id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.430 Rolnummer: A. 70957/XII-2445 Zaak: Arrest 156430 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 13:48 Fiche Arrest nr 156.430 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.430 van 16 maart 2006 in de zaak A. 70.957/XII-
- In zake : de STAD BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, kantoor houdende te Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Gerard Davidstraat 46, bus 1
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE WEST- VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Brugge op 12 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van 1/ het besluit van 15 juli 1996 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting waarbij de beslissing van 29 januari 1996 van de gemeenteraad van Brugge tot heffing van een belasting op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen van klasse 1 volgens de Vlarem-indeling, vernietigd wordt, en van 2/ het besluit van 27 maart 1996 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen waarbij de voornoemde gemeenteraadsbeslissing van 29 januari 1996 in haar uitvoering geschorst wordt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2445-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Judo, die loco advocaat A. Lust verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Feitelijke voorgaanden
- Overwegende dat de gemeenteraad van Brugge op 29 januari 1996 voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 2000 een jaarlijkse belasting instelt “op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen gerangschikt in 1ste klasse, door het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning (VLAREM) en geëxploiteerd in handels-, nijverheids- en landbouwbedrijven op het grondgebied van de stad Brugge”; dat artikel 2 van de verordening voorschrijft dat de belasting verschuldigd is door de exploitant op 1 januari van het belastingjaar en gevestigd wordt per afzonderlijke inplanting; dat artikel 3 het bedrag van de jaarlijkse belasting vaststelt per inrichting van klasse1; dat artikel 4 luidt : “De jaarlijkse belasting wordt met de helft verminderd : 1) ten voordele van de inrichtingen, als vermeld onder artikel 2, gelegen op ambachtelijke en industrieterreinen, zoals bepaald op het gewestplan, goedgekeurd bij K.B. van 7 april 1977 of zijn latere wijzigingen. 2) ten voordele van de landbouwbedrijven, als vermeld onder artikel 2, gelegen in een agrarische zone, zoals bepaald op het gewestplan, goedgekeurd bij K.B. van 7 april 1977 of zijn latere wijzigingen”; XII-2445-2/11 Overwegende dat de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen de gemeenteraadsbeslissing in haar uitvoering schorst; dat hij motiveert : “Overwegende dat art. 4 van de beslissing dd. 29 januari 1996 voorziet in een belastingvermindering van 50% ten voordele van de inrichtingen gelegen op ambachtelijke- en industrieterreinen en ten voordele van de landbouwbedrijven gelegen in een agrarische zone; Overwegende dat voor het vaststellen van de belastbaarheid van voornoemde inrichtingen wordt uitgegaan van de klasse-indeling volgens het Vlarem-decreet; Overwegende dat voor de indeling in klasse 1, 2 of 3 onder andere reeds rekening wordt gehouden met de ligging in industrie-, agrarische of woonzone; Overwegende dat de voorziene vermindering een bijkomend voordeel is en niet meer kan gezien worden als gemotiveerd in functie van de aard en het doel van de belasting, en zodoende het gelijkheidsbeginsel schendt”; Overwegende dat de gemeenteraad de geschorste beslissing op 21 mei 1996 rechtvaardigt en handhaaft; dat in essentie wordt gesteld : “Overwegende dat de doelstelling van een belastingsreglement in zijn geheel of gedeeltelijk niet steeds uitsluitend of op de eerste plaats van financiële en budgettaire aard is doch dat het hoofddoel van een reglement en/of van de erin voorziene verminderingen kan zijn het aansturen op een bepaalde gedragslijn bij de burgers, gedragslijn die een fundamentele beleidsoptie van het bestuur uitmaakt; Overwegende dat de door de heer Gouverneur gewraakte verminderings- klausule ingegeven is om bedoelde hinderlijke bedrijven zoveel mogelijk in geëigende zones onder te brengen alwaar ze een geringere gradatie aan milieubelastende en milieuhinderende effekten vertonen dan identieke inrichtingen die ergens anders -bijvoorbeeld in woongebieden- gelegen zijn; Overwegende dat de voorziene vermindering aldus wel degelijk gemotiveerd is in funktie van de aard en het doel van de belasting; [...] Overwegende dat het weliswaar kan dat voor de katalogering in 1ste klasse de ligging in een industrie- of agrarische zone meegespeeld heeft overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem-decreet, doch dat de rol die dat kriterium mogelijks heeft gespeeld voor de indeling in 1ste klasse zeker geen bezwaarlijk als Overwegende ten andere dat bij de indeling in klasse I-bedrijven door het Vlarem-decreet slechts in een zeer beperkt aantal gevallen wordt verwezen naar diverse zones opgenomen in de Gewestplannen en deze indeling feitelijk steunt op andere kriteria, zoals onder meer geïnstalleerde drijfkracht, dierenbestand, en dergelijke, die gemakkelijker samen gaan met het hinderlijk en milieubelastend karakter; Overwegende aldus dat de argumentatie in het bestreden schorsingsbesluit van de heer Gouverneur omtrent het feit dat voor de indeling in klasse 1, 2 of 3 onder andere reeds rekening wordt gehouden XII-2445-3/11 Overwegende, tenslotte, dat de belasting op 15 juli 1996 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting vernietigd wordt, op grond van volgende motieven : “Overwegende dat de uitvoering van het voormelde raadsbesluit door de provinciegouverneur van West-Vlaanderen werd geschorst wegens strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. De vermindering voor inrichtingen gelegen in welbepaalde zones van het gewestplan houdt immers geen verband met de aard en het doel van een belasting die de graad van hinderlijkheid in klasse I als basis heeft, te meer daar deze ligging reeds een rol heeft gespeeld bij deze indeling in klasse I; Overwegende dat er in het rechtvaardigingsbesluit wordt op gewezen dat de ligging in een bepaalde zone van het gewestplan slechts in ondergeschikte orde meespeelt voor de indeling in klasse I; Overwegende dat het rechtvaardigingsbesluit benadrukt dat het gelijkheids- beginsel niet geschonden is door een verschillende fiscale behandeling van onderscheiden categorieën, voor zover dit onderscheid op objectieve criteria berust en redelijk verantwoord is; - dat de ligging in welbepaalde zones van het gewestplan een objectief criterium is op basis waarvan onderscheiden categorieën kunnen afgebakend worden, - dat dit onderscheid redelijk verantwoord is door het doel van de belasting, met name hinderlijke inrichtingen zoveel mogelijk onderbrengen in geëigende zones waar ze een geringere gradatie aan milieubelastende en milieuhinderende effecten vertonen dan identieke inrichtingen die ergens anders - bijvoorbeeld in woongebieden - gelegen zijn; Overwegende dat de ligging in welbepaalde zones wel degelijk meebepalend is voor de indeling in klasse I van het Vlarem voor inrichtingen waar dieren worden gehouden of gefokt; Overwegende dat fiscale maatregelen niet geschikt zijn om inrichtingen te weren uit bepaalde bestemmingszones - dat daartoe wel geëigende, effectieve middelen geboden worden door stedebouw- en milieuwetgeving, inzonderheid het weigeren of verlenen van bouw- of milieuvergunning; Overwegende dat zowel bij het verlenen van de bouw- als van de milieuvergunning rekening gehouden wordt met de bestemmingszone van de inrichting; Overwegende dat, volgens artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985, betreffende de milieuvergunning het bekomen en behouden van de milieuvergunning bovendien afhankelijk is van het naleven van algemene en bijzondere voorwaarden; - dat bij het verlenen van deze voorwaarden, in toepassing van het Vlarem II, ook rekening gehouden wordt met de ligging in bepaalde bestemmingszones; - dat deze voorwaarden er voornamelijk op gericht zijn het milieubelastend en milieuhinderend effect van de exploitatie zoveel mogelijk te beperken; Overwegende dat van een inrichting van klasse I die niet gelegen is in de industriële of ambachtelijke zone of in de agrarische zone voor landbouw- bedrijven, maar toch op rechtmatige wijze geëxploiteerd wordt, moet aangenomen worden dat zij een milieuvergunning heeft bekomen en voldoet aan de aan haar aangepaste milieuvoorwaarden; - dat, zo dit niet het geval is, de door het Vlarem voorziene sancties, met inbegrip van mogelijke stopzetting van activiteit, moet worden toegepast; Overwegende dat rechtmatig in exploitatie zijnde inrichtingen gelegen in andere dan industriële, ambachtelijke of agrarische zones zich uit oogpunt van XII-2445-4/11 hinderlijkheid dus niet in een andere toestand bevinden dan andere inrichtingen van klasse I; - dat er derhalve geen redelijke verantwoording aanwezig is voor een verschillende fiscale behandeling; - dat de voorziene belastingvermindering derhalve in strijd is met het gelijkheidsbeginsel”; Ontvankelijkheid
- Overwegende dat, volgens de memorie van antwoord, het beroep tegen de beslissing van 27 maart 1996 van de gouverneur manifest onontvankelijk is omdat de beslissing werd vervangen door het ministerieel besluit van 15 juli 1996; dat de exceptie in het auditoraatsverslag gegrond wordt bevonden; dat verzoekster die conclusie in de laatste memorie bijvalt; dat ook de Raad van State dat doet; Grond van de zaak
- Overwegende dat verzoekster in een enig annulatiemiddel de schending aanvoert van “de art. 10, 11, 170 § 4 en 172 van de grondwet, art. 117 van de gemeentewet en de art. 30 § 1 en 30 § 3 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaams Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten”; dat verzoekster in de eerste plaats toelicht dat de motivering van het ministerieel besluit van 15 juli 1996 dubbelzinnig en niet afdoende is; Overwegende dat verzoekster dan vervolgt dat de beslissing kennelijk onwettig is in zoverre zij “zo moet worden gelezen dat geen differentiële gemeentelijke belasting zou mogelijk zijn op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen, acht slaande op hun vestiging in verschillende stedebouwkundige bestemmingsgebieden, omdat met de graad van hun hinderlijkheid reeds rekening werd gehouden in de milieu- en stedebouwwetgeving en naar aanleiding van het uitreiken van de nodige bouw- en milieuvergunningen”, dat immers steeds is aangenomen dat de gemeente een belasting kan heffen op de exploitatie van regelmatig vergunde hinderlijke inrichtingen en dat evenmin ooit in vraag is gesteld dat een gedifferentieerde belasting op ingedeelde inrichtingen mogelijk is, vermits de exploitatie van hinderlijke inrichtingen voor de lokale gemeenschap een verschil in lasten kan meebrengen die zowel uit de specifieke aard van de exploitatie kan voortvloeien als uit de plaats van de vestiging zelf; XII-2445-5/11 Overwegende dat, tenslotte, verzoekster uiteenzet dat het besluit ook onwettig is indien het “zo moet begrepen worden dat het bedoelt te zeggen dat het raadsbesluit van 29 januari 1996 onwettig is omdat het uitsluitend prohibitief zou zijn en uitsluitend op het oog zou hebben ‘om inrichtingen te weren uit bepaalde bestemmingszones’”, dat in die interpretatie vanuit het oogpunt van hinderlijkheid geen verschil zou zijn tussen klasse 1-inrichtingen gevestigd in woongebied en klasse 1-inrichtingen in industriële, ambachtelijke of agrarische zones, dat zodoende het besluit echter uit het oog verliest “dat in fiscalibus niet in de eerste plaats de aard en de graad van hinderlijkheid als opgevat door de milieuwetgeving van belang is, maar wel de weerslag ervan op de lasten die door de locale gemeenschap moeten gedragen worden”, dat het vanuit dat oogpunt toch voor zichzelf spreekt dat de meest hinderlijk geachte inrichtingen, deze van klasse 1, voor de lokale gemeenschap een aanzienlijk zwaardere financiële last kunnen meebrengen naargelang zij in vaak dicht bevolkte woongebeiden gevestigd zijn, dan wel in specifiek daarvoor voorbehouden bestemmingsgebieden”, dat een differentiatie van de belasting tussen hinderlijke exploitaties klasse 1 gevestigd in woongebieden en deze gevestigd in specifieke bestemmingsgebieden dus geenszins het gelijkheids-beginsel schendt; Overwegende dat, in de memorie van wederantwoord, verzoekster nogmaals opmerkt dat de motivering van het ministerieel besluit dubbelzinnig is en voor velerlei interpretatie vatbaar; dat zij eveneens herhaalt dat het belasting- reglement in de eerste plaats een fiscaal doel heeft, dat de stad bij het uitvaardigen ervan specifiek de lasten voor ogen had die de exploitatie van hinderlijke inrichtingen meebrengt, dat hinderlijke bedrijven een grotere weerslag hebben op de lasten wanneer zij gelegen zijn in het woongebeid dan wanneer zij zijn ondergebracht in daartoe ingerichte bestemmingszones, dat het dan ook niet onredelijk is of in strijd met de gelijkheid om die bedrijven zwaarder te belasten dan zone-eigen bedrijven en inrichtingen, dat die zwaardere belasting evident als neveneffect een zekere ontmoediging inhoudt voor de exploitanten van zonevreemde inrichtingen om ter plaatse te blijven, dat dit hooguit een nevendoel betreft en zeker niet het hoofddoel van de belasting; Overwegende dat verzoekster bovendien uiteenzet dat de hinderlijkheid van eenzelfde inrichting “wel degelijk verschillend [is] naargelang de ligging van de inrichting”; dat zij er op wijst dat voor de overgrote meerderheid van de hinderlijke inrichtingen, de ligging geen enkele rol speelt voor hun indeling in klasse 1, 2 of 3, dat het weliswaar juist is dat eenzelfde fabriek evenveel afval XII-2445-6/11 produceert, evenveel stinkt, evenveel lawaai produceert, ongeacht waar ze gelegen is, dat dit echter louter de objectieve of absolute hinder van de inrichting betreft, dat de hinder echter steeds een subjectief of relatief gegeven is “dat functie zal zijn van de specifieke bestemming van de omgeving waar deze inrichting is ingeplant”; Overwegende dat, hierbij aansluitend, verzoekster in de laatste memorie nog betoogt : “het [is] in feite onjuist en strijdig met het gezond verstand om te beweren dat de hinderlijkheid van een onderneming identiek is, of zij nu in een woonbuurt gelegen is dan wel in een agrarisch of industrieel gebied. De met instrumenten meetbare hinder, zoals emissies, lawaai, stank, enz... zal wellicht identiek zijn, maar in woonbuurten ondergaan uiteraard veel meer mensen gedurende veel meer uren per etmaal die hinder. Van hen wordt een veel hogere tolerantiegraad gevergd dan van de bewoners in voor hinderlijke bedrijven meer geëigende bestemmingsgebieden. Alleen reeds daarom is er van identiteit van hinderlijkheid geen sprake. Die identiteit bestaat enkel wanneer men de situatie bekijkt vanuit de zender van de hinder. Vanuit de invalshoek van de ontvanger is er geen sprake van identiteit. Ontvanger zijn overigens niet alleen de mensen. Ook de woningen en de gebouwen ondergaan de gevolgen van vervuilende emissies, wat grotere onderhoudskosten veroorzaakt. Uiteraard zijn ook die ontvangers in woongebieden veel talrijker dan in meer geëigende bestemmingsgebieden”;
- Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 29 januari 1996 door de gouverneur is geschorst geworden omdat zij het gelijkheidsbeginsel schendt door in een belastingvermindering te voorzien ten voordele van de inrichtingen gelegen op ambachtelijke en industrieterreinen en ten voordele van landbouw- bedrijven gelegen in een agrarische zone; dat die schending hierop wordt gesteund dat de ligging reeds verrekend zit in de indeling in klasse 1, 2 of 3, van de inrichtingen en dat de vermindering niet gemotiveerd is “in functie van de aard en het doel van de belasting”; dat verzoekster het daar in de gemeenteraadsbeslissing van 21 mei 1996 niet mee eens is; dat zij ter rechtvaardiging van de belasting aanvoert, eensdeels, dat bij de indeling van bedrijven in klasse 1 slechts zeer beperkt met de diverse zones rekening wordt gehouden, maar meer met andere criteria en, anderdeels, dat de belastingvermindering “wel degelijk gemotiveerd is in funktie van de aard en het doel van de belasting”, aangezien zij is ingegeven door de wil “om bedoelde hinderlijke bedrijven zoveel mogelijk in geëigende zones onder te brengen alwaar ze een geringe gradatie aan milieubelastende en milieuhinderende effecten vertonen dan identieke inrichtingen die ergens anders -bijvoorbeeld in woongebieden- gelegen zijn”; XII-2445-7/11 Overwegende dat het in die context is dat het ministerieel besluit van 15 juli 1996 moet worden gelezen en begrepen; dat het besluit de belasting vernietigt omdat de belastingvermindering in strijd is met het gelijkheidsbeginsel; dat immers, aldus het vernietigingsbesluit, de “rechtmatig in exploitatie zijnde inrichtingen gelegen in andere dan industriële, ambachtelijke of agrarische zones zich uit oogpunt van hinderlijkheid dus niet in een andere toestand bevinden dan andere inrichtingen van klasse I”; dat dit hieruit wordt afgeleid dat de ligging in welbepaalde zones “wel degelijk” meebepalend is voor de indeling in klasse I voor inrichtingen waar dieren worden gehouden, dat met de bestemmingszone ook rekening wordt gehouden bij het al dan niet verlenen van de bouw- of milieuvergunning, evenals bij het opleggen van de voorwaarden van de milieuvergunning, en dat bij overtreding van de voorwaarden de sancties moeten worden toegepast waarin het Vlarem voorziet; Overwegende dat zodoende de Vlaamse minister duidelijk genoeg doet kennen dat, gelet op verzoeksters verantwoording in het rechtvaardigings- besluit, het toegepaste criterium van onderscheid tussen de belastingplichtigen -op basis van de bestemmingsgebieden waarin hun inrichtingen liggen- niet de toets aan het gelijkheidsbeginsel doorstaat; dat zijn besluit afdoende “gemotiveerd” is, zoals vereist door artikel 30, § 3, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten;
- Overwegende dat de Raad van State, anders dan verzoekster, in het ministerieel besluit geen zogenaamde “algemene regel” ontwaart volgens dewelke überhaupt “geen differentiële gemeentelijke belasting zou mogelijk zijn op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen, acht slaande op hun vestiging in verschillende stedebouwkundige bestemmingsgebieden”; dat de minister geenszins de differentiatie in artikel 4 van de belasting in het algemeen heeft afgewezen, maar in werkelijkheid slechts de motivering heeft verworpen die verzoekster in de gemeenteraadsbeslissing van 21 mei 1996 ter rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid had aangedragen; dat waar verzoekster in de rechtvaardigingsbeslissing deed gelden dat hinderlijke inrichtingen van klasse 1 die in “geëigende zones” zijn ondergebracht “een geringere gradatie aan milieubelastende en milieuhinderende effekten vertonen dan identieke inrichtingen die ergens anders - bijvoorbeeld in woongebieden - gelegen zijn”, de minister daarentegen van oordeel was “dat rechtmatig in exploitatie zijnde inrichtingen gelegen in andere dan industriële, ambachtelijke of agrarische zones zich XII-2445-8/11 uit het oogpunt van hinderlijkheid dus niet in een andere toestand bevinden dan andere inrichtingen van klasse I”; Overwegende dat de minister, door zich aldus alleen uit te spreken over de welbepaalde verantwoording waarop de gemeenteraad zich ter rechtvaardiging van het onderscheid in artikel 4 van het belastingreglement beriep, heeft gedaan wat hij volgens verzoekster ook effectief moest doen, namelijk “in concreto onderzoeken of het aangebracht besluit de wet schendt of het algemeen belang schaadt”;
- Overwegende dat als verzoekster meende dat de zienswijze van de minister en dus de verwerping van haar rechtvaardiging ten onrechte was, zij zulks in haar beroepschrift diende aan te voeren en te beargumenteren; dat zij dit niet heeft gedaan; dat zij in de plaats in het verzoekschrift betoogt en uitlegt dat “niet in de eerste plaats de aard en de graad van hinderlijkheid als opgevat door de milieuwetgeving van belang is, maar wel de weerslag ervan op de lasten die door de locale gemeenschap moeten gedragen worden” en dat precies daarom de bekritiseerde differentiatie geenszins onwettig is; dat verwerende partij terecht aan verzoekster tegenwerpt dat zij op die manier een ander doel in aanmerking wil doen nemen dan het doel dat ze zelf schetste in haar rechtvaardigingsbesluit; Overwegende dat tevergeefs verzoekster zich in onder meer de memorie van wederantwoord inspant om het te doen voorkomen alsof de belastingvermindering verantwoord wordt door “een grotere weerslag op de lasten die door de locale bevolking - de gemeente - moeten worden gedragen wanneer deze gelegen zijn in het woongebied dan wanneer zij in specifiek daartoe ingerichte bestemmingszones zijn ondergebracht”; dat het niet strookt met de uitdrukkelijke motivering in het rechtvaardigingsbesluit van de gemeenteraad; dat daarin geen verwijzing wordt gevonden, zelfs niet een impliciete, naar de hogere kosten die hinderlijke bedrijven klasse 1 inzake de gemeentelijke dienstverlening zouden veroorzaken wanneer zij niet op ambachtelijke en industrieterreinen, of in een agrarische zone, liggen; dat die verwijzing evenmin wordt gevonden in de brief van 20 mei 1996 waarin de eerste schepen van de stad het rechtvaardigingsbesluit aankondigt aan de minister (stuk 5 van verwerende partij), en waarin de grotere graad van milieubelastende en milieuhinderende effecten van inrichtingen klasse 1 die niet op ambachtelijke en industrieterreinen, of in een agrarische zone, liggen aldus wordt toegelicht : XII-2445-9/11 “Hoofddoel van een reglement en/of van de erin voorziene verminderingen kan het aansturen zijn op een bepaalde gedragslijn van de burgers, een gedragslijn die een fundamentele beleidsoptie van het bestuur uitmaakt. Dit is hier het geval met de gewraakte vermindering die gemotiveerd is, omdat het onderbrengen van hinderlijke inrichtingen in bedoelde zones betekent dat die inrichtingen een geringere gradatie van milieubelastende en milieuhinderende effecten vertonen dan identieke inrichtingen die ergens anders - bijvoorbeeld in woongebieden - gelegen zijn. Voor de nabijgelegen leef- en woongemeenschap zijn deze laatste inrichtingen duidelijk meer belastend en hinderlijk dan inrichtingen die in specifieke industrie- , ambachtelijke of agrarische zones gelegen zijn. Daarmee wordt dan ingegaan tegen de opwerping dat de voorziene vermindering niet meer kan gezien worden als gemotiveerd in functie van de aard en het doel van de belasting”; Overwegende dat het, met andere woorden, alleen de aard en graad van hinderlijkheid als opgevat door de milieuwetgeving is die verwerende partij heeft doen gelden ter rechtvaardiging dat de belastingvermindering verband houdt met de aard en het doel van de belasting, en die de Vlaamse minister er toe gebracht heeft om aan te nemen dat geen redelijke verantwoording aanwezig is voor een verschillende fiscale behandeling; dat het middel dan ook niet ter zake dienend is in zoverre er in betoogd wordt dat een differentiatie van de belasting tussen hinderlijke exploitaties van klasse 1, naargelang zij gevestigd zijn in woongebieden dan wel in specifieke bestemmingsgebieden, niet onwettig is omdat de eerste exploitaties voor de lokale gemeenschap een aanzienlijk zwaardere financiële last kunnen meebrengen; dat de Vlaamse minister zich daar in zijn vernietigingsbesluit niet over uitspreekt en, gelet op verzoeksters rechtvaardigingsbesluit, ook niet hoefde over uit te spreken;
- Overwegende dat pas in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie verzoekster ingaat en kritiek levert op wat de Vlaamse minister in het vernietigingsbesluit wel heeft beslist; dat die kritiek -als zou er inzake hinderlijke bedrijven klasse 1 wel degelijk een verschil vanuit het oogpunt van hinderlijkheid bestaan naar gelang van hun ligging- in wezen neerkomt op het aanvoeren van een nieuw middel, waarvan niet blijkt dat verzoekster het ontvankelijk voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan doen gelden;
- Overwegende dat het middel verworpen wordt, XII-2445-10/11 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2445-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.