← België

Arrest 156322 - - 14/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.322 Rolnummer: A. 126889/XIV-11739 Zaak: Arrest 156322 - - 14/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 13:25 Fiche Arrest nr 156.322 van 14 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.322 van 14 maart 2006 in de zaak A. 126.889/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningstraat 229 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 september 1976 en van Iraanse nationaliteit, op 4 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 mei 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 9 mei 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-11.739-1/7 Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 januari 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS die, loco Advocaat A. BAHRAMI, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché G. DE SNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 6 juni 2002 en verklaart zich vluchteling op 7 juni
  4. 1.
  5. Op 27 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 6 augustus 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: bedrieglijk. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Bandarabas. U verklaart naar België gekomen te zijn om te studeren. U kon niet studeren in Iran, omdat u in 1377 (Gregoriaanse kalender 1998) niet had kunnen deelnemen aan de eindexamens. Op 14/02/1377 (4 mei 1998) werd uw nieuwe jas gestolen toen u gebeden aan het opzeggen was. U ging dit aan de schooldirecteur, meneer Hayati melden, maar er kwam geen reactie. Tien à vijftien dagen later ging u naar het Ministerie van Onderwijs om dit gebrek aan actie aan te klagen. De schooldirecteur kreeg een vraag tot inlichtingen. Hij schreef terug naar het XIV-11.739-2/7 Ministerie van Onderwijs en beschuldigde u ervan tegen de islam te zijn. Twee à drie dagen later kreeg u van de schooldirecteur een brief dat u zich bij “Herassat” moest aanbieden. Vandaar werd u overgebracht naar “edareh amaken”, waar u twee dagen vastzat. U werd vrijgelaten nadat uw vader zich borg had gesteld. Na uw vrijlating kende u nog een probleem met een godsdienstleraar. Hij lachte u uit en maakte sarcastische opmerkingen. Toen u hiertegen protesteerde, stuurde hij u de klas uit en liet de schooldirecteur komen. Deze gaf u een klap op uw neus, waardoor uw neus gebroken was. Toen de eindexamens uitgeschreven werden, gaf de directeur uw naam niet op zodat u niet kon deelnemen. U wilde het volgende schooljaar van school veranderen, maar u kreeg de nodige documenten niet, zodat dit onmogelijk was. Later hoorde u dat uw schooldossier afgesloten was en geklasseerd was. Zo was het onmogelijk geworden om nog uw diploma te behalen. U schreef buitenlandse universiteiten aan om te kunnen studeren, maar aangezien u geen diploma had, was dit onmogelijk. Daarom besloot u naar België te komen en het op deze manier te proberen. U hebt Iran verlaten op 4 juni 2002 en reisde via Tsjechië. U kwam hier aan op 6 juni 2002 en vroeg hier de volgende dag asiel aan. U legt uw identiteitsboekje, de reden van verwijdering van de school, uw rijbewijs, een lidkaart van de fysieke training, schoolcertificaat, attesten van computeropleidingen, (en) een kopie van de eerste bladzijde van uw paspoort (neer). Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen heeft aangehaald die kunnen wijzen op een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Uw ingeroepen problemen (uitsluiting om deel te nemen aan de eindexamens, waardoor u niet verder kon studeren aan de universiteit) zijn immers van interpersoonlijke aard (tussen u en de schooldirectie) en wijzen er niet op dat u persoonlijk door de Iraanse autoriteiten zou geviseerd zijn. U zou één maal aangehouden zijn en reeds na twee dagen zonder verdere rechtsgevolgen vrijgelaten zijn. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat uw problemen dateren van 1377

(1998)en u pas op 4 juni 2002 uit Iran vertrokken bent. Het feit dat u nog een viertal jaar zonder noemenswaardige problemen in Iran kon verblijven wijst er niet op dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie hoefde te koesteren. Wat uw onmiddellijke vluchtaanleiding betreft, namelijk uw vertrek naar België om te studeren, dient te worden opgemerkt dat dit vluchtmotief niet kan worden gerelateerd aan één van de criteria van de Geneefse Conventie. Het feit dat u probleemloos met eigen paspoort uit Iran kon vertrekken, wijst bovendien niet op enige intentie vanwege de Iraanse autoriteiten om u in de zin van de Geneefse Conventie te viseren. Daarnaast zijn uw opeenvolgende verklaringen niet éénsluidend. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat uw jas op 14/12/1376 (5 februari 1998) gestolen werd (gehoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl u in dringend beroep (DB) verklaarde dat dit op 14/02/1377 (5 mei 1998) gebeurde (gehoorverslag CGVS, p. 7). U verklaarde in DB dat u nadat er door de directeur geen gevolg aan uw klacht gegeven werd naar het ministerie van onderwijs gegaan bent, dat vervolgens contact opnam met de schooldirecteur (gehoorverslag CGVS, p. 7-8). Voor DVZ hebt u echter geen melding gemaakt van deze tussenkomst van het ministerie van onderwijs. Bovenstaande discrepanties die de kern van uw afgelegde verklaringen raken ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. De documenten die u voorlegt, tonen weliswaar uw identiteit aan en tonen aan dat u van de school verwijderd werd, maar zijn niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie in positieve zin kunnen ombuigen. (...).”.
  1. Overwegende dat uit de brief van 17 januari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 19 maart 2004 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat verzoeker ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocate van verzoeker ter zitting meedeelt dat de dominus litis blijkbaar nog instructies heeft van verzoeker; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux; dat in casu blijkt dat verzoeker sedert 19 maart 2004 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker XIV-11.739-3/7 van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft en dat hij met zijn cliënt nog contact had vóór de zitting; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3.
  2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending uiteenzet van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van het recht op tegenspraak; dat de Commissaris-generaal bovendien een manifeste appreciatiefout heeft gemaakt; 3.
  3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet, als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat deze “kennelijke ongegrond” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op basis van volgende motieven: XIV-11.739-4/7 - er wordt opgemerkt dat verzoeker onvoldoende elementen heeft aangehaald die kunnen wijzen op een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie: - de ingeroepen problemen (uitsluiting om deel te nemen aan de eindexamens, waardoor hij niet verder kon studeren aan de universiteit) zijn immers van interpersoonlijke aard (tussen verzoeker en de schooldirectie) en wijzen er niet op dat hij persoonlijk door de Iraanse autoriteiten zou geviseerd zijn; - verzoeker zou éénmaal aangehouden zijn en reeds na twee dagen zonder verdere rechtsgevolgen vrijgelaten zijn; - de problemen van verzoeker dateren van 1377
(1998)en pas op 4 juni 2002 is verzoeker vertrokken uit Iran; het feit dat hij nog een viertal jaar zonder noemenswaardige problemen in Iran kon verblijven wijst er niet op dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie moet hebben; - wat verzoekers onmiddellijke vluchtaanleiding betreft, namelijk het vertrek naar België om te studeren, wordt opgemerkt dat dit vluchtmotief niet kan worden gerelateerd aan één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; bovendien wijst het feit dat verzoeker probleemloos met eigen paspoort uit Iran kon vertrekken, niet op enige intentie vanwege de Iraanse autoriteiten om hem in de zin van de Vluchtelingenconventie te viseren; Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de bedrieglijk- heid is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat zijn opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn: - voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat zijn jas op 14/12/1376 (5 februari 1998) gestolen werd, terwijl hij in dringend beroep verklaarde dat dit op 14/02/1377 (5 mei 1998) gebeurde; - op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker dat de directeur geen gevolg gaf aan zijn klacht, en dat hij daarom naar het ministerie van onderwijs ging, dat vervolgens contact opnam met de schooldirecteur; voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoeker echter geen melding gemaakt van deze tussenkomst van het ministerie van onderwijs; - de documenten die verzoeker voorlegt, tonen zijn identiteit aan en tonen aan dat hij van de school verwijderd werd, maar zijn niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie in positieve zin kunnen ombuigen; XIV-11.739-5/7 Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Vluchtelingenconventie geen systematische vervolging vereist en dat de feiten waarop hij zich beroept, niet worden betwist door de Commissaris-generaal en dat deze had moeten nagaan of de asielaanvraag van verzoeker niet kon vallen onder “andere criteria die de toekenning van asiel wettigen”, buiten de criteria van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de Commissaris-generaal op basis van afdoende, pertinente, deugdelijke en ter zake dienende motieven, die reeds werden weergegeven, tot de conclusie komt dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; dat de argumenten die verzoeker aanhaalt om aan te tonen dat deze motieven niet afdoende zijn, niet opgaan; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal een onderzoek heeft gevoerd naar de elementen die in de Belgische asielprocedure worden gebruikt om in de ontvankelijkheidsfase na te gaan of een aanvraag al dan niet kennelijk ongegrond is; dat de Commissaris-generaal tot de vaststelling is gekomen dat verzoekers problemen met de schooldirectie van interpersoonlijke aard zijn en dat niets wijst op een intentie van de Iraanse autoriteiten om verzoeker te vervolgen in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat bijgevolg op goede gronden werd vastgesteld dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de tegenstrijdigheden niet essentieel zijn en dat zijn coherent asielrelaas daardoor niet in het gedrang komt; dat de eventuele incoherenties niet aan verzoeker werden meegedeeld; Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat de Commissaris-generaal reeds een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf kan nemen op basis van het enkele feit dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat het bijgevolg overbodig is om de motieven die de ongeloofwaardigheid van de asielaanvraag ondersteunen, te onderzoeken; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien dit artikel bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden”, als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet toepasselijk is op verzoeker; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeen- stemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat geen manifeste beoordelingsfout werd gemaakt en dat het XIV-11.739-6/7 aangevoerde beginsel van het tegensprekelijk debat niet werd geschonden; dat het enig middel ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.739-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.