← België

Arrest 156248 - - 13/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.248 Rolnummer: A. 157438/XIV-21127 Zaak: Arrest 156248 - - 13/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 13:22 Fiche Arrest nr 156.248 van 13 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.248 van 13 maart 2006 in de zaak A. 157.438/XIV-21.

  1. In zake : XXX wonende te 1200 SINT-LAMBRECHTS-WOLUWE, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 15 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. KUSTERS die, loco Advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; XIV-21.127-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van het “principe général de droit administratif de bonne administration” en uit de manifeste appreciatiefout, verzoekster het volgende aanvoert: “(...) La requérante n'a plus aucun contact avec son pays d'origine. Elle peut difficilement obtenir un quelconque document prouvant qu'elle est poursuivie par les autorités iraniennes, comme le soulève la Commission. L'Iran n'est pas régime démocratique, respectueux des droits de l'homme et encore moins des droits de la femme. Les maris y ont un pouvoir que l'on peut qualifier d'absolu sur leur épouse. Les autorités n'offrent d'ailleurs aucune sorte de protection aux femmes qui tenteraient de se soustraire à ce pouvoir car cela est contraire à la Chariaa, texte religieux sur lequel repose tout le droit iranien. Il existe dès lors en Iran un groupe social déterminé, le groupe social des femmes, dont les membres peuvent être soumis à des persécutions en raison de leur appartenance à ce groupe. La requérante fait partie de ce groupe social. Pour cette raison, elle a, à titre personnel, subi des persécutions qu'elle a exposées lors de ses auditions à ]'Office des Etrangers ainsi qu'au CGRA et dans la mesure requise devant la Commission. Par ailleurs, la requérante s'est trouvée mêlée à des événements à connotation politique, raison principale de sa fuite et de sa demande d'asile. Les menaces proférées par l'époux de la requérante dans le contexte tel que décrit ci- dessus ne peuvent être prises à la légère. En effet, d'une part, en raison du pouvoir - de vie et mort dont il dispose sur sa femme, il pourrait mettre ses menaces à exécution sans crainte vu sa place au sein des services secrets iraniens et, d'autre part, la requérante ne pourrait bénéficier de la protection des autorités de son pays puisque celles-ci, conformément aux préceptes de la Chariaa, donnent toujours raison aux maris. En outre, les faits politiques reprochés à la requérante excluent toute possibilité de procès équitable, l'Iran luttant par tous les moyens contre les «ennemis de l’Etat» (rapport HRW 2003). Il ressort de la décision de la Commission que celle-ci fait supporter toute la charge de la preuve quant à la réalité de ses persécutions à la requérante et que la situation du pays dont celle-ci est originaire n'a pas été prise en considération . Or, le Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié (HCR, Genève, 1979, n/42) rappelle que « les déclarations du demandeur ne peuvent être prises dans l'abstrait et elle doivent être considérées dans le contexte général d'une situation concrète. Si la Connaissance des conditions existant dans le pays d'origine du demandeur n'est pas un but en soi, elle est importante parce qu'elle permet d'apprécier la crédibilité des déclarations de l'intéressé. » La Commission aurait donc dû examiner les éléments de crainte exprimées par la requérante à la lumière de la situation politique et sociale de l'Iran, ce qui l'aurait plus que probablement conduit à douter du fait que les problèmes de la requérante ne sont pas simplement des « problèmes conjugaux » et que la crainte de persécution invoquée par la requérante était sérieuse. En conséquence, la décision de la Commission n'est pas motivée. En outre, la Commission lie démontre pas en quoi les déclarations de la requérante concernant l'épisode des étudiants « fichés » par son mari seraient contradictoires. En effet, le récit de la requérante n'a jamais varié sur ce point: reconnaissant des personnes XIV-21.127-2/4 sur les photos de la manifestation étudiante durement réprimée par le régime en place et qui étaient en possession de son mari, la requérante a prévenu les familles de ces jeunes gens. Les étudiants en question s'étaient déjà enfuis lorsqu'elle a donné l'alerte. Les déclarations de la requérante ne sont pas contradictoire puisqu'elle n'a jamais prétendu avoir aidé les étudiants à fuir ; son rôle s'est limité à les prévenir et il s'est avéré par la suite qu'ils étaient déjà au courant, ce qui ne peut en aucun cas minimiser l'intervention de la requérante. L'élément primordial n'est pas de savoir si la requérante a aidé ou non les étudiants à fuir mais la conviction de son époux qu'elle a contribué à cette fuite. En ne tenant pas compte de cet élément, la Commission a commis une erreur manifeste d'appréciation.”; 1.
  4. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, voor zover het cassatiemiddel is afgeleid uit de schending van “(le) principe général de droit administratif de bonne administration”, het niet opgaat, vermits beginselen van behoorlijk “bestuur”, zoals uit de benaming ervan alleen reeds blijkt, gericht zijn tot het “bestuur”; dat de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van de feitelijke elementen die de vreemdeling in zijn opeenvolgende verklaringen heeft aangebracht; dat hij slechts, wat de controle van de feiten betreft, zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen voor zover er sprake is van een foutieve kwalificatie van de feiten ten opzichte van de juridisch toepasselijke regels of van een miskenning van de bewijskracht van de aan de feitenrechter voorgelegde stukken, waaronder de verhoorversla- gen, of van de inhoud ervan door er een uitlegging aan te geven op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; dat in casu een dergelijke kritiek de bestreden beslissing niet kan worden ten laste gelegd; dat verzoekster er bovendien aan voorbijgaat dat haar de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd omdat geen geloof kan worden gehecht aan haar relaas; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat zij geen enkel begin van bewijs bijbrengt omtrent enige (actuele) vorm van vervolging, dat zij geen verklaring geeft voor de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden omtrent het incident met de foto’s en dat niet blijkt dat, ongeacht de vaststelling dat zij niet eens aantoont gehuwd te zijn, de voorgehouden problemen gerelateerd zijn aan één van de vluchtelingenrechtelijke vervolgingsgronden; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende met redenen is omkleed; dat zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, ook de kandidaat-vluchteling moet aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is; dat hij dan ook, in de mate van het mogelijke, geschreven bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat het daarbij uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid van de vreemdeling om stavingsstukken voor te leggen; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van verzoekster overigens niet eist dat zij de waarachtigheid van de door haar aangehaalde vervolging met stukken zou bewijzen, doch verlangt enkel van haar dat zij toch een begin van bewijs voorlegt met betrekking tot één of ander aspect van haar asielrelaas; dat, in tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft XIV-21.127-3/4 waarom haar verklaringen omtrent het incident met de foto’s tegenstrijdig zijn, met name omdat zij in haar beroepschrift de tegenstrijdigheden wijt aan vertaalproblemen doch “in gebrek blijft concrete aanwijzingen aan te brengen die zouden duiden op dergelijke problemen”, omdat “zij in de door haar na voorlezing in het Perzisch ondertekende verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken (...) stelde “Ik verwittigde die mensen zo rap mogelijk en zo slaagden ze erin te vluchten voor de veiligheidsdiensten bij hen waren”;”, en het feit waarop de tegenstrijdigheid, die “wezenlijk is”, betrekking heeft, “in het geheugen gegrift zou zijn zo het zich in werkelijkheid zou hebben voorgedaan”; dat het bovendien uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de vastgestelde tegenstrijdigheden wezenlijke elementen van het asielrelaas betreffen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.127-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.248 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.