id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.220 Rolnummer: A. 118050/XIV-9034 Zaak: Arrest 156220 - - 10/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 13:15 Fiche Arrest nr 156.220 van 10 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.220 van 10 maart 2006 in de zaak A. 118.050/XIV-9034 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue du Général Bertrand 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 februari 1966 en van Oekraïense nationaliteit, op 12 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 15 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op 11 maart 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag dd. 19 mei 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; XIV-9034-1/11 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MAHY, die, loco Advocaat V. PUZAY, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België voor een eerste maal binnen op 27 april 1999 en verklaart zich een eerste maal vluchteling op 5 mei
- 1.
- Op 16 juni 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 oktober 1999 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van 16 juni
- 1.
- De verzoekende partij verklaart België opnieuw te zijn binnengekomen op 20 januari 2000 en verklaart zich opnieuw vluchteling op 26 januari
- 1.
- Op 11 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf. 1.
- Op 15 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van 11 januari
- Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: XIV-9034-2/11 U, een Oekraïens staatsburger van Oekraïense afkomst, verklaart in Oekraïne problemen te hebben gekend met de autoriteiten. U bent na het indienen van een eerste asielaanvraag in België op 5 mei 1999 en nog voor het resultaat van uw dringend beroep bij het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen af te wachten, teruggekeerd naar Oekraïne. Op 27 oktober 1999 werd door het Commissariaat-generaal ten aanzien van u een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen. U keerde in januari 2000 terug naar België, waar u op 26 januari 2000 een tweede asielaanvraag indiende. Uw vrouw, (ov: 4.819.899), kwam u eind september 2000 in België vervoegen en diende zelf ook een asielaanvraag in op 29 september
- U bent in het bezit van een binnenlands paspoort, een rijbewijs, een diploma, een lidmaatschapskaart van de Democratisc(n)(h)e Partij van Oekraïne, een attest uitgereikt door deze partij waarin staat dat u voor deze partij als waarnemer hebt opgetreden tijdens de presidentsverkiezingen, een medisch attest alsook een kopie van de overlijdensakte van uw zus. U verklaart uw land te hebben ontvlucht omwille van problemen met de autoriteiten. U verklaart sinds 1990 lid te zijn van de Democratische Partij van Oekraïne (hierna afgekort als DEMPY). Voor u uw land verliet in april 1999 zou u een aantal dreigtelefoons hebben ontvangen van onbekenden. Volgens u zou Sergey Sajev, plaatsvervangend politiehoofd, hierachter hebben gezeten. U zou immers samen met partijgenoten in 1999 illegale praktijken bij de verkoop van benzine aan het licht hebben gebracht. U zou dit tevergeefs gemeld hebben bij het openbaar ministerie. Daarop zou u dreigtelefoons hebben gekregen en uw land hebben verlaten. U zegt begin september 1999 teruggekeerd te zijn naar Oekraïne om er samen met uw partijgenoten actief deel te nemen aan de parlementsverkiezingen die volgens u plaatsvonden op 1 oktober
- U zou vanuit Ivano-Frankivsk in heel Oekraïne propaganda gevoerd hebben voor uw partij. In Odessa, waar u met drie partijgenoten aan een niet toegelaten meeting deelnam, werd u drie dagen vastgehouden wegens hooliganisme. Na uw vrijlating bent u naar huis teruggekeerd en heeft u in uw dorp actief deelgenomen aan de parlementsverkiezingen van 1 oktober
- Op die dag trad u voor uw partij als waarnemer op in het lokale kiesbureau. Alles zou normaal verlopen zijn. Diezelfde avond werd u in Bogoratsjani door onbekende jongemannen aangevallen. U werd tien dagen in het ziekenhuis opgenomen. Nadat u uit het ziekenhuis werd ontslagen, ging u op 11 oktober 1999 uw vrouw vervoegen in Lviv. U bleef hier wonen tot uw vertrek naar België in januari
- Een onbekende man zou u in Lviv gezegd hebben dat u daar niet nodig was. Daarop zou u besloten hebben het land te verlaten. De bedreigingen die u kreeg zouden volgens u te maken hebben met de opheldering van bovengenoemde illegale praktijken. Uw zus overleed geheel onverwacht in augustus
- Hoewel u de omstandigheden van haar overlijden niet kent, kan dit volgens u geen toeval zijn. Uzelf evenmin als uw echtgenote woonde de begrafenis van uw zus in Oekraïne bij. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u verklaart sinds 1990 lid te zijn van de politieke partij DEMPY en u actief te hebben ingezet door over heel Oekraïne propaganda gevoerd te hebben en waarnemer geweest te zijn voor deze partij bij de parlementsverkiezingen. In uw opeenvolgende verklaringen dienen echter tegenstrijdigheden en ongerijmdheden te worden vastgesteld die de geloofwaardigheid van uw actieve politieke betrokkenheid en bijgevolg ook van uw gehele asielrelaas ernstig aantasten. Zo verklaarde u begin september 1999 teruggekeerd te zijn naar Oekraïne om er actief deel te nemen aan de parlementsverkiezingen van 1 oktober
- Bij navraag blijft u spreken over parlementsverkiezingen en gaat u trouwens ook summier in op de samenstelling van het Oekraïense parlement na de verkiezingsuitslag (CGVS, p. 4). Op deze datum vonden er echter hoegenaamd geen parlementsverkiezingen plaats in Oekraïne. Uit de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat deze plaatsvonden op 29 maart 1998 (SWB, BBC Monitoring, SU/3189 van 31 maart 1998) . Bovendien verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u als waarnemer deelnam aan de presidentsverkiezingen en ook op het door u voorgelegde attest van uw deelname aan het verkiezingsgebeuren staat trouwens dat u voor uw partij in deze hoedanigheid deelnam aan de presidentsverkiezingen. U zegt dat dit attest u persoonlijk werd uitgereikt op de zetel van de partij op 5 oktober 1999, datum waarop u volgens uw latere verklaringen in het ziekenhuis lag (CGVS, p. 8). De presidentsverkiezingen zelf vonden trouwens slechts op 31 oktober 1999 plaats (SWB, BBC Monitoring, SU/3681 van 2 november 1999), waardoor eveneens getwijfeld kan worden aan de authentici- teit van dit door u voorgelegde attest. U verklaart sinds 1990 lid te zijn van DEMPY, een partij die volgens u in 1989 officieel werd opgericht. Wanneer u gevraagd wordt naar de datum waarop u tot de partij bent toegetreden, verwijst u naar de datum die op uw lidkaart staat vermeld en zegt u dat u op 6 oktober 1990 bent toegetreden tot DEMPY. Afgezien van het feit dat op uw lidkaart de datum van 6 september 1990 staat geschreven, blijkt uit onze informatie dat DEMPY pas in december 1990 werd opgericht, waardoor uw verklaring als zou u begin oktober 1990 tot de partij zijn toegetreden ongeloofwaardig overkomt. Wanneer u meermaals gevraagd wordt naar de concrete doelstellingen van uw partij, komt u niet verder dan dat de partij voor een onafhankelijk Oekraïne opkwam evenals voor een corruptievrij Oekraïne. Van iemand die propaganda voerde voor zijn partij mag worden verwacht dat hij een uitgebreidere kennis heeft van de doelstellingen van zijn partij. Wanneer u gevraagd wordt naar de naam van XIV-9034-3/11 de voorzitter van DEMPY voor de provincie Ivano-Frankivsk tijdens de verkiezingen, kunt u hier niet op antwoorden. U verklaart nochtans bij uw terugkeer naar Oekraïne in september 1999 precies vanuit Ivano-Frankivsk u actief te hebben ingezet voor uw partij. Voorts bevatten uw verklaringen nog een aantal ernstige tegenstrijdigheden die verder de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnen. Zo verklaart u op 26 januari 2000 voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 30 september 1999 op straat door onbekenden werd aangevallen maar ondanks uw verwondingen daarna toch nog aan het verkiezingsgebeuren deelnam alvorens in het ziekenhuis te worden opgenomen (DVZ, p. 6). Tijdens uw interview bij het Commissariaat-Generaal verklaarde u aangevallen te zijn tijdens de nacht volgend op de verkiezingen (CGVS, p. 7). Tijdens uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken zegt u dat Sajev, van wie volgens u de bedreigingen waar u het slachtoffer van werd uitgingen, uit zijn functie werd ontheven (DVZ, p. 6). Tijdens uw interview bij het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat Sajev zijn functie gewoon verder zette en er niets tegen hem werd ondernomen (CGVS, p. 5). Uw verklaringen bevatten eveneens een aantal tegenstrijdigheden met de verklaringen van uw vrouw. Uw vrouw verklaart tijdens haar interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze voor de begrafenis van uw zus terugkeerde naar Oekraïne en er bovendien bedreigd werd (DVZ, p. 7). In uw verklaringen afgelegd bij het Commissariaatgene- raal zegt u dat uw echtgenote niet meer terugkeerde naar Oekraïne en niet aanwezig was op de uitvaart van uw zus (CGVS, p. 8). Het is daarenboven merkwaardig dat u bepaalde ernstige feiten, die u tijdens uw interview bij DVZ aanhaalt, niet vermeldde tijdens uw interview bij het Commissariaat-generaal, hoewel u uitdrukkelijk gevraagd werd of u al uw problemen verteld had en u hierop bevestigend antwoordde. Van andere ernstige feiten maakte u dan weer geen gewag bij de Dienst Vreemdelingenzaken, maar wel bij het Commissariaat-generaal. Zo zegt u tijdens uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat er tijdens uw verblijf in het ziekenhuis bij u thuis werd ingebroken en alles vernield werd en dat u in het ziekenhuis werd opgezocht door Sajev en een van zijn handlangers. Deze zouden in drughandel verwikkeld zijn en zouden u bekend hebben dat zij achter uw aanval zaten (DVZ, p. 6). Tijdens uw interview bij het Commissariaat-generaal zegt u niets over het bezoek in het ziekenhuis en de inbraak en verklaarde u daarentegen dat Sajev en zijn handlangers bij een illegale benzinehandel betrokken waren (CGVS, p. 4). Op het Commissariaat-generaal zegt u verder dat u in Lviv op straat werd aangesproken door een onbekende man die u gezegd zou hebben dat u daar niet nodig was. Het is eigenaardig dat u dit niet vermeldde op de Dienst Vreemdelingenzaken aangezien (dit) het feit was dat u er uiteindelijk toe aanzette het land te ontvluchten. Gezien bovenstaande vaststellingen kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uw binnenlands paspoort, rijbewijs en diploma bevestigen gegevens omtrent uw identiteit, die echter niet in vraag wordt gesteld. Uw partijkaart, het door uw partij afgeleverde attest van deelname aan het verkiezingsproces, het door u voorgelegde medische attest evenals de kopie van de overlijdensakte van uw zus kunnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen niet herstellen aangezien zij de tegenstrijdigheden niet kunnen verklaren. (...).”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BUPO-verdrag); van artikel 14 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 4 van het Protocol nr. 4 van 16 november 1963 en artikel 1 van het Protocol nr. 12 van 4 november 2000 bij het E.V.R.M.; XIV-9034-4/11 Overwegende dat verzoeker aanvoert dat iedere asielaanvraag afzon- derlijk moet worden onderzocht, met in achtneming van alle feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal een discriminerende houding aanneemt ten aanzien van kandidaat-vluchtelingen uit Oekraïne; dat verzoeker betoogt dat de asielaanvra- gen van kandidaat-vluchtelingen uit Oekraïne niet op individuele wijze worden onderzocht, omdat België met Oekraïne een akkoord heeft afgesloten betreffende de repatriëring van afgewezen kandidaat-vluchtelingen; dat verzoeker uiteenzet dat het de Belgische overheid niet is toegelaten om collectieve uitwijzingsmaatregelen te nemen; dat verzoeker aanvoert dat hij vreest voor zijn leven, indien hij naar Oekraïne zou worden teruggestuurd; dat verzoeker verwijst naar de toestand in Kazachstan; dat verzoeker stelt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is, omdat hij voorheen kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken; Overwegende dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker wel degelijk op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de bedrieglijk- heid van verzoekers asielaanvraag omdat de opeenvolgende verklaringen van verzoeker tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevatten die de geloofwaardigheid van zijn actieve politieke betrokkenheid aantasten en bijgevolg ook van zijn asielrelaas; dat de Commissaris- generaal in zijn beslissing dd. 15 februari 2002 overweegt dat: - verzoeker verklaart sinds 1990 lid te zijn van de politieke partij DEMPY en zich actief te hebben ingezet door in heel Oekraïne propaganda te voeren en op te treden als waarnemer voor zijn partij bij de parlementsverkiezingen; dat verzoeker verklaart begin september 1999 teruggekeerd te zijn naar Oekraïne om er actief deel te nemen aan de parlementsverkiezingen van 1 oktober 1999; dat verzoeker bij navraag blijft spreken over parlementsverkiezingen en zelfs summier ingaat op de samenstelling van het Oekraïense parlement na de verkiezings- uitslag; dat op 1 oktober 1999 echter geen parlementsverkiezingen plaatsvonden in Oekraïne; dat uit de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat deze plaatsvonden op 29 maart 1998; - dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart dat hij als waarnemer deelnam aan de presidentsverkiezingen; dat op het door hem voorgelegde attest van deelname aan het verkiezingsgebeuren staat dat hij in deze hoedanigheid voor zijn partij aan de presidentsver- kiezingen deelnam; dat verzoeker zegt dat dit attest hem persoonlijk werd uitgereikt op de zetel van de partij op 5 oktober 1999, zijnde de datum waarop hij volgens latere verklaringen in het ziekenhuis lag; dat de presidentsverkiezingen pas op 31 oktober 1999 plaatsvonden, waardoor eveneens kan worden getwijfeld aan de authenticiteit van het door verzoeker voorgelegde attest; - verzoeker verklaart sinds 1990 lid te zijn van DEMPY, een partij die volgens zijn verklaring in 1989 officieel werd opgericht; dat wanneer verzoeker gevraagd wordt naar de XIV-9034-5/11 datum waarop hij tot de partij is toegetreden, verzoeker verwijst naar de datum die op zijn lidkaart staat vermeld, zijnde 6 oktober 1990; dat uit informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, blijkt dat DEMPY pas in december 1990 werd opgericht, waardoor verzoekers verklaring ongeloofwaardig overkomt; - wanneer verzoeker wordt gevraagd naar de concrete doelstellingen van zijn partij, komt hij niet verder dan dat de partij opkomt voor een onafhankelijk en corruptievrij Oekraïne; dat van iemand die propaganda voert mag worden verwacht dat hij een uitgebreidere kennis heeft van de doelstellingen van zijn partij. - wanneer verzoeker wordt gevraagd naar de naam van de voorzitter van DEMPY voor de provincie Ivano-Frankivsk tijdens de verkiezingen, kan hij niet antwoorden, hoewel verzoeker verklaart dat hij zich bij zijn terugkeer naar Oekraïne in september 1999, vanuit Ivano-Frankivsk actief heeft ingezet voor zijn partij; - verzoeker verklaart voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij op 30 september 1999 op straat door onbekenden werd aangevallen, maar dat hij ondanks zijn verwondingen toch aan het verkiezingsgebeuren deelnam alvorens in het ziekenhuis te worden opgenomen; tijdens het interview op het Commissariaat-Generaal verklaarde verzoeker evenwel dat hij werd aangevallen tijdens de nacht volgend op de verkiezingen; - verzoeker verklaart voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat Sajev, door wie hij naar eigen zeggen werd bedreigd, uit zijn functie werd ontheven; op het Commissariaat-generaal verklaart verzoeker evenwel dat Sajev zijn functie gewoon verder zette en dat tegen hem niets werd ondernomen; - verzoekers verklaringen bevatten eveneens een aantal tegenstrijdigheden vergeleken met de verklaringen van zijn vrouw; dat verzoekers vrouw voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart dat ze voor de begrafenis van haar zus terugkeerde naar Oekraïne en dat ze er werd bedreigd; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaart dat zijn echtgenote niet meer terugkeerde naar Oekraïne en niet aanwezig was op de uitvaart van haar zus; - verzoeker verklaart voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er, tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis, bij hem thuis werd ingebroken, dat alles werd vernield en dat hij in het ziekenhuis werd opgezocht door Sajev en één van zijn handlangers; dat zij in een drughandel verwikkeld waren en dat zij zouden hebben bekend dat zij achter de aanval op verzoeker zaten; dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal niets zegt over het bezoek in het ziekenhuis en de inbraak en dat hij verklaart dat Sajev en zijn handlangers bij een illegale benzinehandel betrokken waren; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal eveneens verklaart dat hij in Lviv op straat werd aangesproken door een onbekende man die zou hebben gezegd dat verzoeker daar niet nodig was; dat het eigenaardig is dat verzoeker dit niet vermeldde op de Dienst Vreemdelingenzaken aangezien dit feit hem ertoe heeft aangezet het land te ontvluchten; Overwegende dat uit voormelde motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker wel degelijk op individuele wijze heeft XIV-9034-6/11 beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoeker er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen, noch aantoont dat zijn asielaanvraag niet op een objectieve wijze zou zijn behandeld; dat verzoekers argumenten betreffende collectieve uitwijzingen zonder voorwerp zijn, vermits de bestreden beslissing oordeelt over de ontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat, waar verzoeker aanvoert dat hij vreest voor zijn leven, indien hij naar Oekraïne zou worden teruggestuurd, blijkt dat de gegevens die verzoeker aanhaalt niet relevant zijn, aangezien de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing van oordeel is dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat de motieven van de bestreden beslissing niet worden ontkracht door het louter herhalen van de asielmotieven; dat verzoekers verwijzing naar de toestand in Kazachstan evenmin relevant is vermits verzoeker een vrees inroept ten aanzien van Oekraïne en niet ten aanzien van Kazachstan; dat, waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet onpartijdig is, dient te worden vastgesteld dat verzoeker nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag van verzoeker niet individueel en objectief zou zijn behandeld; dat de onpartijdigheid van de Commissaris-generaal bovendien wettelijk is vastgesteld, wat wordt bevestigd door het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de Commissaris-generaal; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een louter theoretische uiteenzetting; dat hij evenwel nalaat om op een concrete wijze aan te tonen waarom de bestreden beslissing de aangehaalde verdragsbepalingen zou hebben geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948; van de artikelen 1 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamen- tele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de vrees voor vervolging, waarvan sprake in artikel 1 van de Vluchtelingenconventie, een geestesgesteldheid betreft, en een subjectieve voorwaarde uitmaakt die een beoordeling impliceert van de persoonlijk- heid van verzoeker, vermits de psychologische reacties van een individu verschillen al naargelang van de situatie; dat verzoeker stelt dat staten die partij zijn bij de Vluchtelingen- XIV-9034-7/11 conventie, geen vluchteling mogen uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of op grond van zijn politieke overtuiging; dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing een inbreuk uitmaakt op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker uiteenzet dat bestuurshandelingen moeten worden gemotiveerd; dat verzoeker stelt dat de motivatie afdoende, pertinent en draagkrach- tig moet zijn; dat verzoeker betoogt dat de motieven evenwel stereotiep zijn en betwist dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat verzoeker tenslotte een opsomming geeft van de feiten die volgens hem aantonen dat er wel degelijk sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, maar die door de Commissaris-generaal niet in overweging zouden zijn genomen; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijk- heid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de overwegingen vervat onder punt 2.
- van dit arrest; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepaling die hij geschonden acht, maar zonder aan te duiden op welke wijze die verdragsbepaling door de bestreden beslissing zou worden geschonden; dat verzoeker nalaat deze bepaling concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing onwettig is; Overwegende dat, waar verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 1 en 3 van de Vluchtelingenconventie, kan worden verwezen naar de analyse van het eerste middel, waar afdoende werd aangetoond dat er in hoofde van verzoeker niet kan XIV-9034-8/11 worden gesproken van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker evenmin aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij de toepassing van de bepalingen van de Vluchtelingenconventie en het nemen van de bestreden beslissing, niet zou hebben gehandeld zonder onderscheid naar ras, godsdienst of land van herkomst; Overwegende dat, waar verzoeker een schending inroept van het non- refoulement beginsel, blijkt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat deze verdragsbepaling geen duidelijke en juridisch volledige bepaling is die aan de verdragspartijen een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen oplegt; dat erkende vluchtelingen en kandidaat- vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M., uit de analyse van de middelen blijkt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten; dat hij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet is behept met een onwettigheid, artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat met betrekking tot dit onderdeel van het tweede middel kan worden verwezen naar de analyse van het eerste middel, waar afdoende werd aangetoond dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtname van alle feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal zich in casu heeft gebaseerd op de verklaringen van verzoeker, die aangetast bleken te zijn door tegenstrijdigheden; dat van de kandidaat- vluchteling nochtans mag worden verwacht dat hij, gelet op het belang ervan voor de XIV-9034-9/11 beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de aanleiding vormden voor zijn vlucht uit het land van herkomst, op een nauwkeurige, zorgvuldige, coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van de asielaan- vraag, zodat op grond daarvan kan worden nagegaan of er met betrekking tot de kandidaat- vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal in casu op goede gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker fundamenteel ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die steun vinden in de door verzoeker afgelegde verklaringen in het administratief dossier, op een omstandige wijze worden weergegeven in de bestreden beslissing; dat wordt vastgesteld dat verzoeker een gedeelte van de tegenstrijdigheden nuanceert of minimaliseert, maar dat hij ze niet weerlegt; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal een beslissing zou hebben genomen die steunt op onjuiste feiten of die kennelijk onredelijk is; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoeker geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9034-10/11 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9034-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div