← België

Arrest 156223 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 13/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.223 Rolnummer: A. 168701/IX-5173 Zaak: Arrest 156223 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 13/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 13:17 Fiche Arrest nr 156.223 van 13 maart 2006 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.223 van 13 maart 2006 in de zaak A. 168.701/IX-

  1. In zake : Nicholas DE COCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Nicholas DE COCK op 19 december 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 juli 2005 van de deliberatiecommissie van de Koninklijke Militaire School waarbij hij definitief mislukt verklaard wordt voor de militaire initiatiefase als leerling van de Koninklijke Militaire School; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 februari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5173-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van kolonel-militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Op 26 september 1996 wordt verzoeker benoemd in de graad van sergeant en opgenomen in het kader der beroepsonderofficieren. Op 18 augustus 1998 neemt hij dienst als kandidaat-beroepsofficier bij de marine en wordt hij toegelaten als leerling tot de Koninklijke Militaire School (afdeling Alle Wapens). Van 23 augustus 1998 tot 25 september 1998 volgt hij de militaire initiatiefaze voor leerlingen van de Koninlijke Militaire School (hierna : KMS). 1.
  4. Op 9 oktober 1998 beslist de deliberatiecommissie van de KMS dat verzoeker definitief mislukt is. Die beslissing bevat volgende motivering : “Beslissing van de commissie : DEFINITIEF MISLUKT a. Motivatie in recht Betrokkene heeft minder dan 10/20 voor zijn beoordeling van de karakteriële hoedanigheden behaald b. Motivatie in de feiten Interpreteert de reglementen naar letter of geest zoals het hem het beste uitkomt Kan moeilijk kritiek of opmerkingen van het kader aanvaarden zonder in discussie te gaan Heeft bedriegelijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop”. 1.
  5. Verzoeker stelt tegen die beslissing annulatieberoep in. Bij arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003 vernietigt de Raad van State de beslissing van de deliberatiecommissie, wezenlijk omdat de deliberatiecommissie haar besluit gesteund heeft op “bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop”, terwijl verzoeker niet de gelegenheid gekregen had zich te dien aanzien te verweren (overwegingen 2.6.
  6. tot 2.6.7.). IX-5173-2/14 1.
  7. Op 25 september 2003 verklaart de deliberatiecommissie van de KMS verzoeker opnieuw definitief mislukt voor de militaire initiatiefase als leerling van de KMS. 1.
  8. Nadat het juridisch departement van de FOD defensie aan de commandant van de KMS enkele bemerkingen had medegedeeld aangaande de wettigheid van de beslissing van 25 september 2003, wordt op 4 juli 2005 aan verzoeker meegedeeld dat de kandidaat die minder dan 50% behaalt voor de beoordeling der karakteriële hoedanigheden in deliberatie komt, dat de deliberatie zal plaatsvinden op 13 juli 2005 in Leopoldsburg, dat verzoeker inzage kan hebben tot zijn dossier tot 12 juli 2005, 17 uur, op het leerlingensecretariaat in de KMS, en dat hij tevens een verweerschrift kan indienen vóór 12 juli 2005, 17 uur. 1.
  9. Met een brief van 8 juli 2005 deelt verzoeker aan de commandant van de KMS mee dat het bericht van 4 juli 2005 de samenstelling van de deliberatie- commissie enkel weergeeft volgens functie, dus zonder de namen van de betrokken personen mee te delen. Hij verzoekt de samenstelling met een nominatieve lijst te vervolledigen en deze volledige lijst per aangetekend schrijven naar zijn adres te zenden. Volgens de verklaring van verzoeker, hierin niet tegengesproken door de verwerende partij, werden hem de namen van de personen die zouden zetelen in de deliberatiecommissie niet meegedeeld vóór de zitting van 13 juli
  10. 1.
  11. Op 12 juli 2005 dient verzoeker een verweerschrift in tegen de quotering van zijn karakteriële beoordeling en vraagt hij om gehoord te worden. In zijn verweerschrift gaat hij uitgebreid in op de beschuldiging van fraude tijdens de scoreloop van 8 september
  12. 1.
  13. Blijkens een door verzoeker neergelegd attest van de KMS biedt hij zich op 12 juli 2005 om 14u15 aan om zijn dossier te raadplegen, maar bevindt zijn dossier zich op dat ogenblik reeds te Leopoldsburg, waar de deliberatie zal plaatsgrijpen. 1.
  14. Op 13 juli 2005 verschijnt verzoeker voor de deliberatiecommissie. IX-5173-3/14 1.10.
  15. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt wat volgt : “(...)
  16. Samenstelling van de commissie a. Voorzitter : LtKol SBH DU FOUR L., Hoofdonderrichter (HOIC) b. Secretaris (zonder stemrecht) : Cdt KETELEER, EXO Bn HOIC c. Leden :

(1)Cdt VERMEER, Eenheidscommandant
(2)Capt DE BUSSCHERE, Adjunct Promotiecommandant 159 POL
(3)ISC VERREPT
(4)MTC BOUCKAERT, Adjunct Peloton (...)
  1. Identiteit van de getuige : Capt BLOEMEN, Cdt CREVECOEUR, Adjt PATRIS
  2. Opmerkingen : Samenvatting van het verloop van de deliberatiecommis- sie a. Betrokkene wordt uitgenodigd door de Voorzitter van de deliberatie- commissie. b. De Voorzitter legt aan betrokkene de situatie uit en vraagt of hij akkoord gaat met de samenstelling van de commissie. De betrokkene stemt in met het feit dat het de taak is van de Voorzitter om naar eigen inzicht de commissie samen te stellen. c. De Voorzitter vraagt aan betrokkene of hij nog altijd KBO wil worden. Betrokkene antwoordt en legt uit waarom. Betrokkene stelt dat hij vooral eerherstel nastreeft en minder geïnteresseerd is in een loopbaan als Officier. d. De Voorzitter geeft het woord aan betrokkene. Hij bouwt zijn verdediging op met de hulp van zijn verweerschrift (zie Bijl.). e. De Voorzitter laat de getuigen binnenkomen. f. Capt BLOEMEN (toenmalig Pl Comd)
(1)Betrokkene was ex-OOffr en men heeft dan bepaalde verwachtingen. Hij hielp de anderen niet, toonde weinig inzet en had nogal een arrogante houding.
(2)Het Pl kader heeft rekening gehouden met de fraude tijdens de scoreloop in de karakteriële beoordeling.
(3)Betrokene vraagt of er bewijzen zijn van zijn arrogante houding.
(4)De Pl Comd citeert een gesprek met toenmalige Lt KERSBERGEN. g. Cdt CREVECOEUR (toenmalig Cie Comd en Comd 138 TAW)
(1)Legt uit hoe hij de inputs kreeg van de verschillende Pl Comd om de kandidaten goed te kunnen opvolgen. De mensen met problemen kwamen op verslag bij de Cie Comd. Het Cie kader ging regelmatig de mensen op terrein bezoeken.
(2)Meldt dat hij het volste vertrouwen had in het Pl kader.
(3)Over de fraude tijdens de scoreloop meldt de Cie Comd dat hij 0/20 heeft gekregen omdat Meester Patris een fraude op de resultatenkaart had vastgesteld.
(4)Betrokkene vraagt of er een grondig onderzoek is geweest i.v.m. de fraude. Hij meldt dat hij de prijs van fraude kent en vraagt waarom hij dat gedaan zou hebben ? h. Adjt PATRIS (sportmonitor die de fraude vastgesteld heeft) IX-5173-4/14
(1)Legt de oefening scoreloop uit en meldt dat de leerlingen verwittigd waren dat elke poging tot fraude een 0/20 als sanctie zou hebben.
(2)Legt uit dat post 10 niet meer bestond en dat er toch geprikt was op de controlekaart van betrokkene. Andere tekens geprikt op zijn kaart waren niet symmetrisch. Daarenboven, stemde geen enkele kniptang, aanwezig op het parcours, overeen met sommige markeringen op de controlekaart.
(3)De Voorzitter toont de originele kaart en beide partijen bevestigen dat het wel degelijk de goede kaart is.
(4)Betrokkene geeft een mogelijke uitleg voor de niet-symmetri- sche gaten (kreuk in de kaart) en vraagt waar de moederkaart is. Hij bevestigt dat hij les heeft gekregen van Adjt PATRIS en dat hij nooit een probleem heeft gehad met hem. Hij verklaart dat hij niet de bedoeling had om te frauderen maar sluit een vergissing niet uit. i. De Voorzitter geeft aan betrokkene de mogelijkheid om vragen te stellen. j. Men stelt vast dat ISC VERREPT geen onderrichter is geweest van betrokkene (het gaat om een persoonsverwisseling) maar deze laatste gaat akkoord dat hij zetelt en stemt in de commissie. k. De Voorzitter vraagt of hij nog iets toe te voegen heeft, betrokkene antwoordt nee. Betrokkene wordt bedankt en verlaat de zaal i. De commissie gaat over tot de stemming. Betrokkene is definitief mislukt voor karakteriële redenen (unanieme beslissing - zie Bijl D) 8. Bijlagen : Bijl A : Handtekening van de leden van de commissie. Bijl B : Fiche met de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden. Bijl C : Verweerschrift. Bijl D : Motivatie 9. Beslissing van de commissie: Betrokkene is definitief mislukt op karakterieel gebied (unanieme beslissing - zie Bijl D.) (...)”. 1.10.2. Bijlage D, waarnaar onder punt 7 in fine, punt 8 in fine en punt 9 van het proces-verbaal wordt verwezen, luidt als volgt : “Beslissing van de deliberatiecommissie die zetelde op 13 juli 05 1. Gelet op het verzoekschrift dat hangende is bij de Raad van State, meer bepaald gelet op de inadequate motivering van de beslissing van de delibera- tiecommissie van 25 Sep 03. Beslissing : De deliberatiecommissie trekt de beslissing van de deliberatie- commissie van 25 Sep 03 in 2. Nieuwe beslissing deliberatiecommissie a. Motivering in rechte Wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militair van het actief kader, artikel 20 sexies en 20 septies. Koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werking en de vorming van de kandidaat, militair van het actief kader, Art 70, tweede lid, 1/ . b. Motivering in feite Overwegende dat betrokkene dient te verschijnen voor de commissie op basis van de karakteriële beoordeling die op 24 sep 98 verstrekt werd door IX-5173-5/14 toenmalig Luitenant CREVECOEUR in samenspraak met pelotons- commandant toenmalig Luitenant van het vliegwezen BLOEMEN. Overwegende dat betrokkene een onvoldoende score van 9,28/20 bekwam. Overwegende dat het beoordelingsformulier een aantal commentaren bevat. Overwegende dat toenmalig luitenant van het vliegwezen BLOEMEN ter zitting verklaard heeft dat zij bij het toekennen van de score rekening heeft gehouden met de fraude bij de scoreloop die betrokkene zou gepleegd hebben. Overwegende dat het verweer van betrokkene m.b.t. de beoordeling van 24 sep 98 er zich toe beperkt te stellen dat er geen bewijzen zijn die de ‘commentaren’ op het beoordelingsformulier kunnen staven. Overwegende dat de individuele fiche m.b.t. betrokkene melding maakt van een aantal punctuele feiten, waarvan betrokkene kennis heeft genomen, doch waartegen hij in tempore non suspecto nooit heeft gereageerd. Dat de commissie er in die omstandigheden er kan van uitgaan dat de gemaakte opmerkingen strekken met de realiteit. Overwegende dat op deze individuele fiche ook melding is gemaakt van ‘bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop’. Dat verzoekers betoog dat het hier zou gaan om een pure vergissing of technisch probleem (gekreukte kaart) niet kan overtuigen. Dat de uitleg die meester PATRIS heden heeft gegeven wel overtuigend is. Dat meester PATRIS heden heeft gesteld dat : ‘Leerling-Officier DE COCK fraude gepleegd heeft voor de test kaartlezen en bijgevolg een score van 0 op 20 heeft gekregen voor deze proef. 1e Feit : Betrokkene had een perforatie aangebracht in het vakje voorzien voor post 10. Wat betrokkene niet wist bij aankomst is dat deze post niet aanwezig was en bijgevolg niet geknipt kon worden met een knijptang. Daarenboven was deze perforatie zelf gefabriceerd daar het zich handelde over een patroon dat zich op geen enkele aanwezige knijptang ver- toonde. Het patroon was daarenboven asymmetrisch wat erop wijst dat hij dit bovendien zelf gefabriceerd had. 2e Feit : Hij heeft éénzelfde knijptang gebruikt om twee posten te knippen (post zeven + dertien), daar waar alle lln voordien duidelijk meegekregen hadden dat dit als fraude aanzien zou worden. Hier handelde het zich eveneens om een asymmetrisch patroon waardoor opnieuw de authenticiteit in vraag kan worden gesteld.’ Dat de commissie er, mede in het licht van het feit dat betrokkene in tempore non suspecto nooit gereageerd heeft tegen de zware aantijgingen en gelet op de verklaring van meester PATRIS er van kan uitgaan dat de fraude bewezen is. Gelet op het voorgaande schaart de commissie zich achter de destijds door Luitenant CREVECOEUR verstrekte karakteriële beoordeling en beslist dat betrokkene niet over de vereiste karakteriële hoedanigheid beschikt”. 1.10.3. De beslissing van 13 juli 2005 van de deliberatiecommissie dat verzoeker definitief mislukt is op karakterieel gebied maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. Zij is op 19 oktober 2005 ter kennis van verzoeker gebracht. IX-5173-6/14 2. Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist, vooreerst omdat verzoeker, blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting van 13 juli 2005, “minder geïnteresseerd (
  1. is)in een loopbaan als officier”, maar “vooral eerherstel nastreeft”, vervolgens omdat het beroep beperkt is tot een voorbereidende beslissing zonder dat de vernietiging wordt gevorderd van, onder meer, de nagekomen beslissingen om hem de hoedanigheid van kandidaat te ontnemen; Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging die excepties niet onderzoekt, aangezien hij stilstaat bij het onderzoek van een van de grondvoorwaarden waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen kan worden; 3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van het gezag van het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003, doordat de vernietiging van de deliberatiebeslissing van 9 oktober 1998 steunt op de vaststelling dat hij zijn verweer voor de deliberatiecommissie had moeten bouwen op de hem medegedeelde commentaar over de beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden en dat de commissie vervolgens oog gehad heeft voor een motief dat hem nooit ter kennis gebracht is, te weten het plegen van bedrieglijke praktijken tijdens de scoreloop van 8 september 1998, terwijl de deliberatiecommissie nu over zijn zaak beslist heeft op grond van hetzelfde beoordelingsformulier van zijn karakteriële hoedanigheden en enkel met een aanpassing van de feitelijke motieven, zodat de feiten die aan de beslissing van 9 oktober 1998 ten grondslag lagen -dus met inbegrip van de vermeende fraude- opnieuw in de besluitvorming betrokken zijn; Overwegende dat verzoeker in het daarbij aansluitend eerste onderdeel van zijn derde middel, dat steunt op de miskenning van de fair-play-norm en van zijn rechten van verdediging, aanvoert dat uit de oproeping die hem werd IX-5173-7/14 bezorgd niet blijkt dat hij zou ondervraagd worden over de fraude tijdens de scoreloop, aangezien die oproeping enkel verwijst naar zijn resultaten uit 1998 voor de militaire initiatiefase en het aspect van de fraude tijdens de scoreloop in die resultaten niet aan bod komt; 4.2.1. Overwegende dat de deliberatiecommissie, na het vernietigings- arrest, het besluitvormingsproces overgedaan heeft vanaf de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheid, te weten het determinerend rekening houden met de aan verzoeker aangerekende fraude zonder dat hij de gelegenheid had gekregen zijn standpunt terzake te doen kennen; dat de verwerende partij derhalve, zonder het gezag van het vernietigingsarrest te miskennen, haar beslissing kon overdoen voor zover verzoeker daarbij de gelegenheid kreeg zijn standpunt ten aanzien van de fraude te verduidelijken en zijn argumentatie in de verdere besluitvorming betrokken werd; 4.2.2. Overwegende dat de verwerende partij bij de oproeping van verzoeker voor het verhoor van 13 juli 2005, geen melding gemaakt heeft van de bijzondere omstandigheid dat hij zou ondervraagd worden over de fraude tijdens de scoreloop; dat noch het vernietigingsarrest, noch enig reglementaire bepaling de verwerende partij tot dergelijke uitdrukkelijke kennisgeving verplichtte; dat de deliberatiecommissie er alleen diende over te waken verzoeker niet opnieuw te verschalken door ook nu de fraude als een medebeslissend element naar voren te schuiven zonder dat hij zijn standpunt daarover ter kennis kon brengen; 4.2.3. Overwegende dat verzoeker in het vernietigingsarrest heeft kunnen lezen op welk vlak de verwerende partij zijn rechten had miskend; dat de problematiek van het bijzonder belang, dat de deliberatiecommissie hechtte aan de fraude tijdens zijn scoreloop, hem daarmee in alle klaarheid bekend was; dat de verwerende partij, die er in beginsel zelfs mee kan volstaan de kandidaten kennis te geven van hun onvoldoende uitslagen en negatieve beoordelingen en hen inzage in het dossier te verlenen, hem niet meer hoefde mede te delen dat hij zich ook over dat aspect van de zaak kon verdedigen; dat overigens uit het verweerschrift van de verzoeker, waarin hij over vijf bladzijden ingaat op de concrete omstandigheden waarin zijn scoreloop verlopen is, blijkt dat hij goed wist dat de fraudeproblematiek een belangrijk gegeven in de besluitvorming zou zijn; IX-5173-8/14 4.2.4. Overwegende dat de deliberatiecommissie het verweer van verzoeker in haar besluitvorming betrokken heeft; dat zij terzake ook de meerderen van verzoeker, die bij de zaak betrokken waren, als getuige gehoord heeft en dat verzoeker ook nog de gelegenheid gekregen heeft om op die getuigenissen te reageren; dat verzoeker aldus terdege is kunnen opkomen voor zijn rechten als examinandus; 4.2.5. Overwegende dat de deliberatiecommissie het gezag van het vernietigingsarrest niet geschonden heeft; dat er ook geen onregelmatigheid schuilt in het feit dat verzoeker niet formeel ervan verwittigd werd dat de commissie ook acht zou slaan op het bijzonder gegeven van de fraude bij de scoreloop; dat de middelen niet ernstig zijn; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat de opgeroepen getuigen en een lid van de deliberatiecommissie partijdig geweest zijn en dat de fair-play-norm geschonden is; dat hij stelt dat commandant VERMEER, lid van de deliberatiecommissie, ook reeds deel uitmaakte van de commissie die op 9 oktober 1998 besloot hem niet geslaagd te verklaren, hetgeen tenminste een schijn van partijdigheid doet ontstaan en dat twee getuigen -Kapitein BLOEMEN en Commandant CREVECOEUR- als lid van de commissie deelgenomen hebben aan de deliberaties van 9 oktober 1998 en 25 september 2003; dat hij van oordeel is dat de vermelde personen zich bij de vroegere deliberaties “te zijnen nadele” hebben uitgesproken en er dus kon van uitgegaan worden dat zij ook nu in zijn nadeel zouden getuigen; dat hij daar aan toevoegt dat de deliberatiecommissie het probleem kende -getuige het advies van de eigen juristen van het departement-, dat de partijdigheid van kapitein BLOEMEN voorts ook blijkt uit het in het dossier berustend ontwerp van verklaring dat het bestuur hem heeft voorgeschreven, dat hij minstens mag vrezen dat de personen die zich tijdens een eerdere deliberatie over zijn zaak een idee hebben gevormd bevooroordeeld aan de tweede deliberatie begonnen zijn en dat hij daarom mocht verwachten dat de deliberatiecommissie anders samengesteld zou zijn; dat volgens hem uit het feit dat hem niet medegedeeld is dat er op het verhoor van 13 juli 2005 getuigen gehoord zouden worden, dat hij op 12 juli 2005 het dossier op de KMS niet meer kon inkijken en dat het dossier een nota van de juridische dienst van het departement bevat, blijkt dat de verwerende partij “het nodige heeft gedaan om de besluitvorming ter zitting van de deliberatie- commissie van 13 juli 2005 in een door haar gewenste richting te manipuleren”; dat hij daar aan toevoegt dat een handeling waaraan een schijn van partijdigheid kleeft, ook een schending inhoudt van de fair-play-norm; IX-5173-9/14 5.2. Overwegende dat uit het proces-verbaal van de deliberatie- commissie blijkt dat de voorzitter formeel aan verzoeker gevraagd heeft “of hij akkoord gaat met de samenstelling van de commissie”; dat blijkens de eigenhandig door verzoeker op het proces-verbaal aangebrachte verbetering -aanvankelijk was vermeld dat hij daarmee akkoord ging-, hij daarop zou geantwoord hebben dat de voorzitter de commissie naar eigen inzicht samenstelt; dat dergelijk ontwijkend antwoord zeker niet gelezen kan worden als een protest tegen de samenstelling; Overwegende dat de omstandigheid dat een lid van de examenjury ook reeds deel uitmaakte van de commissie die verzoeker eerder niet geslaagd verklaarde, geen schijn van partijdigheid doet ontstaan die de betrokkene zou moeten beletten aan de verdere besluitvorming deel te nemen; dat verzoeker ook geen persoonlijke partijdigheid van het betrokken jurylid aantoont; dat het onpartijdig- heidsbeginsel ook niet geschonden is doordat de deliberatiecommissie nu twee personen, die effectief deel uitmaakten van de jury die verzoeker op 9 oktober 1998 niet geslaagd verklaarde, als getuige verhoord heeft; dat de enkele gegevens die verzoeker voorlegt om de beïnvloeding van de deliberatiecommissie door het departement te bewijzen, zeker de conclusie niet wettigen dat de verwerende partij de besluitvorming van de deliberatiecommissie gemanipuleerd heeft; dat het middel niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede tot vijfde onderdeel van het derde middel de schending aanvoert van de fair-play-norm en van zijn rechten van verdediging, onder meer de schending van de artikelen 65 en 67 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van kandidaat-militairen van het actief kader; dat hij betoogt wat volgt: in de oproeping om voor de deliberatie- commissie te verschijnen was geen melding gemaakt van de samenstelling van de jury, de verwerende partij heeft ook niet geantwoord op de brief die hij daarover geschreven heeft en bijgevolg heeft hij zich niet kunnen beraden over de wraking van bepaalde juryleden en heeft hij ook niet kunnen nagaan of de juryleden wel beantwoordden aan de reglementaire voorwaarden inzake de samenstelling van de beoordelingscommissie (tweede onderdeel); de oproepingsbrief vermeldde dat hij inzage kon nemen van het dossier van zijn zaak tot 12 juli 2005 om 17 uur in de KMS, maar toen hij zich daar op 12 juli omstreeks 14.15 u aanbood was het dossier daar niet meer aanwezig (derde onderdeel); de oproepingsbrief vermeldt niet dat de deliberatiecommissie getuigen zou horen, zodat hij zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden of zijn verweerschrift daarop afstemmen (vierde onderdeel); op zijn vraag aan getuige Patris op welke wijze uit de moederkaart zou kunnen blijken dat IX-5173-10/14 hij bedrieglijke praktijken gepleegd heeft tijdens de scoreloop is geen antwoord gekomen, want de getuigen moesten alleen de vragen beantwoorden die negatief voor hem uitvielen (vijfde onderdeel); 6.2.1. Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet welk reglement of welke rechtsnorm de verwerende partij ertoe verplichtte verzoeker uitdrukkelijk, ter gelegenheid van de oproeping voor het verhoor, kennis te geven van de samenstelling van de deliberatiecommissie; dat de voorzitter van de commissie verzoeker bij zijn verhoor van 13 juli 2005 uitdrukkelijk in de mogelijkheid gesteld heeft om op dat vlak bemerkingen te maken, wat verzoeker niet gedaan heeft hoewel hij daar de visu kon vaststellen wie deel uitmaakte van de commissie; dat verzoeker thans ook niet uiteenzet op welk vlak de examencommissie niet overeenkomstig artikel 65 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 samengesteld zou zijn; dat voor het overige, in de mate dat van de verwerende partij mocht verwacht worden dat zij in het kader van een transparante besluitvorming zou antwoorden op de schriftelijke vraag van verzoeker om verduidelijking over de samenstelling van de jury, vastgesteld wordt dat verzoeker zijn vraag om inlichtingen slechts verstuurd heeft op zaterdag 9 juli 2005, waardoor het voor de verwerende partij quasi onmogelijk was geworden om verzoeker een antwoord te bezorgen voor de datum van de bijeenkomst van 13 juli 2005; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 6.2.2. Overwegende dat artikel 67 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 bepaalt dat het dossier ter beschikking van de kandidaat is gedurende ten minste vijf dagen voor de zitting van de deliberatiecommissie; dat de verwerende partij niet betwist dat, in strijd met haar mededeling aan verzoeker, hij op 12 juli 2005 het dossier niet meer op de aangewezen plaats heeft kunnen inzien; Overwegende evenwel, dat verzoeker bij zijn verschijning voor de commissie van dat feit geen melding gemaakt heeft en dat hij ook bij de opbouw van zijn verdediging -zijn uitgebreid verweerschrift en zijn uiteenzetting ter zitting- op geen enkel ogenblik geremd blijkt geweest te zijn doordat hij bepaalde stukken van het dossier niet kende; dat verzoeker zich overigens niet met goed gevolg voor het eerst voor de Raad van State kan beroepen op onregelmatigheden in de procedure, wanneer hij nagelaten heeft die onregelmatigheden, die duidelijk niet als een verwijt aan de juryleden kunnen worden opgevat, aan de overheid te signaleren op het ogenblik dat het bestuur zelf deze onregelmatigheden nog kan rechtzetten; dat overigens, nu het dossier van de zaak ook reeds naar aanleiding van de eerdere beslissingen van de deliberatiecommissie te zijner inzage is geweest en het ook als IX-5173-11/14 administratief dossier neergelegd is in de zaken die verzoeker bij de Raad van State aanhangig gemaakt heeft, verzoeker ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden, wat hij ook gedaan heeft aan de hand van een uitvoerig verweerschrift; dat verzoeker niet aantoont dat het optreden van de verwerende partij zijn belangen geschaad heeft; dat het derde onderdeel van het middel niet gegrond is; 6.2.3. Overwegende dat, naar luid van artikel 68 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, de deliberatiecommissie volgens eigen inzichten personen kan horen; dat die bepaling niet voorschrijft dat de commissie vooraf aan de kandidaat moet mededelen welke personen zij zal horen; dat verzoeker ook niet aanduidt welk beginsel van behoorlijk bestuur die verplichting zou bevatten; dat het vierde onderdeel van het middel niet ernstig is; 6.2.4. Overwegende dat verzoeker voortvarend uit de omstandigheid dat de getuige geen antwoord gegeven heeft op een door hem gestelde vraag -overigens de enige aanwijzing die hij verstrekt- afleidt dat de getuigen alleen moesten antwoorden op vragen te zijnen nadele; dat het vijfde onderdeel van het middel niet ernstig is; 7.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat de bestreden beslissing niet pertinent gemotiveerd is waar gesteld wordt dat hij nooit gereageerd zou hebben op de vermeldingen die op zijn individuele fiche waren aangebracht, dat hij, met betrekking tot de fraude, ook nooit gereageerd zou hebben tegen de aantijging en dat, gelet op de verklaring van meester Patris, de fraude bewezen wordt geacht; dat hij die vermeldingen “strijdig met de realiteit der feiten” bestempelt; dat hij stelt vóór de deliberatie van 8 oktober 1998 nooit op de hoogte gebracht te zijn van “enige bedrieglijke praktijk” en dat hij dus ook niet kon reageren, dat bij hem de vraag rijst waarom het bewijs van de feiten blijft steunen op de getuigenis van één instructeur terwijl er tijdens de scoreloop meerdere aanwezig waren en dat het onbegrijpelijk is dat de instructeur in kwestie niet kon antwoorden op zijn vraag waar de moederkaart was; 7.2.1. Overwegende dat het feit van de bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop te gelegener tijd op de individuele fiche van verzoeker ingeschreven werd en door hem, blijkens zijn verweerschrift, op 18 september 1998 IX-5173-12/14 voor kennisneming ondertekend; dat het argument dat hij niet vòòr de deliberatie van 8 oktober 1998 kennis had van bedrieglijke praktijken feitelijke grondslag mist; 7.2.2. Overwegende dat het bestreden besluit overweegt dat op de individuele fiche van verzoeker melding gemaakt is van de bedrieglijke praktijken tijdens de scoreloop en dat het betoog van verzoeker niet overtuigend is, terwijl de uitleg van de monitor die de fraude vastgesteld heeft dat wel is; dat het bestreden besluit de door de betrokken monitor afgelegde verklaring tijdens het verhoor weergeeft; dat daaruit blijkt dat op de kaart van verzoeker een perforatie aangebracht is voor post 10 terwijl die post door de kandidaten niet aangedaan moest worden en dat verzoeker voor post 7 en post 13 dezelfde knijptang heeft gebruikt, terwijl vooraf duidelijk was aangegeven dat zulks als fraude aanzien zou worden; dat uit het proces- verbaal van de deliberatiecommissie blijkt dat de voorzitter de originele kaart aan de vergadering voorgelegd heeft en dat zowel verzoeker als de sportmonitor uitdrukkelijk bevestigd hebben dat het wel degelijk de juiste kaart was; dat de commissieleden op grond van die gegevens in redelijkheid tot het besluit zijn kunnen komen dat de fraude bewezen was; dat de kritiek van verzoeker op enkele punctuele motieven van het bestreden besluit de pertinentie van de motivering niet onderuit haalt; dat het vierde middel niet ernstig is; 8. Overwegende dat geen van de door verzoeker ingeroepen middelen ernstig is; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, IX-5173-13/14 W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5173-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.223 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.