← België

Arrest 156331 - - 14/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.331 Rolnummer: A. 163459/XIV-22822 Zaak: Arrest 156331 - - 14/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 13:28 Fiche Arrest nr 156.331 van 14 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.331 van 14 maart 2006 in de zaak A. 163.459/XIV-22.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaten M. MOREAU en K. HUYS, kantoor houdende te 8370 BLANKENBERGE, Mgr. Waffelaertlaan 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 20 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 mei 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.822-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MOREAU, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 15 april 2004 naar de door appellant op 20 maart 2002 aangeduide gekozen woonplaats, Av. des Hospices 170 te 1180 Brussel en dat het beroep werd ingediend op 29 april 2004; dat luidens artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980, een beroep moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; dat de kennisgeving geschiedt op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres (Cass., 16 september 1991, R.W., 1991-92, 885-886; R.v.St., Josse, nr. 23.342, 8 juni 1983; R.v.St., Van Cayzeele, nr. 14.949, 14 oktober 1971; R.v.St., Munir, nr. 60.532, 27 juni 1996; Arbh. Gent, 22 januari 1974, R.W., 1974-75, 677-679); dat behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen dat de op 15 april 2004 verstuurde bestreden beslissing werd aangeboden op 16 april 2004; dat de laatste dag van de beroepstermijn (dies ad quem) maandag 3 mei 2004 is; Dat luidens artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat deze bepaling zowel geldt voor verzoekschriften ingediend tegen een ten gronde gemotiveerde beslissing van de Commissaris-generaal als tegen een beslissing gemotiveerd bij artikel 57/10 van de wet van 15 december 1980, Overwegende dat appellant in zijn beroepsverzoekschrift stelt: “Een uiteenzetting van de feiten en middelen zal hij via zijn advocaat laten toekomen zo vlug als mogelijk.”; dat appellant er in zijn verzoekschrift en ter zitting aan toevoegt dat door het sinds september 2002 niet meer woonachtig te zijn op voormelde gekozen woonplaats hij pas op 29 april 2004 de beslissing van de Commissaris-generaal kon afhalen op De Post te Brussel en dat gezien de nog korte resterende beroepstermijn niet tijdig een tolk kon worden gecontacteerd om enige communicatie met zijn advocaat mogelijk te maken waardoor het onmogelijk werd de feiten en middelen in het verzoekschrift uiteen te zetten; dat appellant ter zitting toegeeft pas op 6 mei 2004 zijn nieuwe gekozen woonplaats in Blankenberge, waar hij reeds sedert september 2002 verblijft, aan de Commissaris-generaal te hebben medegedeeld; Overwegende dat de Commissie oordeelt dat appellant door zijn niet-diligente houding of door zijn gekozen woonplaats te handhaven op een andere locatie dan deze van zijn verblijfsadres persoonlijk de facto zijn beroepstermijn beperkte wat niet als een situatie van overmacht kan worden aangezien; dat derhalve het niet meer tijdig kunnen contacteren van een tolk teneinde een communicatie met zijn advocaat mogelijk te maken niet als verschoningsgrond kan worden aanvaard; dat daarenboven zoals appellant ter zitting betoogt zijn gekozen woonplaats op het adres Av. des Hospices 170 te 1180 Brussel op het ogenblik van de betekening van de beslissing van de Commissaris-generaal als gekozen woonplaats perfect functioneerde vermits zijn vorige XIV-22.822-2/5 huisbaas hem telefonisch in kennis stelde dat hij een aangetekend schrijven diende af te halen op De Post te Brussel; Overwegende dat appellant ter zitting verwijst naar zijn schrijven van 5 mei 2004 waarin hij vooralsnog een uiteenzetting van de feiten en middelen doet; Overwegende dat de Commissie vooreerst vaststelt dat voormeld schrijven buiten de beroepstermijn van vijftien dagen werd ingediend en derhalve niet meer kan worden toegerekend op het verzoekschrift; dat daarenboven deze brief werd gesteld in de Engelse taal; dat in toepassing van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993, houdende de regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, de Commissie dit document niet in overweging neemt daar het werd opgesteld in een andere taal dan deze van de rechtspleging en niet is vergezeld van een voor eensluidend verklaarde vertaling; Overwegende dat appellant ter zitting een dergelijke vertaling van de brief van 5 mei 2004 neerlegt doch ook deze zich situeert buiten de wettelijke beroepstermijn van vijftien dagen; Overwegende dat de uiteenzetting van de feiten en middelen weliswaar summier mag zijn, maar dat de loutere stereotiepe bewering "bij deze beroep aan te tekenen" niet als de bedoelde uiteenzetting kan worden beschouwd; dat het verzoekschrift derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet,”; 1.
  4. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert dat hij wel degelijk in het verzoekschrift bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen melding maakte dat hij door de verandering van woonplaats geen kennis had gekregen van de brief van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 maart 2004 waardoor hij dan ook niet kon voldoen aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping erin vervat, dat dit op zich een uiteenzetting vormt van feiten en middelen tegen de bestreden beslissing, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich heeft verkeken op de aankondiging van verzoeker dat zijn raadsman later nog een uiteenzetting zou geven van de feiten en middelen (en dit later ook deed) doch deze uiteenzetting niet als middel moest worden aanzien nu de uiteenzetting van de feiten die inderdaad achteraf naar voren werd gebracht uiteindelijk geen grond vormden tot betwisting van de beslissing waarbij verzoeker de hoedanigheid van vluchteling werd geweigerd, dat deze beslissing immers geen oordeel uitsprak over de feiten of over de omstandigheden waarin verzoeker meent te verkeren en dat integendeel de hoedanigheid van vluchteling werd geweigerd om louter formele redenen, namelijk het niet voldoen aan de vraag om inlichtingen of het niet voldoen aan de oproeping, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook enkel had moeten onderzoeken in hoeverre het veranderen van woonst, waardoor verzoeker de brief van 5 maart 2004 niet had gekregen, een voldoende en gegronde reden was om de beslissing van 13 april 2004 aan te vechten, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen daarentegen heeft geoordeeld dat het veranderen van woonplaats, zonder dit te melden aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet als overmacht mocht worden aanzien om zijn middelen en grieven buiten de beroepstermijn van vijftien dagen te kennen te geven, dat een dergelijke uitspraak evenwel echter niets zegt of de verandering van woonplaats wel of niet een gegronde reden was om de beslissing van 13 april 2004 aan te vechten, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen derhalve dan ook geen uitspraak heeft gedaan nopens het middel opgeworpen in het verzoekschrift tot hoger beroep, namelijk verandering van de XIV-22.822-3/5 woonplaats waardoor de brief van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker onbekend was en derhalve niet kon worden beslist dat hem de hoedanigheid van vluchteling werd geweigerd, dat met betrekking tot de verandering van de gekozen woonplaats door verzoeker en niet- mededeling hiervan aan het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er bovendien op wijst dat hij door de Dienst Vreemdelingenzaken verplicht werd om naar Blankenberge te verhuizen, dat verzoeker er dan ook mocht van uitgaan dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hiervan op de hoogte was gebracht door de Dienst Vreemdelingenzaken, dat bovendien wegens de verstrekkende gevolgen die aan een woonstkeuze verbonden zijn moet worden nagegaan in hoeverre deze woonstkeuze ondubbelzinnig aan verzoeker kan worden toegerekend, dat dit niet vanzelfsprekend is nu verzoeker bij binnenkomst in België geen Nederlands of Frans sprak en dat zijn verklaring van woonstkeuze dan ook door iemand anders kan worden ingevuld; 1.
  5. Overwegende dat het verzoekschrift van 29 april 2004 vermeldt dat een uiteenzetting van feiten en middelen “eerstdaags” zal worden ingediend; dat dit schrijven voorts enkel een verwijzing bevatte naar het feit dat verzoeker verhuisd was en derhalve pas later van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op de hoogte was, zodat hij nog op een later tijdstip een uiteenzetting van feiten en middelen zou indienen; dat uit dit schrijven bezwaarlijk een grief of een middel ten aanzien van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan worden gedistilleerd; dat verzoeker nergens in zijn verzoekschrift aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen stelde dat hij wel op rechtsgeldige wijze een woonplaatswijziging had doorgegeven noch aanvoert dat er rekening diende te worden gehouden met overmacht; dat verzoeker eerst voor de Raad van State overmacht aanvoert ten aanzien van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het de Raad van State, optredend als administratief cassatierechter niet toekomt zich uit te spreken over de onderliggende feiten; dat op 5 mei 2004, buiten de beroepstermijn, een uiteenzetting in het Engels werd ingediend, zonder begeleidende vertaling en dat pas op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 23 mei 2004 hiervan een vertaling werd neergelegd; 1.
  6. Overwegende dat het beroep slechts voldoet aan artikel 4, eerste lid, 5/, van het voormelde koninklijk besluit van 19 mei 1993 wanneer uit een gewone lezing van de beroepsakte blijkt dat minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt aangevoerd; dat het alleszins niet volstaat te vermelden dat de motieven van het beroep later zullen meegedeeld worden; dat uit voorgaande bespreking blijkt dat het beroepschrift niet voldoet aan de verplichting aan te geven welke grieven tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen worden aangevoerd, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht tot de onontvankelijkheid van het beroep heeft besloten; dat het enig middel niet gegrond is, XIV-22.822-4/5
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.822-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.