id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.429 Rolnummer: A. 71950/XII-2430 Zaak: Arrest 156429 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 13:47 Fiche Arrest nr 156.429 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.429 van 16 maart 2006 in de zaak A. 71.950/XII-
- In zake : Gabriëlle POESEN, wonende te Bilzen, Holt 81 tegen : de PROVINCIE LIMBURG. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriëlle Poesen op 6 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Bestendige Deputatie dd 5/9/1996 waarbij beslist werd dat de evaluatie ‘ongunstig’ zoals vastgesteld door de evaluatoren op 27/6/1996 behouden blijft”; Gelet op het arrest nr. 64.566 van 18 februari 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2430-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is tewerkgesteld bij de provincie Limburg in de graad van medewerker. Zij is ingeschakeld in de schaal C
- 1.
- Op 20 december 1995 stelt de provincieraad van Limburg een nieuw administratief statuut voor het provinciepersoneel vast dat onder meer een functionele loopbaan en een evaluatiesysteem invoert. Met ingang van 5 februari 1996 worden de diensten van het provinciebestuur grondig gereorganiseerd. Verzoekster wordt tewerkgesteld in de dienst huisvesting waar zij met taken wordt belast, die nieuw zijn voor haar. XII-2430-2/17 1.
- Op 11 april 1996 vindt een eerste functioneringsgesprek plaats waarna verzoekster op 27 juni 1996 wordt geëvalueerd in haar nieuwe functie. Zij scoort ongunstig op drie van de vijf essentiële criteria en op negen van de vijftien niet-essentiële criteria. Globaal luidt de eindevaluatie: “Ongunstig voor de functionele loopbaan”. 1.
- Bij brief van 9 juli 1996 tekent verzoekster tegen de evaluatie beroep aan bij de bestendige deputatie. Verzoekster en haar raadsman dienen respectievelijk op 29 en 27 augustus 1996 een verweerschrift in. Op 29 augustus 1996 wordt zij, bijgestaan door haar raadsman, gehoord door de bestendige deputatie. 1.
- Met de bestreden beslissing van 5 september 1996 beslist de bestendige deputatie dat de evaluatie ‘ongunstig’ zoals uitgebracht door de evaluatoren behouden blijft. De beslissing luidt als volgt : “Gelet op het administratief statuut van het provinciepersoneel zoals vastgesteld door de provincieraad op 20 december 1995; Gelet op het beroep van mevrouw G. Poesen ingesteld bij brief van 9 juli 1996 tegen de evaluatie ‘ongunstig’ op 27 juni 1996; Overwegende dat deze evaluatie ‘ongunstig’ gevolg was van de vermeldingen ‘ongunstig’ op volgende beoordelingscriteria : - vakkennis - werkbereidheid - kwantiteit van het werk - houding t.o.v. collega’s - houding t.a.v. de leiding - houding t.a.v. publiek (essentieel criterium) - verantwoordelijkheid - bereidheid tot bijscholing/vorming - zelfstandigheid - zin voor initiatief (essentieel criterium) - aanpassingsvermogen - betrokkenheid (essentieel criterium) Overwegende dat mevrouw Poesen naar aanleiding van haar beroep, op 29 augustus 1996 door de Bestendige Deputatie werd gehoord, hierin bijgestaan door haar raadsman, de heer J. Driessen en dat hiervan proces-verbaal werd opgesteld; Overweg ende dat het pleidooi van de raadsman, evenals het verweerschrift opgesteld door mevrouw Poesen dd. 29 augustus 1996, XII-2430-3/17 aan dit proces-verbaal werden gehecht en er integrerend deel van uitmaken; Overwegende dat beide verweerschriften elementen bevatten die verwijzen naar de gevolgde beoordelingsprocedure enerzijds en naar de inhoud van de vermeldingen op de respectieve beoordelingscriteria anderzijds; Overwegende dat met betrekking tot de gevolgde procedure vooreerst gewezen wordt op het onredelijk kort zijn van de beoordelingsperiode na de reorganisatie van het bestuur; dat mevrouw Poesen ten gevolge van deze reorganisatie een nieuw takenpakket toegewezen kreeg waarvan de uitvoering een zekere inwerkperiode vereist; Overwegende dat onder evaluatie verstaan wordt het beoordelen van het functioneren van het personeelslid in zijn huidige functie; Overwegende dat de gevolgen verbonden aan een ongunstige beoordeling tweeledig zijn, m.n. het niet-toekennen van de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan en het niet mogen deelnemen aan een bevorderingsexamen naar een hogere graad dan de huidig uitgeoefende functie; Overwegende dat, gelet op de inwerkperiode waarin mevrouw Poesen zich bevindt, het niet onbillijk is betrokkene de volgende weddeschaal van de functionele loopbaan niet toe te kennen, evenmin het haar niet toe te laten deel te nemen aan mogelijke bevorderingsexamens; Overwegende dat in het verweerschrift van mevrouw Poesen aangehaald wordt dat na het functioneringsgesprek geen afspraken werden genoteerd met betrekking tot de taakomschrijving, noch met betrekking tot de werkverdeling en dat het precies deze elementen zijn waarop mevrouw Poesen in het evaluatieverslag ongunstig wordt beoordeeld; Overwegende dat een functioneringsgesprek tot doel heeft het personeelslid te begeleiden naar de optimale uitoefening van zijn functie en in die zin een verplicht onderdeel uitmaakt van de evaluatie en aanleiding geeft tot het opstellen van een afsprakennota; dat een evaluatie tot doel heeft een nauwkeurige, objectieve en billijke inschatting te zijn van de waarde, de geschiktheid, de inzet, de prestaties, de competentie en de verdiensten van het personeelslid in zijn huidige functie en dit op basis van evaluatiecriteria; dat een evaluatie in die zin dan ook niet kan beperkt worden tot de afspraken die uit een functioneringsgesprek, gehouden op één welbepaald ogenblik, voortvloeien; Overwegende dat mevrouw Poesen meent een procedurefout te onderkennen wanneer zij stelt dat het functioneringsgesprek gevoerd werd met een leidinggevende die in contractueel verband werd aangesteld en dat deze leidinggevende bovendien, gelet op haar korte werkervaring bij het bestuur, onmogelijk geacht kan worden voldoende ervaring te hebben opgedaan om haar toe te laten haar ondergeschikte personeelsleden met kennis van zaken te beoordelen; XII-2430-4/17 Overwegende evenwel dat het administratief statuut van het provinciepersoneel bepaalt dat ‘het functioneringsgesprek het gesprek is tussen het personeelslid en één of meer van zijn hiërarchische chefs, ...’ zonder dat hierbij vermeld wordt dat deze hiërarchische chefs in vast dienstverband dienen aangesteld te zijn; dat het trouwens aangewezen lijkt dat, gelet op de doelstellingen van het functioneringsgesprek, een dergelijk gesprek gevoerd wordt met de onmiddellijk hiërarchisch meerdere, wat in het geval van mevrouw Poesen ook effectief gebeurde; dat het evaluatieverslag niet opgesteld werd door de contractueel aangestelde leidinggevende maar door twee evaluatoren aangesteld in vast dienstverband; Overwegende dat in het verweerschrift met betrekking tot de criteria ‘vakkennis’, ‘werkbereidheid’, ‘houding t.o.v. collega’s’, ‘zin voor initiatief’ en in zekere mate ook met betrekking tot het criterium ‘houding t.a.v. leiding’ verwezen wordt naar de zeer korte tewerkstelling van betrokkene in haar nieuwe functie; dat het precies die overgang naar de nieuwe functie zou zijn die maakt dat de vakkennis nog niet op punt is, dat nog niet spontaan extra-taken worden overgenomen, dat nog te weinig contact wordt gelegd met andere collega’s, dat nog geen eigen initiatieven worden ontplooid; Overwegende dat mevrouw Poesen in haar verweer dus bevestigt dat zij zich, met betrekking tot deze criteria, inderdaad nog dient te verbeteren; dat bijgevolg de vermelding ‘ongunstig’-voor de functionele loopbaan, en ongunstig-voor deelname aan bevorderingsexamens, hier gerechtvaardigd is; Overwegende dat [met] betrekking tot het criterium ‘kwantiteit’ van het werk door mevrouw Poesen wordt aangehaald dat zij haar taken afwerkt binnen de gestelde termijnen; dat met het oog op het doorlopen van de functionele loopbaan van een medewerker mag verwacht worden dat zij meer presteert dan het strikt afgelijnde takenpakket; Overwegende dat mevrouw Poesen met betrekking tot het criterium ‘zelfstandigheid’ aanhaalt dat binnen haar taakomschrijving hoofdzakelijk uitvoerende taken vallen; Overwegende dat de functiebeschrijving van een medewerker inderdaad voorziet in uitvoerende werkzaamheden, doch dat er evenzeer sprake is van controlerende en interpretatieve werkzaamheden, welke zeker kunnen toegewezen worden aan een medewerker op het niveau C3; dat van mevrouw Poesen bijgevolg terecht mag verwacht worden dat zij een zekere zelfstandigheid ontplooit bij de uitvoering van haar opdrachten; Gelet op de artikels 119 tot en met 122 van het administratief statuut; Gehoord het verslag van de heer S. Sleypen, lid van het College; Besluit: Artikel
- De evaluatie ‘ongunstig’ zoals uitgebracht door de evaluatoren op 27 juni 1996 blijft behouden. [...]”; XII-2430-5/17
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat verzoekster geen actueel belang meer heeft bij haar beroep, dat immers artikel 112 van het administratief statuut voor het provinciepersoneel bepaalt dat een gunstige evaluatie noodzakelijk is om de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan te krijgen en om te mogen deelnemen aan een bevorderingsexamen voor verhoging in graad binnen hetzelfde niveau of voor overgang naar een hoger niveau, dat bijgevolg verzoekster geen voordeel kan halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien aan de graad van medewerker slechts drie weddeschalen werden verbonden en verzoekster als medewerker reeds de hoogste weddeschaal verkreeg bij haar inschakeling, dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing ook geen voordeel kan opleveren met betrekking tot de mogelijkheid deel te nemen aan een bevorderingsexamen aangezien verzoekster op 30 juni 1997 de eindbeoordeling “gunstig voor de functionele loopbaan” verkreeg, dat verzoekster niet langer bij de dienst huisvesting is tewerkgesteld, maar in de Centrale Administratieve Bibliotheek van het provinciebestuur waar zij op 24 juni 1999 opnieuw een gunstige evaluatie verkreeg, dat verzoekster bijgevolg kan deelnemen aan bevorderingsexamens, dat verzoekster geen belang meer heeft bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien hierdoor de mogelijke gevolgen die zij in het verleden heeft ondervonden bij bevorderingsexamens niet ongedaan worden gemaakt, dat verzoekster zich evenmin op een moreel belang kan beroepen omdat haar in 1997 en 1999 gunstige evaluaties werden toegekend die het “mogelijke en minieme” morele nadeel, veroorzaakt door het bestreden besluit, hebben weggenomen; Overwegende dat artikel 114 van het administratief statuut voor het provinciepersoneel onder meer bepaalt dat het evaluatiedossier “De beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen” en “Het beroep tegen de evaluatie en de beslissing in beroep” omvat; dat voorts uit artikel 122 van voormeld administratief statuut volgt dat enkel een “geannuleerde” ongunstige evaluatie uit XII-2430-6/17 het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat, ook al kan verzoekster deelnemen aan bevorderingsexamens bij toepassing van artikel 86 van het statuut dat enkel vereist dat het betrokken personeelslid “een evaluatie gunstig [heeft] bekomen bij de laatste periodieke beoordeling” en ook al zou verzoekster reeds de hoogste weddeschaal genieten, uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat de negatieve evaluatie verzoeksters latere loopbaan kan beïnvloeden; dat immers uit een door haar neergelegde beslissing van de provinciegriffier betreffende haar dienstaanwijzing van 23 augustus 2002 blijkt dat daarin melding wordt gemaakt van die ongunstige evaluatie; dat verzoeksters actueel belang aldus niet kan worden betwist; dat de exceptie niet wordt aangenomen;
- De grond van de zaak. 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste middel aanvoert dat de door verwerende partij aangevoerde motieven niet deugdelijk zijn, dat de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist, geen rekening houdt met de argumenten die zij ontwikkelde in haar beroepschrift van 9 juli 1996 en dat de door verwerende partij ingeroepen elementen niet van die aard zijn dat zij de beslissing verantwoorden; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van weder- antwoord het standpunt dat zij reeds in haar verzoekschrift innam, bevestigt; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie betoogt dat het relevant zou zijn om “haar functioneren in de voorbije periode” in aanmerking te nemen aangezien zij pas vijf maanden vóór de evaluatie werd belast met een nieuw takenpakket, dat zij uit het feit dat in de bestreden beslissing niet op alle door haar opgeworpen bezwaren werd ingegaan afleidt dat de niet- behandelde bezwaren werden aanvaard en dat de ongunstige beoordeling op deze criteria niet werd gehandhaafd, dat zij heeft willen aantonen dat zij omwille van “omstandigheden buiten haar wil” “waarop zij geen enkele vat had” nog niet optimaal presteerde; XII-2430-7/17 3.1.
- Overwegende dat het in artikel 119 van het meervermeld statuut ingerichte beroep bij de bestendige deputatie een georganiseerd administratief beroep bij de hiërarchische overheid is; dat artikel 120 in een hoorzitting voorziet en artikel 121 gewag maakt van een “definitieve uitspraak” die de bestendige deputatie doet over de evaluatie; dat uit de wijze waarop het administratief statuut voor het provinciepersoneel aldus de beroepsprocedure organiseert, moet worden afgeleid dat de provincieraad van Limburg bij het opstellen ervan de bedoeling had een nieuwe beslissing te laten nemen die in de plaats komt van de oorspronkelijke evaluatie; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen door een orgaan van actief bestuur en niet door een jurisdictioneel orgaan zodat niet vereist is dat op alle door verzoekster ingeroepen argumenten wordt geantwoord; dat het bijgevolg volstaat dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd en dat ze is onderbouwd met motieven die haar in rechte zowel als in feite kunnen verantwoorden; Overwegende dat met de verwerende partij kan worden aangenomen dat het doel van een evaluatie ligt in het beoordelen van een personeelslid in de huidige functie; dat bezwaarlijk kan worden ingezien waarom een vorige werksituatie in aanmerking zou moeten worden genomen aangezien verzoekster een nieuwe functie heeft gekregen en enkel de wijze waarop zij daarin functioneert te dezen relevant is; dat de evaluatie aan de andere kant rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster slechts korte tijd werkzaam was in haar nieuwe functie en de eerste evaluatie kort na een reorganisatie van de provinciale diensten plaatsvond; dat uit stuk 12 van het administratief dossier immers blijkt dat de “toepassing van het evaluatiesysteem versoepeld [werd] voor wat betreft de eerste evaluatieronde” zoals de provinciegriffier in dat stuk schrijft; dat in die omstandigheden bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de evaluatie, ondanks de vaststelling dat minstens een aantal punten dienen te worden verbeterd, gunstig diende te zijn omdat alle “tekortkomingen” te wijten zouden XII-2430-8/17 zijn aan de relatief korte periode dat verzoekster haar functie uitoefende; dat de verwerende partij voorts niet onterecht vaststelt dat verzoekster, door als verklaring voor haar ongunstige beoordeling voor bepaalde criteria namelijk “vakkennis”, werkbereidheid”, houding tegenover collega’s”, “zin voor initiatief” en in zekere mate ook “houding ten aanzien van leiding” te verwijzen naar haar korte tewerkstelling in de nieuwe functie, bevestigt dat zij zich met betrekking tot deze criteria inderdaad nog dient te verbeteren; Overwegende dat uit het evaluatieformulier van de provincie Limburg blijkt dat dit bestuur voor de eindevaluatie een “beslissingsregel” hanteert die inzake de personeelscategorie waartoe verzoekster behoort luidt : “Gunstig voor de functionele loopbaan • maximaal 1 maal Ongunstig op een essentieel criterium en maximaal 3 maal Ongunstig op een niet essentieel criterium of • 0 maal Ongunstig op een essentieel criterium en maximaal 5 maal Ongunstig op een niet essentieel criterium Ongunstig voor de functionele loopbaan Elke andere combinatie die niet vermeld is bij ‘Gunstig voor de functionele loopbaan’”; dat deze regel blijkt aan te geven dat de evaluatoren bij het geven van een eindevaluatie niet over een discretionaire bevoegdheid beschikken om iemand op grond van de vooraf beoordeelde criteria een gunstige of ongunstige eindbeoordeling te verlenen; dat, indien te dezen de op alle criteria gegeven beoordelingen worden aanvaard als zijnde in feite en in rechte verantwoord, de eindevaluatie bij toepassing van de beslissingsregel niet anders kan zijn dan ongunstig; dat in het licht van voormelde overwegingen, indien de bestendige deputatie de feitengaring aanneemt zoals die door de evaluatoren is verricht, hieruit conform de eerder besproken beslissingsregel volgt dat de door die evaluatoren gegeven eindbeoordeling rechtens de enige mogelijke was; dat dit blijkbaar datgene is wat de bestendige deputatie heeft gedaan; XII-2430-9/17 Overwegende dat verzoekster in haar verweerschriften en in het feitenrelaas van haar verzoekschrift tot nietigverklaring nu wel poogt de vastgestelde tekortkomingen te weerleggen; dat echter uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de gegevens waarop de bestreden beslissing steunt in feite onjuist zijn; dat uit de motivering van de bestreden beslissing moet worden afgeleid dat verwerende partij, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, wel degelijk rekening heeft gehouden met de elementen die zij in haar verweerschriften naar voor bracht en ze zelfs aanhaalt en beoordeelt; dat de verwerende partij in verband met een bijzondere grief van verzoekster daaromtrent, ten slotte terecht stelt dat het administratief statuut nergens bepaalt dat de hiërarchische chefs waarmee het functioneringsgesprek moet gebeuren, in vast dienstverband aangesteld moeten zijn; dat derhalve de motiveringsgebreken die verzoekster de bestreden beslissing aanwrijft, niet zijn aangetoond; dat het middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede middel betoogt dat de bestreden beslissing in strijd is met het redelijkheidsbeginsel, dat immers weinig of geen concrete elementen in haar nadeel worden aangevoerd, dat de beoordeling op zeer algemene, niet gefundeerde en niet in redelijkheid aanvaardbare argumenten steunt, dat de bestreden beslissing onredelijk zwaar is, dat uit niets blijkt dat rekening werd gehouden met het feit dat zij in februari 1996 met een nieuw takenpakket werd belast waarna zij reeds in juni 1996 werd geëvalueerd; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat zij rekening houdt met wat verzoekster zelf in haar beroepschrift, in haar verweerschriften en in haar verzoekschrift toegeeft, namelijk dat zij nog niet voldoende presteert op bepaalde criteria, dat haar niet kan worden verweten een onredelijk zware beslissing te hebben genomen indien de door verzoekster toegegeven onvoldoendes reeds volstonden om tot een ongunstige beoordeling te besluiten en deze onvoldoendes samen beschouwd als zo ernstig moeten worden gekwalificeerd dat elke objectieve waarnemer onvermijdelijk moet besluiten tot een ongunstige eindbeoordeling, dat zij zelfs een soepelheid in de beoordeling per XII-2430-10/17 criterium had vooropgesteld en heeft toegepast aangezien ook een “voldoend” presteren op een bepaald criterium bij de eerste evaluatie als “gunstig” mocht worden gekwalificeerd; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord blijft bij haar standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog aanvoert dat zij door toe te geven dat zij zich met betrekking tot bepaalde criteria nog kan verbeteren niet heeft toegegeven dat zij onvoldoendes verdiende temeer daar geen feiten werden aangereikt waarop die onvoldoendes zouden zijn gebaseerd; 3.2.
- Overwegende dat verzoeksters argumenten geen voor zich sprekende, onaanvaardbare wanverhouding aantonen tussen de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende feiten, meer bepaald het ongunstig beoordeeld zijn op vijftien criteria en de behouden ongunstige eindbeoordeling; dat verzoekster er immers niet in slaagt de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende feiten te weerleggen; dat een evaluerend optreden tot op zekere hoogte steeds subjectief verloopt; dat verzoekster enkel poogt aan te tonen waarom zij op bepaalde punten minder presteert en hierbij in hoofdzaak verwijst naar het feit dat zij pas sinds kort haar nieuwe functie uitoefent; dat dit niet volstaat om te besluiten dat er een wanverhouding zou bestaan tussen de feitelijke grondslag en de bestreden eindbeoordeling; dat het middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoekster een derde middel put uit een schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”; dat zij daartoe betoogt dat het functioneringsgesprek plaatsvond tussen twee “nieuwkomers” op de dienst huisvesting en dat de evaluatoren hierbij niet aanwezig waren, dat tijdens het functioneringsgesprek geen enkele opmerking werd geformuleerd met betrekking tot haar inzet, betrokkenheid of geschiktheid, dat geen concrete afspraken werden gemaakt omtrent taakomschrijving of werkverdeling, dat tussen verzoekster en de XII-2430-11/17 twee evaluatoren nooit werd overlegd over verzoeksters nieuwe taken en over de evaluatiecriteria, dat zij tijdens het uitoefenen van haar functie nooit werd gecontacteerd, gecontroleerd of terechtgewezen door de evaluatoren, dat zij ondanks de aangekondigde soepele houding tijdens de eerste evaluatieperiode, een totaal onverwachte en uiterst negatieve beoordeling kreeg; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij er op wijst dat verzoekster niet aangeeft welk beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden; dat zij zich wel verweert betreffende de grieven, stellende dat verzoekster twee dingen door elkaar haalt aangezien er een fundamenteel verschil bestaat tussen een -wederkerig- functioneringsgesprek dat het personeelslid begeleidt naar een optimale uitoefening van zijn functie en een -eenzijdige- evaluatie die tot doel heeft een nauwkeurige, objectieve en billijke inschatting te verschaffen van de waarde, de geschiktheid, de inzet, de prestatie, de competentie en de verdiensten van het personeelslid in zijn huidige functie aan de hand van de twintig vastgestelde criteria, dat verzoeksters stelling dat de evaluatie enkel zou mogen gebeuren aan de hand van afspraken die bij het functioneringsgesprek werden gemaakt in strijd is met artikel 105 van het administratief statuut voor het provinciepersoneel, dat te dezen dan nog uit het verslag van het functionerings- gesprek blijkt dat tijdens het functioneringsgesprek zonder twijfel over verzoeksters taken werd gesproken aangezien er onder meer werd afgesproken dat haar voorgangster haar zou bijstaan tijdens de inwerkperiode; 3.3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt dat een functioneringsgesprek en een evaluatie niet gelijklopend zijn maar dat de doelstellingen niet zo concreet verschillen; 3.3.
- Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie nog doet gelden dat het middel dat wordt geput uit de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur voldoende duidelijk is nu de verwerende partij erop heeft geantwoord, dat een behoorlijk bestuur vereist dat de overheid haar personeel op voorhand duidelijk maakt welke prestaties en werkwijze worden verwacht, dat het XII-2430-12/17 functioneringsgesprek hiervoor het uitgelezen moment is, dat te dezen geen gebruik werd gemaakt van deze mogelijkheid en ook nadien geen opmerkingen werden geformuleerd of afspraken werden gemaakt, dat zij in de waan werd gelaten op goede weg te zijn en dus niet de kans kreeg haar prestaties aan te passen; 3.3.
- Overwegende dat in de rechtspraak doorgaans geen toepassing wordt gemaakt van “het” beginsel van behoorlijk bestuur als zelfstandige rechtsnorm maar van diverse beginselen van behoorlijk bestuur; dat echter onder een verwijzing naar “het” beginsel van behoorlijk bestuur ook het zorgvuldigheidsbeginsel kan worden begrepen, zoal niet als een van die beginselen, dan toch zeker als het beginsel dat als toepassing van artikel 1382, van het Burgerlijk Wetboek al de beginselen van behoorlijk bestuur in zich verenigt; dat in elk geval de verwerende partij zich op de concrete grieven die door verzoekster werden aangebracht in het hier besproken derde middel, heeft verdedigd zodat het annulatiemiddel wordt onderzocht zoals de verwerende partij het heeft begrepen; Overwegende dat de verwerende partij terecht wijst op het doel van respectievelijk het functioneringsgesprek en de evaluatie; dat artikel 105 van het administratief statuut provinciepersoneel bepaalt wat volgt : “De evaluatie steunt op een nauwkeurige, objectieve en billijke inschatting van de waarde, de geschiktheid, de inzet, de prestaties, de competentie en de verdiensten van het personeelslid in zijn huidige functie. Zij gebeurt op basis van de evaluatiecriteria vermeld in de bijlagen bij dit besluit, en resulteert in een beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag”; dat artikel 106 van datzelfde statuut luidt : “Het functioneringsgesprek is het gesprek tussen het personeelslid en één of meer van zijn hiërarchische chefs, dat tot doel heeft het personeelslid te begeleiden naar de optimale uitoefening van zijn functie. Een functioneringsgesprek is een verplicht onderdeel van de evaluatie en resulteert in een afsprakennota die deel uitmaakt van het evaluatiedossier”; XII-2430-13/17 dat in de “Nieuwsbrief” van het provinciebestuur van december 1995 dieper wordt ingegaan op de rol en betekenis van het functioneringsgesprek; dat blijkt dat het de bedoeling is dat de ambtenaar en zijn leidinggevende regelmatig rond de tafel gaan zitten om over het werk en over elkaars functioneren te praten; dat een evaluatie hiervan dient te worden onderscheiden aangezien een evaluatie een eenzijdig oordeel is van de leidinggevende met betrekking tot het betrokken personeelslid met de vertaling van dat oordeel naar verloning en/of loopbaan- kansen; dat verzoekster onterecht verwijst naar een noodzakelijk verband tussen het functioneringsgesprek en de evaluatie als zouden beiden vrijwel dezelfde doelstelling hebben; dat het feit dat het in beide gevallen gaat om het beoordelen van de manier waarop het personeelslid de betrokken functie uitoefent, ertoe leidt dat het functioneringsgesprek en de evaluatie raakvlakken hebben; dat verzoekster zich vergist als zij stelt dat tijdens het functioneringsgesprek afspraken moeten worden gemaakt omtrent taakomschrijving en werkverdeling; dat immers functioneringsgesprekken zulks wel moeten inhouden maar veel ruimer dan dat zijn opgevat; dat zij zijn bedoeld als een open gesprek tussen de betrokkenen over allerhande factoren die iets te maken hebben met het functioneren van het personeelslid waarbij zowel de medewerker als de leidinggevende gelijke inbreng hebben; dat uit het verslag van het functioneringsgesprek van 11 april 1996 blijkt dat in elk geval afspraken werden gemaakt omtrent het begeleiden van verzoekster tijdens de inwerkperiode, het uitbouwen van het contact met andere huisvestingsdiensten en het feit werd vastgesteld dat verzoekster als niet-rookster een lokaal deelt met drie rokers waardoor haar concentratie wordt verstoord; dat aldus verzoeksters bewering dat tijdens het functioneringsgesprek nooit afspraken werden gemaakt over taakomschrijving en werkverdeling niet volkomen correct is; dat echter het feit dat geen andere vereisten betreffende haar opdrachten tot een geschreven afspraak hebben geleid, op zichzelf de rechtmatigheid van de bestreden beslissing die haar evaluatie betreft, niet in het gedrang brengt; dat het middel niet wordt aangenomen; 3.4.
- Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert “van het recht van verdediging, minstens van het recht zijn standpunt XII-2430-14/17 naar voor te brengen”; dat verzoekster daarbij laat gelden dat de evaluatoren na het indienen van haar bezwaarschrift werden gehoord terwijl zij niet de mogelijkheid kreeg een tegensprekelijk debat te voeren en geen kennis kreeg van de inhoud van voornoemd verhoor; 3.4.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord herhaalt dat zij minstens gehinderd is in de mogelijkheid haar standpunt, eventueel via een tegensprekelijk debat, naar voor te brengen; 3.4.
- Overwegende dat de partijen in hun laatste memories niet meer ingaan op het laatste middel; 3.4.
- Overwegende dat het recht van verdediging geldt voor beslissingen in tucht- en strafzaken; dat de bestreden beslissing daar niet is in onder te brengen; dat de hoorplicht de overheid verplicht de betrokkene de gelegenheid te geven om op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen wanneer een maatregel wordt genomen die zijn rechtstoestand op ongunstige wijze beïnvloedt, des te meer indien zulks gebeurt op grond van gegevens die hem als tekortkomingen of minstens als onvolkomenheden worden aangerekend; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoekster naar aanleiding van de oorspronkelijke beslissing een beroepschrift en twee verweerschriften indiende waarin zij haar argumenten omstandig uiteenzette; dat verzoekster door de verwerende partij zelfs in persoon en bijgestaan door een raadsman werd gehoord; dat de verwerende partij in de motivering van de bestreden beslissing rekening hield met verzoeksters argumenten; dat verzoekster bijgevolg niet kan aanvoeren dat de hoorplicht niet werd nageleefd; dat het feit dat zij geen rechtstreeks debat heeft kunnen voeren met haar evaluatoren aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- XII-2430-15/17 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-2430-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2430-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.429 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.64.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.