id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.232 Rolnummer: A. 142172/XIV-16935 Zaak: Arrest 156232 - - 13/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 13:20 Fiche Arrest nr 156.232 van 13 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.232 van 13 maart 2006 in de zaak A. 142.172/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Zwitserlandstraat 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 27 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.935-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, is België binnengekomen op 28 april 2000 en heeft zich op 20 juni 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 25 juli 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 29 augustus 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 23/07/2003 op uw gekozen woonplaats.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als middelen aanvoert: “EERSTE MIDDEL: schending van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging Dat de bestreden beslissing de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging van verzoekster schenden, doordat verweerder aan verzoekster geen kans heeft gegeven tot een verhoor. Dat immers verzoekster nooit de oproeping van het Commissariaat-generaal heeft ontvangen. XIV-16.935-2/7 Dat aan de raadsvrouw van verzoekster werd meegedeeld dat verzoekster bij aangetekend schrijven van 23 juli 2003 werd opgeroepen om te verschijnen voor een verhoor op 4 augustus
- Dat eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat er in casu geen redelijke termijn in acht werd genomen voor de oproeping. Dat immers de tijd tussen het verzenden van het aangetekend schrijven en het voorziene verhoor te kort was. Dat gelet op het feit dat verzoekster nooit het aangetekend schrijven van verweerder ontving, noch een kaartje in haar brievenbus vond met de melding dat er een aangetekende zending voor haar op het postkantoor lag, zij dan ook niet verscheen op het verhoor dat was voorzien op 4 augustus
- Dat de raadsvrouw van verzoekster wel verscheen op 4 augustus
- Dat door een medewerker van verweerder werd meegedeeld aan de raadsvrouw van verzoekster dat zij verzoekster diende te contacteren en zij binnen een maand een brief diende te schrijven met de redenen waarom verzoekster niet was verschenen; Dat de raadsvrouw van verzoekster, verzoekster onmiddellijk aanschreef en zij daags nadien een telefonisch onderhoud had met verzoekster. Dat verzoekster totaal verbaast was dat er reeds een oproeping was geweest en zij meedeelde dat zij hiervoor nooit enige oproeping had ontvangen. Dat de raadsvrouw van verzoekster dit dan ook onmiddellijks schreef aan verweerder op 12 augustus
- Dat de raadsvrouw van verzoekster in dit schrijven eveneens aan verweerder vroeg in haar schrijven om na te gaan of verzoekster wel correct werd opgeroepen. Dat verzoekster, noch haar raadsvrouw hierop nooit een enig antwoord ontvingen van verweerder. Dat zowel verzoekster als haar raadsvrouw op 2 september 2003 een schrijven ontvingen van verweerder met kopie van de"beslissing van verweerder van 29 augustus 2003, waarbij haar het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Dat eveneens in deze beslissing werd vermeld: "Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder enige geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping die u aangetekend werd verstuurd op 23/07/2003 op uw gekozen woonplaats. " Dat de vermelding in de beslissing van 29 augustus 2003 totaal niet overeenstemt met de werkelijkheid. Dat immers de raadsvrouw van verzoekster wel degelijk binnen de maand na de oproeping heeft gereageerd en een schrijven heeft gestuurd aan verzoekster. Dat de raadsvrouw en verzoekster na deze beslissing nog een onderhoud heeft gehad met een medewerker van verweerder en deze bevestigde dat het schrijven van de raadsvrouw van verzoekster wel degelijk tijdig was toegekomen bij verweerster. Dat in casu de rechten van verdediging van verzoekster dan ook geschonden zijn door verweerder door in de motivering van hun beslissing geen enkele rekening te met het schrijven van de raadsvrouw van verzoekster. Dat bovendien dient te worden opgemerkt dat de oproeping voor 4 augustus 2003 aangetekend werd verstuurd op 23 juli
- Dat 4 augustus 2003 verweerder onmogelijk uitsluitsel kon hebben over het feit of de oproeping wel degelijk correct was verlopen. Dat immers een aangetekende zending 14 dagen op het postkantoor blijft liggen om deze af te halen. Dat verzoekster dan ook op 4 augustus 2003 nog in de mogelijkheid was om de aangetekende zending rechtsgeldig af te halen. Dat het in casu dan ook overduidelijk is dat geen redelijke termijn werd gerespecteerd voor de oproeping. Dat derhalve door verweerder de rechten van verdediging, van verzoekster en de zorgvuldigheidsverplichting werden geschonden, doordat verzoekster niet de mogelijkheid werd geboden om te worden gehoord door verweerder. TWEEDE MIDDEL: schending van artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging XIV-16.935-3/7 en de verwijdering van vreemdelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, het art. 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195 1: de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt en een manifeste beoordelingsfout begaat, wanneer hij nalaat verzoeksters vrees voor vervolging in zijn land grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. De definitie van de Vluchtelingenconventie van Genève luidt immers als volgt: "geldt als vluchteling: elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofd van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.” Dat verweerder nagelaten heeft de feiten zelf waarop verzoekster zijn vrees voor vervolging en zijn vlucht uit Ecuador baseert, grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. Dat de Dienst Vreemdelingenzaken in hun beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, ten onrechte stelt dat er in hoofde van verzoekster geen vermoeden bestaat van een gegronde vrees voor vervolging. Dat ook verweerder heeft nagelaten verzoeksters asielrelaas grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie en de toestand van verzoekster in Ecuador ernstig te onderzoeken. Dat immers gelet op het hoger vermelde feitenrelaas het in casu duidelijk is dat verzoekster ernstige redenen had om te vrezen voor haar veiligheid en de veiligheid van haar dochter. Dat het immers de dochter van verzoekster werd verkracht en zowel verzoekster als haar dochter werden bedreigd, geslagen, ... Dat ernstige inbreuken op de fysieke integriteit, zelfs eenmalige, in principe aanvaard worden als vervolging. (CPRR 1e kamer, nr. F095, 21 mei 1992, onuitg.) Dat verzoekster meermaals een beroep deed op de politie, doch deze verzoekster en haar dochter weigerde te beschermen tegen het fysiek geweld van de Heer M.. Dat feiten gepleegd door een bepaalde persoon omwille van het geslacht van een persoon een vervolging kunnen uitmaken. “Maar ook feiten gepleegd door andere personen of bevolkingsgroepen omwille van één van de vijf gronden van het Vluchtelingenverdrag, kunnen vervolging uitmaken." (VANHEULE, D., Vluchtelingen - een overzicht, Gent, Mys & Breesch, 1998, 40) Dat de politie, de nationale overheid niet in staat was om verzoekster en haar dochter te helpen, te beschermen tegen het fysiek geweld van de Heer M.. “Hierbij moet echter gekeken worden naar de reactie van de nationale overheid Het principe waarop het Vluchtelingenverdrag steunt is het bieden van bescherming aan personen die de bescherming van hun nationale overheid niet meer kunnen of willen inroepen en daarom buiten hun land van herkomst verwijderd blijven. Dit mechanisme is ondergeschikt aan het zinvolle beroep op bescherming bij de nationale overheid. In geval van vervolging door derden dient de kandidaat-vluchteling in de eerste plaats die nationale bescherming in te roepen. Pas nadat die bescherming niet kan geboden worden, mag gesteld worden dat er vervolging bestaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag." (VANHEULE, D., Vluchtelingen - een overzicht, Gent, Mys & Breesch, 1998, 40) Dat in casu verzoekster inderdaad eerst getracht heeft een beroep te doen op de nationale overheid, doch deze haar geen bescherming kon of wou bieden. Dat immers de vader van de Heer M. een invloedrijk politieman en de overige verbalisanten tegen hem weigeren of niet durven optreden. Dat verweerder met deze gegevens geen rekening heeft gehouden en onzorgvuldig te werk ging, zoals reeds werd uiteengezet. Dat verweerder in de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, het artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de Status van XIV-16.935-4/7 Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951: de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt en een manifeste beoordelingsfout begaat, wanneer hij nalaat verzoeksters vrees voor vervolging in zijn land grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie.”; 2.2.1.
- Overwegende dat verzoekster de schending opwerpt van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging; dat verzoekster stelt dat zij nooit de oproeping van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft ontvangen, noch een kaartje met de melding dat er een aangetekende zending voor haar op het postkantoor lag; dat zij opmerkt dat er geen redelijke termijn in acht werd genomen voor de oproeping; dat een aangetekende zending immers gedurende een termijn van 14 dagen kan afgehaald worden op het postkantoor; dat de brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd verstuurd op 23 juli 2003; dat het verhoor was voorzien op 4 augustus 2003, dat deze termijn niet redelijk is gezien zij op de datum van het verhoor haar zending nog rechtsgeldig had kunnen afhalen op het postkantoor, dat de raadsvrouw van verzoekster wel op de hoogte was van, en aanwezig op het voorziene verhoor, dat deze raadsvrouw daags nadien met verzoekster contact op nam en vervolgens een brief naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zond met de mededeling dat haar cliënte nooit bericht ontving en waarin zij ook vroeg na te gaan of de oproeping wel correct was gebeurd, dat het feit dat met deze brief geen rekening werd gehouden door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf een schending uitmaakt van de rechten van verdediging; 2.2.1.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt, dat in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, de aangetekende brief haar wel degelijk betekend werd op 24 juli 2003; dat de bewuste zending duidelijk vermeldt dat indien overmacht verzoekster belet gevolg te geven aan de oproeping, zij binnen de maand die volgt op de datum van het schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat daarvan het bewijs levert, per aangetekend schrijven dient te bezorgen; dat in dat geval zij eveneens dient te antwoorden op het bijgaande verzoek om inlichtingen; dat in casu blijkt dat verzoekster niet naar het interview kwam en nooit aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de reden van overmacht meedeelde, noch op het bijgevoegde verzoek om inlichtingen geantwoord heeft; dat verzoekster enkel beweert dat zij niet op de hoogte was, zonder hiervoor enige verklaring te geven, noch een verklaring geeft waarom niet is voldaan aan het verzoek om inlichtingen, hoewel uit haar verklaringen blijkt dat zij op de hoogte was daags na het voorziene gehoor, dus binnen de termijn van één maand; dat de brief die aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd gezonden door de raadsvrouw van verzoekster geen geldige reden bevat voor het niet verschijnen, en ook niet kan opgevat worden als een antwoord op het verzoek om inlichtingen; dat, gesteld dat XIV-16.935-5/7 verzoekster zich in het (niet aangetoonde) geval van overmacht bevond, zij dan nog nagelaten heeft te voldoen aan het verzoek om inlichtingen; dat in casu verzoekster nog een antwoord op het verzoek om inlichtingen heeft verstuurd naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 2 september 2003, maar dit ruim buiten de wettelijk bepaalde termijn van één maand na de verzending van het verzoek was; dat geen redelijke termijn gerespecteerd werd omdat een aangetekende zending 14 dagen lang kan afgehaald worden op het postkantoor, onjuist is; dat van verzoekster kan verwacht worden dat zij, gezien het feit dat zij het voorwerp uitmaakt van een asielprocedure, alert reageert wanneer zij de melding krijgt dat een aangetekende zending voor haar klaar ligt; dat bovenstaande vaststellingen niet vermogen te besluiten dat de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting, door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden geschonden; dat, met betrekking tot de schending van de rechten van verdediging van verzoekster, dient te worden gesteld dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel verzoekster de schending opwerpt van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting; dat verzoekster stelt dat een manifeste beoordelingsfout werd begaan, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de vermelde bepalingen schendt omdat hij bij het nemen van zijn beslissing heeft nagelaten de feiten waarop verzoekster zich beroept, te toetsen aan de Vluchtelingenconventie; 2.2.2.
- Overwegende dat artikel 52 § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat verzoekster zich binnen het toepassingsgebied van deze bepaling bevindt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook op rechtsgeldige wijze kon besluiten tot een technische weigering, zonder dat hij daarbij een onderzoek diende te voeren naar de aannemelijkheid van verzoeksters vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn besluit op rechtsgeldige wijze heeft genomen, met inachtneming van alle elementen waarover hij de beschikking had; dat verzoekster niet aantoont dat hij op kennelijk onredelijke wijze tot deze beslissing is gekomen; dat zij niet XIV-16.935-6/7 aantoont hoe zijn besluit een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.935-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div