang kunnen zijn; dat voor het overige het feit dat verzoeksters voor de bevordering tot administratief hoofdmedewerker nu in concurrentie komen met veel jongere collega’s op zichzelf geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; dat de omstandigheid dat de verwerende partij in de afgelopen jaren geen bevorderingen in de graad van bestuurschef zou hebben gedaan geenszins de onwettigheid van het nieuwe statuut aantoont; dat ten slotte luidens artikel 92 van het nieuwe administratief statuut voor elke geslaagde kandidaat rekening wordt gehouden met de totale anciënniteit, berekend vanaf de laagste graad die vereist is om deel te nemen aan het examen, overeenkomstig een bepaalde formule; dat met deze bepaling inderdaad geen onderscheid wordt gemaakt tussen de personeelsleden die destijds slaagden voor het examen voor onderbureauchef, en andere; dat dit onderscheid echter reeds wordt gemaakt in de overgangsbepaling van artikel 119, §2, van het administratief statuut luidens hetwelk de onderbureauchef van het einddiploma van een bestuursschool is vrijgesteld; dat hetgeen door artikel 92 van het nieuwe administratief statuut wèl wordt beoogd, is rekening te houden met de personeelsleden die, zoals verzoeksters, reeds jaren in dienst zijn en aldus een hogere anciënniteit hebben opgebouwd én met hun leeftijd, zodat van een discriminatie met jongere collega’s geen sprake kan zijn, wel integendeel; dat het vierde middel niet gegrond is; dat geen van de middelen gegrond is, XII-693-12/13 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1041,15 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-693-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.152 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.