← België

Arrest 156246 - - 13/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.246 Rolnummer: A. 156919/XIV-20981 Zaak: Arrest 156246 - - 13/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 13:21 Fiche Arrest nr 156.246 van 13 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.246 van 13 maart 2006 in de zaak A. 156.919/XIV-20.

  1. In zake : XXX die woonplaats kist bij Advocaat I. LAMOOT, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Michel Van Hammestraat 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 13 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat I. LAMOOT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.981-1/6 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “III.
  3. Eerste Middel
  4. Schending van artikel 149 Gecoördineerde Grondwet. Schending van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december
  5. Schending van het motiveringsbeginsel. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Schending van de rechten van verdediging. Doordat de Vaste Beroepscommissie als administratief rechtscollege een jurisdictionele motiveringsplicht heeft en de Vaste Beroepscommissie elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te onderzoeken en te beantwoor- den.
  6. De betwiste beslissing van de Vaste Beroepscommissie zou uiteraard beantwoor- den aan de vereisten van art. 2 en art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, B.S. 12 september
  7. De Vaste Beroepscommissie is echter een administratief rechtscollege en als administratief rechtscollege dient de Vaste Beroepscommissie te voldoen aan de veel strengere motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. Cfr. Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl. Cfr. ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbegin- sel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone boven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd". Cfr. Uw arrest R.v.St. AGYEMANG, nr. 66.369,22 mei
  8. Het onderscheid tussen de motiveringsplicht die wordt opgelegd door de Wet van 29 juli 1991 enerzijds, de jurisdictionele motiveringsplicht van art. 149 Grondwet anderzijds, ook toepasbaar op administratieve jurisdicties, minstens als algemeen motiveringsbeginsel toepasbaar op administratieve jurisdicties, wordt op pertinente wijze uiteengezet door UYTTENDAELE M., Regards sur un systéme institutionnel paradoxal, Brussel, Bruylant, 1997, nr.
  9. Terecht geeft de auteur aldaar aan dat de administratieve overheden niet dienen te antwoorden op alle argumenten die naar voor worden gebracht door de bestuurde. Zij moeten enkel aangeven welke feitelijke en juridische motieven de beslissingen schragen. De motivering moet adequaat zijn en in evenredigheid met het belang van de beslissing. Administratie- ve jurisdicties moeten echter in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. Cfr. in dezelfde zin VANDE LANOTTE, J en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-
  10. Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
  11. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. XIV-20.981-2/6
  12. Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er opnieuw verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoor- denen." Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", TP.R. 1971, 1-
  13. Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen".
  14. Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht. Het leunt dus ook aan bij het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze plicht tot zorgvuldig onderzoek van de door de verdediging uiteengezette middelen, leidt trouwens tot grote gestrengheid, ook bij de afdeling Wetgeving van Uw Raad, m.b.t. de verplichting van de burgerlijke rechtbanken om vonnissen voor te lezen in openbare terechtzitting. Cfr. VELAERS, J., De grondwet en de Raad van State, afdeling Wetgeving, Antwerpen, Maklu, 1999, 487 e.v. Daarbij wordt er verwezen naar een kernachtige samenvatting van het doel van art. 149 Grondwet: "Zoals Wigny er op wijst zijn immers de openbare uitspraak van een vonnis en dientengevolge, de bekendmaking van de motieven waarop de rechter gesteund heeft, een "garantie essentielle contre l'arbitaire. C'est la preuve que le juge a soignesement examiné les moyens proposés par les plaideurs et médité sa déscision (Cass. 12 mei 1932, Pas. 1992, 1, 166) ". Waar het de verzoekende partij niet mogelijk is uit de betwiste beslissing te analyseren waarom de Vaste Beroepscommissie concreet neit met de diverse middelen akkoord gaat en ze dus verwerpt, is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden en is het algemeen beginsel van motivering geschonden. Zo stelt de Vaste Beroepscommissie dat uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt dat enerzijds de Mujaheddin op weinig sympathie kunnen rekenen in Iran en anderzijds dat, zoals verzoeker verklaarde, het bezit van Mujaheddin materiaal zwaar bestraft wordt door de overheid. Gezien deze twee aspecten wordt dan ook van verzoeker verwacht dat hij kan motiveren waarom hij interesse heeft voor de Mujaheddin-é-Khalq en met kennis van zaken kan spreken over de organisatie en vanuit die interesse kan motiveren waarom verzoeker het verboden materiaal bijhield. Gezien de Vaste Beroepscommissie geen exacte bronnen aangeeft waar zij het haalt dat de Iranese autoriteiten op weinig sympathie kunnen rekenen, blijft dit louter concrete en door Uw Raad niet toetsbare kennis die niet als afdoende jurisdictionele motivatie kan gelden om de door verzoekende partij ingeroepen middelen ongegrond af te wijzen. Verzoeker heeft dienaangaande duidelijk gesteld dat hij geen lid was en de historiek van de partij niet kende. Hij handelde voor een vriend en hoopte niet te worden ontmaskerd door de overheidsdiensten. Het feit dat de Vaste Beroepscom- missie stelt dat het bezit van Mujaheddin materiaal zwaar bestraft wordt door de Iranese overheid is voor verzoekende partij een afdoende argument om zijn asielaanvraag te motiveren.
  15. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. Cfr. uw arrest R.v.St., AGYEMANG, nr. 66.369, 22 mei
  16. Al evenzeer mag van een administratieve jurisictie verworden dat zij niet oordeelt op grond van interpretaties van feiten die niet controleerbaar zijn. Dit maakt in elk geval een schending uit van de rechten van verdediging. Doordat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij de erkenning als vluchteling weigert. XIV-20.981-3/6 Terwijl verzoekende partij zijn land ontvluchtte om zich te onttrekken aan represailles en vervolgingen van de Iranese autoriteiten. Verzoekende partij dient als vluchteling te worden erkend overeenkomstig het Verdrag van Genève, meer bepaald waar het verdrag stelt dat als vluchteling moet worden beschouwd : "Elk persoon die, (...) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.. " Verzoekster ontvluchtte zijn land om zich te onttrekken aan de vervolging omwille van zijn vrees om vervolgd te worden door het Ettelaat omwille van de politieke activiteiten van zijn vrienden, voor wie hij in de bres sprong. Het is dan ook vanzelfsprekend dat verzoekende partij geen beroep kan doen op een autoriteit door dewelke hij wordt gezocht en waarvan hij vreest te worden gefolterd, omwille van het bezit van materiaal uitgegeven door de Mujaheddin. Zelfs de Vaste Beroepscommissie geeft bij deze aan dat op het bezit van dergelijk materiaal zeer zware straffen staan.
  17. De Vaste Beroepscommissie, heeft, als een soort super-bestuurder, ter zitting ook een nieuw onderzoek doorgevoerd (nopens de twijfel aan verzoekers opgegeven identiteit). Er is dus niet voldaan aan de jurisdictionele aard van de opdracht van de Vaste Beroepscommissie met automatisch gevolg dat de hierboven aangegeven wetten en beginselen geschonden zijn. Een motivering ware des te noodzakelijker gezien de verzoekende partij precies had uiteengezet dat zijn diverse verklaringen wel degelijk compatibel en consistent waren en dus wel degelijk de basis konden vormen van een erkenning. Een jurisdictioneel orgaan mag daaraan niet voorbijgaan, en mag zich niet beperken tot het opsommen van motieven, alsof het een Bestuur zou zijn. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. III.
  18. Tweede middel
  19. Schending van art. 57/11 Vreemdelingenwet 15 december
  20. Schending van de rechten van verdediging. Schending van art. 149 Grondwet. Schending van het beginsel van de motiveringsplicht Schending van de materiële motiveringsplicht, minstens van de mogelijkheid tot toetsing van de materiële motivering.
  21. Onder het eerste middel is dus reeds uiteengezet dat de aldaar aangegeven gronden geschonden zijn omdat de verzoekende partij niet weet waarom zijn beroep is afgewezen. Dezelfde argumentaties vanuit een ander oogpunt bekeken, ook relevant voor het tweede middel. De Vaste Beroepscommissie grondt haar oordeel op een onderzoek dat zij grotendeels zelf heeft uitgevoerd en grondt dit op een ondervraging ter zitting. De Vaste Beroepscommissie 'weet' dat de Iranese autoriteiten dat de Mujaheddin op weinig sympathie kan rekenen in Iran (autoriteiten). De Vaste Beroepscommis- sie 'weet' dat het bezit van Mujaheddin materiaal zwaar bestraft wordt door de overheid. Doch, de Vaste Beroepscommissie meent dat verzoekende partij dit niet hard maakt daar hij niet alle vragen over de Mujaheddin kan beantwoorden en geen concrete verklaring kan geven waarom hij de CD's tussen zijn eigen CD's heeft bewaard en niet heeft weggemaakt. Een motief van een jurisdictioneel orgaan kan niet gesteund worden op deze vaststelling. Voor de bewering als zou verzoeker de Iranese nationaliteit niet dragen, is gesteund op pure beweringen zonder dat daaromtrent enige spoor is dit bundel is terug te vinden en zonder dat er daaromtrent enige precieze vermelding in het jurisdictioneel besluit voorkomt, daar het Commissariaat-Generaal hieromtrent geen voorbehoud maakt. Op welke gegevens baseerde de Vaste Beroepscommissie zich. Uw Raad dient effectief geen onderzoek te voeren naar de situatie in Iran. Uw Raad dient echter wel in de mogelijkheid te zijn om na te gaan of de Vaste Beroepscommissie op een redelijke wijze tot een dergelijke feitelijke vaststelling XIV-20.981-4/6 is gekomen. Nu dit voor Uw Raad niet mogelijk is, moet de beslissing worden vernietigd. Het ware uiteraard onaanvaardbaar dat een asielaanvraag kan afgewezen worden, puur op grond van ingenomen stellingen van een orgaan dat stelt dat het alles weet, zonder dat de hoogste administratieve rechter op een of andere wijze zou kunnen nagaan hoe het afwijzend orgaan tot haar feitelijke bevindingen is gekomen. De beslissing dient dan ook vernietigd te worden en dient verwezen te worden.”; 1.
  22. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam doet blijken waarom zijn aanvraag wordt verworpen, met name omdat -zoals afdoende wordt toegelicht- geen geloof kan worden gehecht aan zijn verklaringen; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat er onduidelijkheid is over zijn identiteit, dat hij zelfs geen begin van bewijs bijbrengt omtrent enige vorm van vervolging in Iran en evenmin aantoont daartoe enige poging te hebben ondernomen, en dat hij de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde motieven, die de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tot de hare maakt, noch in zijn beroepschrift noch ter zitting weerlegt; dat van een vage en algemene motivering alvast geen sprake is; dat wanneer een beroep door een alleenrechtspre- kend lid wordt behandeld, bovendien niet is vereist dat deze zich bij de weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aansluit; dat de gemachtigde bijzitter derhalve het ontbreken van een identiteitsbewijs als weigeringsmotief kon hanteren, ook al werd de identiteit van betrokkene tevoren door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in twijfel getrokken; dat wanneer de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, na ondervraging van de vreemdeling, van oordeel is dat hij niet bekend blijkt te zijn met zijn beweerde leefomgeving het voldoende is aan te geven op welke vragen hij niet of niet naar behoren heeft geantwoord; dat verzoeker eraan voorbijgaat dat waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er -in navolging van de Commissaris-generaal- op wijst dat het bezit van Mujaheddin materiaal zwaar bestraft wordt, zij zich baseert op de informatie die zich in het administratief dossier bevond en waarop verzoeker zich zowel in zijn beroepschrift als ter zitting van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen afdoende heeft kunnen verweren; dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A

(2), van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het een nieuwe beoordeling van zijn zaak beoogt, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort, vermits het hem niet toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat in de mate dat de middelen ontvankelijk zijn, ze niet gegrond zijn;
  1. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-20.981-5/6 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.981-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.