← België

Arrest 156367 - - 14/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.367 Rolnummer: A. 139476/XIV-16045 Zaak: Arrest 156367 - - 14/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 13:39 Fiche Arrest nr 156.367 van 14 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.367 van 14 maart 2006 in de zaak A. 139.476/XIV-16.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat D. DE KEUSTER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 22 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 april 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 13 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.045-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat D. DE KEUSTER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Joegoslavische nationaliteit, komt op 30 maart 2000 België binnen en vraagt op 31 maart 2000 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 28 januari 2003 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 7 februari 2003 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 19 maart 2003 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, dat “geen feiten en middelen bevat” en “dat om deze redenen (...) onontvankelijk voorkomt”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
  7. Op de zitting van 22 april 2003 wordt verzoeker gehoord. 1.
  8. Op 22 april 2003 neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij verzoekers beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat luidens artikel 4, eerste lid, 5/, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten; dat uit de gewone lezing van het beroepsverzoekschrift minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen XIV-16.045-2/9 de beslissing van de Commissaris-generaal moet blijken (R.v.St., 27 april 1999, nr. 79.925, S.G./Belgische Staat); dat dit in casu niet het geval is; dat het voorliggend verzoekschrift geen uiteenzetting van feiten vermeldt; Dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitvoerig gemotiveerd is en respectievelijk vier en twee bladzijden motivering bevat; dat appellant er zich toe beperkt te stellen dat de bestreden beslissing op basis van gegevens werd gemotiveerd die op café werden bekomen, onvoldoende rekening hield met het verhaal van appellant en te algemeen is zonder grondig onderzoek; dat moet vastgesteld worden dat appellant nergens enige duidelijke en voldoende nauwkeurige grief formuleert; dat dit algemene opmerkingen zijn die tegen elke beslissing kunnen geformuleerd worden; dat dit geenszins voldoende nauwkeurig is om te kunnen uitmaken wat appellant precies verwijt aan de motivering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat appellant ter zitting verwijst naar zijn raadsman die het verzoekschrift heeft opgesteld; dat ter zitting geen aanvullende informatie wordt gegeven die toelaat de grieven als voldoende nauwkeurig en duidelijk te bestempelen; Dat het voorliggend verzoekschrift bijgevolg dergelijke uiteenzetting niet bevat en derhalve niet aan de voormelde substantiële vormvereisten voldoet; Dat, indien dit substantieel voorschrift wordt miskend, het beroep als onontvankelijk moet worden afgewezen (R.v.St.,23 april 1992, Vliegen, nr. 39.223), OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep onontvankelijk.”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel dat de openbare orde raakt. (onder voorbehoud van nazicht van het administratief dossier) Geschonden wetsbepalingen Artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Artikel 149 van de Grondwet en 57/22 van de wet van 15 december 1980 Schending van artikel 860 Ger.W. Aangevochten beslissing De Vaste Beroepscommissie heeft in haar beslissing van 22 april 2003 het beroep van verzoeker onontvankelijk verklaard omdat verzoeker in zijn verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten vermeldt. De uiteenzetting van de feiten is een substantieel vormvoorschrift. Bij miskenning van dit substantieel vormvoorschrift werd het beroep als onontvankelijk verworpen. Grieven Eerste Onderdeel Een uiteenzetting over de feiten is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid door artikel 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei
  11. Tweede Onderdeel De bestreden beslissing stelt ten onrechte dat het verzoekschrift geen uiteenzetting over de feiten betreft en dat uit het verzoekschrift geen grief zou kunnen worden afgeleid. Derde Onderdeel De beslissing werd vermoedelijk niet in openbare zitting uitgesproken op 23 juni
  12. Toelichting Eerste Onderdeel
  13. Het beroep bij de Vaste Beroepscommissie moet worden gekwalificeerd als een jurisdictioneel beroep. De Vaste Beroepscommissie is een administratief rechtscollege (Parl. St., Senaat 1992-93, nr. 555-1, 11, 46-47; S. DE TAEYE, Procedures voor de Raad van State, Mechelen, Kluwer, 2003, 240). Het jurisdictioneel beroep kan worden omschreven als een beroep dat wordt ingesteld bij een rechtscollege van de rechterlijke orde, bij een administratief rechtscollege van de rechterlijke orde of bij een buitengerechtelijke rechtscollege of zelfs een orgaan van actief bestuur dat rechtsprekende bevoegdheid uitoefent, en dat leidt tot een beslissing XIV-16.045-3/9 met een specifieke draagwijdte welke, steunend op een rechtsregel en bekleed met gezag van gewijsde, een einde maakt aan het geschil. In tegenstelling tot wat geldt voor de beslissingen van de administratieve beroepsorganen, welke administratieve rechtshandelingen zijn, mondt een juridisctioneel beroep uit in een rechtsprekende rechtshandeling (J. DUJARDIN e.a., Overzicht van het Belgisch Administratief recht, Kluwer, Antwerpen, 1999, nr. 716). Overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zullen de bepalingen van dit wetboek van toepassing zijn op de procedure voor de Vaste Beroepscommissie.
  14. Artikel 4 eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 schrijft de uiteenzetting van de feiten niet voor op straffe van nietigheid. De Vaste Beroepscommissie is als administratief rechtscollege gebonden aan de wet. Zij kan de draagwijdte van de wet niet uitbreiden. Artikel 860 Ger.W. bepaalt bovendien dat geen proceshandeling kan worden nietig verklaard indien de wet dit niet uitdrukkelijk heeft bevolen. Op grond van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek is dit artikel ook van toepassing op de Vaste Beroepscommissie.
  15. Er bestaat ook geen enkele reden om tot de onontvankelijkheid van de vordering te beslissen wegens een gebrek aan uiteenzetting over de feiten. De procedure voor de Vaste Beroepscommissie is in principe mondeling (zie F. FRANCEUS, "Een vooruitblik op de rol van de Raad van State bij cassatiecontentieux ten aanzien van asielbeslissingen", T.B.P. 2002, 537 met verwijzing naar een arrest van Uw Raad nr. 69.834 van 26 november 1997). Daarenboven beschikt de Vaste Beroepscommissie over het dossier en kan derhalve zelf kennis nemen van de feiten. De uiteenzetting van de feiten in het verzoekschrift is dan ook niet noodzakelijk om de Vaste Beroepscommissie in staat te stellen kennis te nemen van de feiten. Zelfs indien de uiteenzetting van de feiten op straffe van nietigheid zou zijn voorgeschreven, quod non, dan had de afwezigheid van deze uiteenzetting evenmin geleid tot de onontvankelijkheid op grond van artikel 867 Ger.W.
  16. Uw Raad oordeelde reeds dat de vermeldingen opgenomen in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven (R.v.St. nr. 65.672 van 26 maart 1997). Tweede Onderdeel
  17. De bestreden beslissing stelt ten onrechte dat er geen feitelijke elementen zouden zijn opgenomen in het verzoekschrift. Er werd ondermeer verwezen naar het feit dat de asielaanvraag van de verzoekende partij ontvankelijk werd verklaard en naar de algemene wijze waarop de Commissaris-generaal de asielaanvraag ongegrond heeft verklaard. De inhoud van de grief is duidelijk, namelijk een motiveringsgebrek. Het verzoekschrift verwijst expliciet naar de motieven van de Commissaris-generaal en bekritiseert deze motieven als zijnde te algemeen. In het verzoekschrift werd er tevens verwezen naar het feit dat de Commissaris-generaal een onvoldoende onderzoek ten gronde had doorgevoerd. De bestreden beslissing antwoordt niet op deze kritiek en zoekt een "uitweg" in de vermeende onontvankelijkheid van het beroep.
  18. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 149 Grondwet. Derde Onderdeel
  19. Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet moet deze beslissing in een openbare zitting zijn uitgesproken. De openbare zitting waarin de verzoekende partij werd gehoord, vond plaats op 23 juni
  20. De uitspraak dateert echter van dezelfde datum. Het is ten zeerste onwaarschijnlijk dat de beslissing nog dezelfde dag openbaar zou zijn uitgesproken. Het Auditoraat wordt uitgenodigd dit nader te onderzoeken.”; 2.
  21. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Aangezien verzoeker als enig middel opwerpt: XIV-16.045-4/9 ! "Artikel 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Artikel 4, 5/ van het KB van 19.05.1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalt dat het verzoekschrift ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat bevat: "5/ een uiteenzetting van de feiten en de middelen." Na lezing van het verzoekschrift van verzoeker van 06.02.2003 bij de Vaste Beroepscommissie dient vastgesteld te worden dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen uiteenzetting der feiten geeft, noch middelen aanbrengt tegen de beslissing van de Commissaris-generaal. Verzoeker beperkt zich tot verwijten aan het adres van verwerende partij. Meer bepaald beperkt verzoeker er zich toe te stellen dat de bestreden beslissing op basis van gegevens werd gemotiveerd die op café werden bekomen en onvoldoende rekening hield met het verhaal van verzoeker en te algemeen is zonder grondig onderzoek. Een verzoekschrift ingediend bij de Vaste Beroepscommissie tegen een beslissing van de Commissaris-generaal dient het verzoekschrift minstens een uiteenzetting der feiten en nog veel belangrijker de middelen te bevatten waarop men zich beroept ter vernietiging van de beslissing van de Commissaris-generaal. De voorwaarde van een uiteenzetting van de feiten en een omschrijving van de ingeroepen middelen zijn substantiële vormvereisten en betreffen ontegensprekelijk de onontvankelijkheid van het ingediende verzoekschrift. Het komt niet aan verwerende partij toe om te onderzoeken op welke gronden verzoeker de bestreden beslissing zou kunnen bestrijden, het is integendeel aan verzoeker om deze gronden op te nemen door voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven grieven in haar verzoekschrift. Ook de rechtspraak van de Raad van State is in die zin eenduidig en stelt dat er uit de gewone lezing van het verzoekschrift minstens één duidelijke grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal moet blijken (R.v.St., 27 april 1999, nr. 79.925, S.G./Belgische Staat) hetgeen in casu niet het geval is. Zelfs ter zitting slaagde verzoeker er niet in een aanvullende informatie te geven die toelaat de grieven als voldoende nauwkeurig en duidelijk te bestempelen. Er werd dan ook terecht besloten dat een verzoekschrift waaruit bij een gewone lezing niet ten minste één duidelijk omschreven grief blijkt, als onontvankelijk moet worden afgewezen bij gebrek aan het vermelden van enige rechtsgrond waarop men zich beroept ten einde de bestreden beslissing aan te vechten. Het feit dat het verzoekschrift daarnaast ook geen uiteenzetting de feiten omvat geeft nogmaals blijk van verzoekers onzorgvuldigheid, nonchalance en gebrek aan respect ten aanzien van verwerende partij. Uit voorgaande volgt dat verzoekers verzoekschrift terecht als onontvankelijk werd afgewezen en dat verzoeker verkeerdelijk de mening is toegedaan dat het verzoekschrift op deze gronden werd nietig werd verklaard door verwerende partij. Verzoekers eerste onderdeel van zijn enige middel mist elke grondslag en kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing. ! 9 Artikel 149 van de Grondwet Verzoeker beroept zich in zijn enig middel op de vermeende schending van artikel 149 van de Grondwet. Artikel 149 van de grondwet stelt: "Elk vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken." De verwijzing naar dit Grondwetsartikel komt overbodig voor, gelet op het bestaan van art. 57/22 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarin wordt bepaald dat "de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie met redenen worden omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak" en waarvan verzoeker eveneens de schending opwerpt. Waar verzoeker zich beroept op het "vermoedelijk" niet in openbare zitting uitgesproken zijn van de bestreden beslissing, stelt verwerende partij dat de bestreden beslissing uitgesproken werd op het einde van de openbare zitting. Dit onderdeel van verzoekers enig middel is ter zake niet dienstig met betrekking tot de motivering van de bestreden beslissing en kan met betrekking tot het openbaar XIV-16.045-5/9 karakter van de uitspraak niet aangenomen worden ter nietigverklaring van de bestreden beslissing. ! Artikel 57/22 van de wet van 15 december
  22. In zijn enig middel beroept verzoeker zich tevens op de vermeende schending van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Betreffende de vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij gelden dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd en is er geen sprake van een schending van het art. 57/22, temeer daar art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. AR P. 94.0068.F, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass.
  23. 1979, Arr. Cass. 1978-79, 522). De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat het door verzoeker ingediende verzoekschrift als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Zo wordt in de in casu bestreden beslissing onder meer verwezen naar het gegeven dat: - luidens artikel 4, eerste lid, 5/ van het KB van 16.05.1993 het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten; - er uit de gewone lezing van het verzoekschrift minstens één duidelijke grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal moet blijken (R.v.St., 27 april 1999, nr. 79.925, S.G./Belgische Staat) en dat dit niet het geval is; - het verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten vermeldt; - verzoeker er zich toe beperkt te stellen dat de bestreden beslissing op basis van gegevens werd gemotiveerd die op café werden bekomen, onvoldoende rekening hield met het verhaal van verzoeker en te algemeen is zonder grondig onderzoek; - de bestreden beslissing uitvoerig gemotiveerd is en respectievelijk vier en twee bladzijden bevat; - er ter zitting geen aanvullende informatie wordt gegeven die toelaat de grieven als voldoende nauwkeurig en duidelijk te bestempelen; - het verzoekschrift niet aan de voormelde substantiële vormvereisten voldoet en het beroep als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat ook dit onderdeel van verzoekers enig middel niet kan worden aangenomen ter nietigverklaring van de bestreden beslissing. ! Schending van Artikel 860 Ger. W. In zijn middel beroept verzoeker zich tevens opeen schending van artikel 860 Ger.W. Artikel 860 Ger. W. luidt als volgt: "Wat de verzuimde of onregelmatige vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen." Verzoeker is totaal verkeerd wanneer hij stelt dat het verzoekschrift door verwerende partij nietig werd verklaard omwille van het niet voldoen aan de substantiële vormvereisten voorgeschreven in artikel 4, 5/ van het KB van 19.05.1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald omwille van een gebrek aan een uiteenzetting der feiten en middelen. Het verzoekschrift werd echter wel onontvankelijk verklaard omwille van het niet voldoen aan de substantiële vormvereiste van een uiteenzetting der feiten en middelen. Dit onderdeel van verzoekers enige middel faalt in rechte.”; 2.
  24. Overwegende dat verzoeker repliceert: XIV-16.045-6/9 “
  25. De verwerende partij stelt dat er zowel geen middel als geen uiteenzetting van de feiten werden aangevoerd tegen de bestreden beslissing. Verwerende partij kan echter geenszins ontkennen dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen, de uiteenzetting over de feiten en de middelen niet op straffe van onontvankelijkheid of nietigheid oplegt. Dit geldt des te meer omdat artikel 860 Ger.W. hier moet worden toegepast omwille van het jurisdictioneel karakter van het beroep. Het is voor de verzoekende partij een raadsel hoe de verwerende partij kan beweren dat het verzoekschrift niet zou zijn onontvankelijk verklaard op grond van artikel 4, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993, doch wel op grond van het niet voldoen aan substantiële vormvereisten (zie pagina 7 van de memorie van antwoord). Het is immers een algemeen rechtsbeginsel dat er geen nietigheid of onontvankelijkheid kan worden ingeroepen zonder uitdrukkelijk wetsbepaling ("pas de nullité sans texte"). Daarenboven verwijst de bestreden beslissing uitdrukkelijk naar artikel 4, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei
  26. Het verweer kan dan ook geenszins weerleggen dat er onvoldoende wettelijke basis is om het verzoekschrift onontvankelijk te verklaren omdat in het verzoekschrift geen feiten of middelen zouden zijn vermeld.
  27. Artikel 149 van de Grondwet is van toepassing op de Vaste Beroepscommissie en behoort onmiskenbaar tot de openbare orde. De opmerking van de verwerende partij dat de beslissing zou zijn uitgesproken tijdens de zitting is ongeloofwaardig. De verzoekende partij nodigt het Auditoraat uit dit aspect nader te onderzoeken.”; 2.4.
  28. Overwegende dat artikel 860, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is; 2.4.
  29. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing het beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om verzoeker als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard om de dubbele reden dat het beroepschrift overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uiteenzetting van feiten vermeldt, enerzijds, en de algemene opmerkingen in dit beroepschrift onvoldoende nauwkeurig zijn om te kunnen uitmaken wat appellant precies verwijt aan de motivering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, anderzijds; dat artikel 57/24 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, de Koning machtigt om de rechtspleging voor en de werking van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te bepalen; dat artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalt: “Het verzoekschrift ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat bevat: (...) 5/ een uiteenzetting van de feiten en middelen”; dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is; dat de niet- naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat deze niet-ontvankelijkheid het rechtscollege desnoods ambtshalve moet vaststellen, daar de XIV-16.045-7/9 ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt; dat de rechter zijn bevoegdheid te buiten zou gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen; dat het beroep slechts aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 voldoet wanneer -zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing terecht opmerkt- “uit de gewone lezing van het beroepsverzoekschrift minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal (blijkt)”; dat in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft waarom de in het beroepschrift aangehaalde argumenten “dat de bestreden beslissing op basis van gegevens werd gemotiveerd die op café werden bekomen, onvoldoende rekening hield met het verhaal van appellant en te algemeen is zonder grondig onderzoek” niet aan het vereiste van voormeld artikel 4, eerste lid, 5/, voldoen, waar zij erop wijst “dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitvoerig gemotiveerd is”, “dat appellant nergens enige duidelijke en voldoende nauwkeurige grief formuleert” doch “algemene opmerkingen (...) die tegen elke beslissing kunnen geformuleerd worden”, terwijl “dit geenszins voldoende nauwkeurig is om te kunnen uitmaken wat appellant precies verwijt aan de motivering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen” en “ter zitting geen aanvullende informatie wordt gegeven die toelaat de grieven als voldoende nauwkeurig en duidelijk te bestempelen”; dat, aangezien het beroepschrift aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet voldoet aan de verplichting aan te geven wat men de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen precies verwijt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht tot de onontvankelijkheid van het beroep heeft besloten; 2.4.
  30. Overwegende dat, voor zover verzoeker aanvoert dat het “ten zeerste onwaarschijnlijk” is dat de beslissing nog op dezelfde dag als de zitting, met name op 23 juni 2003, openbaar werd uitgesproken, het middel feitelijke grondslag mist, vermits uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de openbare zitting plaatsvond op 22 april 2003; 2.4.
  31. Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, XIV-16.045-8/9 BESLUIT: Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.045-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.367 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.