← België

Arrest 156247 - - 13/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.247 Rolnummer: A. 157131/XIV-21042 Zaak: Arrest 156247 - - 13/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 13:21 Fiche Arrest nr 156.247 van 13 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.247 van 13 maart 2006 in de zaak A. 157.131/XIV-21.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 3 november 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederland- se Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.042-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel: schending van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Dat artikel 57/22 bepaalt dat: "De beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak."
  4. Verzoeker wordt in de beslissing afgewezen omdat hij geen bewijs van zijn reis en identiteit voorlegt. Verzoeker legt geen bewijs van zijn reis en identiteit voor om de eenvoudige reden dat hij geen bewijs kan voorleggen. Verzoeker verliet zijn land op een zeer jonge leeftijd. Zijn huku (soort van identiteitsstuk) hield hij zelf niet bij, wel de dorpsoverste. Een identiteitskaart had hij nog niet vermits hij minderjarig was toen hij zijn land verliet. Zijn Tibetaanse identiteit/nationaliteit blijkt immers wel uit de twee attesten die hij voorlegt van het Bureau van Tibet en van de Tibetan Community in Belgium. In de verschillende asielinstanties is men daar te weinig op ingegaan. De beslissing is dan ook onvoldoende gemotiveerd wanneer ze stelt dat verzoeker niet al het mogelijke heeft gedaan om stukken en bewijzen met betrekking tot zijn identiteit te bekomen. Wat zijn reisweg betreft verklaarde hij reeds op Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat hij te voet van Tibet naar Nepal reisde en van Nepal naar België opeenvolgens te voet, bus, 2x vliegtuig en 2 uren trein nam. Rekening houdend met de leeftijd van verzoeker en scholingsgraad blijkt niet uit de gegevens van het dossier dat verzoeker niet wil meewerken. Hij brengt de informatie voor die redelijkerwijs van een minderjarige kan verwacht worden. Hij werd begeleid naar België door Sherpa Tenzin en volgde deze persoon blindelings, wat een onwetend kind in de meeste gevallen zou doen. De beslissing is dan ook onvoldoende en onjuist gemotiveerd wanneer men zegt dat verzoeker vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt.
  5. De beslissing stelt: .... dat uit de inlichtingen bekomen uit het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat een persoon met dezelfde naam en geboortedatum als appellant werd uitgenodigd door een Belgische familie teneinde in België te studeren; dat appellant ter zitting ten stelligste ontkent dat hij deze familie kent en de daarbij gevoegde school- en identiteitsdocumenten op hem betrekking hebben; dat de bijgesloten foto's onduidelijk en wellicht niet van appellant zijn ....... Verzoeker werd inderdaad op de zitting geconfronteerd met dit gegeven. Hij heeft duidelijk gesteld dat hij niet die persoon is die door die bepaalde familie werd uitgenodigd om bier te komen studeren. De argumenten die verzoeker aanvoerde blijken de leden van de Commissie te hebben overtuigd omdat ze van oordeel zijn dat de bijgesloten foto's onduidelijk en wellicht niet van appellant zijn. Verzoeker is van mening dat dit gegeven helaas wel de teneur van de zitting was en dit zou wijzen op het feit dat verzoeker liegt over zijn identiteit, quod non. De commissie- leden zijn met die opvatting de zitting begonnen en dit gegeven heeft de ganse duur van de zitting in beslag genomen. Het is dan ook zeer eigenaardig dat men een hele zitting doordraaft over deze onjuiste inlichtingen van DVZ en dat er dan maar amper 5 regels aan worden besteed in de beslissing. Op grond van dit feit kon de VBV niet besluiten dat verzoeker niet voldoende heeft gedaan om zijn identiteit te bewijzen en dat bijgevolg zijn geloofwaardigheid in het gedrang komt. De VBV heeft haar beslissing gebrekkig gemotiveerd. XIV-21.042-2/5
  6. In de beslissing wijst men verzoeker af omdat hij ter zitting niet zou verklaard hebben wat er juist op de pamfletten en audiocassetten stond, noch zou de inhoud ervan blijken uit het administratief dossier. Verzoeker kon tevens niet voldoende omschrijven hoe de stad waar hij aan politieke activiteiten deed eruit zag. Verzoeker wenst op te merken dat de hele zitting werd beheerst door het gegeven van DVZ, zoals reeds boven aangehaald, nl dat verzoeker hier werd uitgenodigd door een Belgische familie. Verder werden er enkele korte vragen gesteld, nl of verzoeker nog iets toe te voegen heeft aan zijn asielrelaas. Men heeft niet gevraagd wat er op de pamfletten stond, noch wat er op die cassetten stond. De beslissing is foutief gemotiveerd wanneer ze stelt dat uit het administratief dossier niet blijkt wat er juist op de cassetten en pamfletten stond. Verzoeker heeft duidelijk op het Commissariaat-generaal uiteengezet wat er op staat. P. 7 Verhoorverslag CGVS: conferentie over cultuur en tib boeddhisme om het te bewaren en over religie... stond opgeschreven 'dhunkar wangchen'... p. 8: ... release the Panchen Lamal from prison, release the political prisoners... China and Tibet are separate countries independent, Long Live Dalai Lama, Bhoe gyalo.. Verzoeker gaf tevens een omschrijving van de stad Dzongkha op p. 8-10 verhoorverslag van het CGVS en legde tevens uit hoe hij er geraakt was en waar hij er die dag verbleef. Het is dus manifest onjuist dat verzoeker de inhoud van de cassetten en pamfletten niet kende. De beslissing is gebrekkig en onjuist gemotiveerd. Verzoeker is van oordeel dat de bestreden beslissing foutief is gemotiveerd en niet in overeenstemming is met de gegevens van het administratief dossier.
  7. De motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet daarenboven afdoende zijn dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk. Een motivering moet om deugdelijk te zijn volledig, ondubbelzinnig en correct zijn, zodat de Raad van State de mogelijkheid wordt geboden na te gaan of de beslissingnemende overheid de argumentatie van verzoeker in overweging heeft genomen, quod non. De motivering moet begrijpelijk zijn, dwz logisch en consistent en niet aangetast door tegenstrijdigheden. (VAN HEULE, D., Vluchtelingen: een overzicht, Gent, Mys en Breesch, 1998, 165.)”; 1.
  8. Overwegende dat, als administratieve cassatierechter, de Raad van State zich niet in de plaats mag stellen van de feitenrechter wanneer deze zijn appreciatiebevoegd- heid uitoefent; dat hij slechts, wat de controle van de feiten betreft, zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen voor zover er sprake is van een foutieve kwalificatie van de feiten ten opzichte van de juridisch toepasselijke regels of van een miskenning van de bewijskracht van de aan de feitenrechter voorgelegde stukken, waaronder de verhoorverslagen, of van de inhoud ervan door er een uitlegging aan te geven op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; dat uit het verhoorverslag van 18 september 2003 van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker aldaar op de vragen omtrent de inhoud van de door hem verspreide cassettes onder meer antwoordde dat het een “conferentie over cultuur en tib(etaans) boeddhisme om het te bewaren en over religie” betrof en er “stond op geschreven ‘dhunkar wangchen’ (eenmaal per jaar is er religieuze meeting met als leider de Dalai Lama die komt in India; het was in India te Dorjeden)”, op de vraag naar de inhoud van de pamfletten antwoordde “release the Panchen Lamal from prison”, “release the political prisoners”, “China and Tibet are separ(a)te countries independent”, “Long Live Dalai Lama”, “Bhoe gyalo (lang leve Tibet) (het is een slogan met vele betekenissen dat Tibetanen winnen)” en “onderaan stond morgen is een bel(angrijke) dag, iedereen moet opstaan”, en op de vraag naar informatie over de stad Dzongkha antwoordde “er was een hospitaal aan, de mensen kwamen uit een chorten en XIV-21.042-3/5 droegen tranga (gebedssnoer)” en “daar het de belangrijkste stad in de dzong is, is er een militair kamp, Chinese kantoren”; dat in casu verzoeker dan ook terecht aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waar zij in de bestreden beslissing stelt “dat uit de lezing van het administratief dossier en ter zitting blijkt dat appellant de inhoud van de cassettes die hij verdeelde niet kent”, en het verhoorverslag van 18 september 2003 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen miskent door aan zijn verklaringen een uitleg te geven die niet met de inhoud van voormeld verhoorverslag verenigbaar is; dat hetzelfde geldt voor zijn verklaringen omtrent de inhoud van de pamfletten, de stad waar hij de cassettes en pamfletten uitdeelde en de vrienden waarmee hij dit deed; dat, voor zover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overweegt “dat uit de lezing van het administratief dossier” blijkt dat verzoeker deze elementen niet kan toelichten, zij geen rekening houdt met de verklaringen die hij op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft afgelegd en zij hiermee aan zijn verklaringen ter zitting van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeldingen ontzegt die daar wel in voorkomen, minstens zij niet duidelijk maakt waarom deze verklaringen door haar niet in aanmerking worden genomen; dat, niettegen- staande geen enkele bepaling voorschrijft dat alle verklaringen afgelegd ter terechtzitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moeten worden genoteerd, noch dat de secretaris een getrouw verhoorverslag moet opmaken, evenwel, indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich op de ter zitting afgelegde verklaringen baseert, de strekking hiervan duidelijk dient te blijken, hetzij uit haar beslissing zelf, hetzij uit het verslag van de zitting, zodat de cassatierechter in staat is zijn wettigheidscontrole op de motieven uit te oefenen; dat in casu dit niet het geval is, zodat het enig middel gegrond is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: Artikel
  10. Vernietigd wordt de beslissing van 24 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen. Artikel
  11. XIV-21.042-4/5 Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  12. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.042-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.