← België

Arrest 156325 - - 14/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.325 Rolnummer: A. 142336/XIV-16987 Zaak: Arrest 156325 - - 14/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 13:26 Fiche Arrest nr 156.325 van 14 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.325 van 14 maart 2006 in de zaak A. 142.336/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 september 1961 en van Oekraïense nationaliteit, op 3 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 juli 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 7 november 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 8 november 2005; XIV-16.987-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 januari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VANDERMEERSCH die, loco Advocaat B. BRIJS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 14 oktober 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  4. Op 24 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 13 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. Bij arrest nr. 156.324 van 14 maart 2006 uitgesproken door de XIVe kamer van de Raad van State werd het beroep tegen deze beslissing verworpen. 1.
  6. Op 13 juni 2003 dient verzoekster een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  7. Op 30 juli 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) XIV-16.987-2/8 Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Dat de betrokkene verklaart heel haar sociale en familiale leven in België te hebben, dat zij en haar kinderen zich hier op een voorbeeldige manier geïntegreerd en aangepast hebben, dat de betrokkene een cursus Nederlands en een cursus Engels gevolgd heeft, dat de kinderen deelnemen aan het verenigingsleven en dat het gezin geen probleem vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de Vreemdelingenwet in België verantwoorden. Dat betrokkenes dochter in behandeling is bij de orthodontist vormt evenmin een uitzonderlijke omstandigheid omdat dit een tijdelijk(e) terugkeer naar het land van herkomst niet verhindert. Wat de elementen met betrekking tot haar integratie betreft, deze kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform artikel 9, 2 van de wet van 15/12/1980 ingediend wordt. Dat de minderjarige kinderen van de betrokkene hier school lopen en goede resultaten behalen, verandert niets aan bovenstaande vaststelling. De betrokkene kan van de vakantie (periode juli & augustus) gebruik maken om tijdelijk naar haar land van herkomst terug te keren zonder dat de schoolloopbaan van de kinderen dient onderbroken te worden. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dd. 18

(13)/06/2003 en aan betrokkene betekend op 20/06/2003, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Verder kan de duur van de asielprocedure niet als onredelijk lang bestempeld worden. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat betrokkenes dossier niet naar analogie met de wet van 22/12/1999 kan behandeld worden, gezien haar aanvraag tot regularisatie niet ingediend werd “binnen een termijn van drie weken te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet”. (...).”. 2.
  1. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 9, alinea 3, van dezelfde wet; van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het niet opgaat om te verwijzen naar de schoolvakantie van de kinderen om vanuit het buitenland een visumaan- vraag in te dienen; dat de behandeling van een visumaanvraag immers zes maanden kan duren, zodat de schoolloopbaan van de kinderen wel onderbroken zou worden; dat dit motief niet pertinent is; Overwegende dat verzoekster vervolgt dat haar asielprocedure wel van lange duur was en als uitzonderlijke omstandigheid moet worden in acht genomen om de aanvraag in België in te dienen; dat verzoekster behoort tot de groep mensen van wie de asielprocedure meer dan drie jaar duurt en dat zij hier een gezin heeft met schoolgaande kinderen; dat verzoekster erkent dat dit gegeven niet voortvloeit uit de wet maar dat de verwerende partij dit als een algemeen principe heeft erkend; dat verzoekster besluit dat zij niet heeft gevraagd om toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het XIV-16.987-3/8 grondgebied van het Rijk, maar dat zij aanvoert dat het criterium vervat in deze wet (dat volgens verzoekster door de verwerende partij als algemeen principe wordt aanvaard) naar analogie kan worden toegepast; 2.
  2. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aang- evraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : XIV-16.987-4/8 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er redenen zijn om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om verzoekster een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandighe- den die verzoekster heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; Overwegende dat de gemachtigde van de Minister de aanvraag onontvankelijk heeft verklaard om volgende redenen: - dat verzoekster haar sociale en familiale leven in België heeft, dat zij en haar kinderen zich hier geïntegreerd en aangepast hebben, dat zij een cursus Nederlands en een cursus Engels gevolgd heeft, dat de kinderen deelnemen aan het verenigingsleven en dat het gezin geen probleem vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden waardoor de aanvraag in België zou kunnen worden ingediend; - dat verzoeksters dochter in behandeling is bij de orthodontist, vormt evenmin een uitzonderlijke omstandigheid omdat dit een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst niet verhindert; - dat de minderjarige kinderen hier school lopen en goede resultaten behalen, verandert niets aan bovenstaande vaststelling; verzoekster kan van de vakantie (periode juli & augustus) gebruik maken om tijdelijk naar haar land van herkomst terug te keren zonder dat de schoolloopbaan van de kinderen dient onderbroken te worden; - de problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag, en kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de Vreemdelingenwet in België in te dienen; - de duur van de asielprocedure kan niet als onredelijk lang bestempeld worden; - verzoeksters dossier kan niet naar analogie met de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op XIV-16.987-5/8 het grondgebied van het Rijk behandeld worden, gezien haar aanvraag tot regularisatie niet ingediend werd in het kader van deze wet; Overwegende dat verzoekster in het middel drie van deze motieven aanvecht, met name het naar school gaan van de kinderen, de duur van de asielprocedure, en de eventuele analogie met de criteria vermeld in de regularisatiewet; Overwegende dat de Raad van State enkel gehouden is om de wettigheid van de bestreden beslissing te onderzoeken en geen beslissing kan nemen over de grond van de zaak; dat de Raad er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat betreffende het hier naar school gaan van de kinderen, de bestreden beslissing verwijst naar de periode van de schoolvakantie om op dat moment vanuit het buitenland de aanvraag in te dienen; dat de mogelijkheid dat de afhandeling van de aanvraag verschillende maanden tijd vergt, niet automatisch meebrengt dat de kinderen een schooljaar verliezen; dat de Raad van State reeds vroeger heeft geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de gemachtigde van de Minister beslist dat de aanwezigheid van schoolgaande kinderen geen buitengewone omstandigheid uitmaakt (R.v.St., nr. 108.862, 4 juli 2002; R.v.St., nr. 105.633, 18 april 2002); Overwegende dat betreffende de duur van de asielprocedure de bestreden beslissing overweegt dat deze niet onredelijk lang was; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat verzoekster zich vluchteling heeft verklaard op 14 oktober 1999, en dat de asielprocedure werd afgesloten met een bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 juni 2003; dat het een vaststaand gegeven is dat de Belgische asielinstanties in deze periode te maken kregen met een enorme toename van asieldossiers, waardoor de afhandelingsperiode van de dossiers meer tijd in beslag nam; dat rekening houdend met dit gegeven, het geen gebrek in de motivering uitmaakt dat de verwerende partij de duur van de asielaanvraag niet als buitengewone omstandigheid heeft erkend; dat de verwijzing van verzoekster naar verklaringen van de Minister van Binnenlandse Zaken afgelegd in de pers, hieraan geen afbreuk doet; dat elke aanvraag om machtiging tot verblijf immers individueel wordt behandeld, en dat verklaring- en in de pers niet kunnen worden beschouwd als een “rechtsbron” waaruit algemene rechtsbeginselen voortvloeien; dat geen algemeen rechtsbeginsel werd geschonden; Overwegende dat verzoekster erkent dat haar aanvraag niet werd ingediend in het kader van de Regularisatiewet; dat zij zich bijgevolg niet kan beroepen op de criteria van deze wet; XIV-16.987-6/8 Overwegende dat het enig middel ongegrond is;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.987-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.987-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.