id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.432 Rolnummer: A. 66367/XII-867 Zaak: Arrest 156432 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 13:49 Fiche Arrest nr 156.432 van 16 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.432 van 16 maart 2006 in de zaak A. 66.367/XII-
- In zake :
- Luc BEECKMAN,
- Lisette DE PELSMAEKER, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Saeys, kantoor houdende te Aalst, Zwarte Zustersstraat 13 tegen : de BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Beeckman en Lisette De Pelsmaeker op 13 november 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van het Besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen dd. 10.8.1995, waarbij het beroep, ingesteld door de Heer Beeckman Luc tegen de gementeraadsbeslissing dd. 27.2.1995, houdende het voorstel tot erkenning van de weg tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat te Haaltert (deelgemeente Kerksken) als buurtweg [als ongegrond wordt verworpen]”; Gelet op het arrest nr. 58.283 van 21 februari 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 12 februari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; XII-867-1/6 Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Saeys, die verschijnt voor verzoekers, en van bestuurssecretaris S. De Smit, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
- Overwegende dat de gemeente Haaltert van 10 november 1994 tot en met 12 januari 1995 een openbaar onderzoek naar bezwaren instelt omtrent “de erkenning als buurtweg van de bestaande verbindingsweg tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat in de deelgemeente Haaltert”; dat tegen de erkenning één bezwaar wordt ingediend, door verzoekers, wier eigendom door de voetweg gedwarst wordt; dat niettemin de gemeenteraad van Haaltert op 27 februari 1995 beslist “[a]an de Bestendige Deputatie voor te stellen het plan van de verbindingsweg tussen Hoefstraat en Rosthoutweg in de deelgemeente Haaltert [...] bepaaldelijk vast te stellen”; Overwegende dat eerste verzoeker met een brief van 12 april 1995 tegen de gemeenteraadsbeslissing hoger beroep instelt bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat hij in het beroep betoogt dat de voetwegel nooit een openbaar karakter heeft gehad, dat hij geen enkel nut heeft, dat het inrichten ervan enkel een paar mensen, maar niet het publiek zou bevoordelen, dat dit inrichten een politieke aangelegenheid betreft en dat de voetwegel geen enkele waarde heeft; dat de bestendige deputatie op 10 augustus 1995 beslist het beroep als ongegrond te verwerpen; dat de eigenlijke motivering luidt : XII-867-2/6 “Overwogen dat uit onderzoek ter plaatse blijkt dat de verbindingsweg alle kenmerken vertoont van een voetweg terwijl het gebruik ervan duidelijk blijkt uit de verharding ervan; Overwogen dat de weg een korte verbinding betekent tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat; dat hij reeds sedert jaren bestaat; Overwogen dat de erkenning van de voetweg derhalve aangewezen is”; Overwegende dat vervolgens de bestendige deputatie beslist, om dezelfde redenen, de verbindingsweg tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat te Haaltert als buurtweg te erkennen; Voorwerp van het beroep
- Overwegende dat er reden is om als voorwerp van het beroep te specificeren: de beslissing van 10 augustus 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om, na verwerping van het beroep dat eerste verzoeker instelde, de meervermelde verbindingsweg als buurtweg te erkennen; Ten gronde
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de “Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 in zake de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid de verplichting tot een nauwkeurige feitenbevinding over te gaan ten einde een naar recht en redelijkheid te nemen beslissing te kunnen dragen”; dat zij onder meer toelichten dat niet werd onderzocht of de weg wel degelijk effectief door een gedeelte van de bevolking wordt gebruikt, dat niet wordt geantwoord op de argumenten in het beroepschrift, dat geen gefundeerd onderzoek te plaatse is gevoerd; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord tegenwerpt dat de vermeldingen van het bestreden besluit op voldoende wijze aantonen “dat de verbindingsweg naar de uiterlijke tekenen, als een ‘normale’ en ‘goed begaanbare buurtweg’ te beschouwen is en voor erkenning als buurtweg in aanmerking komt”, dat de verbindingsweg er al jaren ligt, dat verzoekers het bestaan ervan erkennen en dat het onderzoek ter plaatse het gebruik ervan bevestigt, dat daaruit kan afgeleid worden dat de verbindingsweg alle kenmerken van een buurtweg vertoont en voor erkenning als buurtweg in aanmerking komt; XII-867-3/6 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie er op wijst dat in de overweging “dat uit het onderzoek ter plaatse blijkt dat de verbindingsweg alle kenmerken vertoont van een voetweg” vervat zit “dat het om de erkenning gaat van een weg, welke door zijn algemeen gebruik geacht moet worden een openbare weg te zijn, ondanks het feit dat de bedding ervan private eigendom is”; dat zij tevens argumenteert dat zij voor de vaststelling van het openbaar gebruik van de weg alle middelen heeft uitgeput die haar ter beschikking staan, dat, mocht toch meer vereist zijn, zij zich voor de feitelijke onmogelijkheid geplaatst ziet om nog tot enige erkenning van een buurtweg over te gaan, en dat volgens het Hof van Cassatie zelfs een sporadisch gebruik volstaat om een weg een openbaar karakter te geven, wat de bewijsvoering “nogmaals” bemoeilijkt;
- Overwegende dat volgens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de bestuurshandelingen van de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, en de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat overigens inzake de erkenning van buurtwegen, reeds artikel 8, derde lid, van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen voorschrijft dat de beslissing waarmee de bestendige deputatie uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad “met redenen omkleed” wordt;
- Overwegende dat niet als een buurtweg kan worden erkend wat niet reeds als een buurtweg bestaat; dat dan ook de bestendige deputatie de meer vernoemde verbindingsweg tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat te Haaltert slechts rechtmatig als buurtweg kon erkennen indien hij tot het openbaar gebruik diende; Overwegende dat verzoekers dat openbaar karakter in hun beroepschrift, dat zij bij de deputatie hebben ingediend op grond van het recht op hoger beroep waarin het artikel 7 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen uitdrukkelijk voorziet, formeel hebben betwist, met verwijzing naar een vonnis van de vrederechter dat hen zou toelaten de voetweg af te sluiten en ongedaan te maken; Overwegende dat in die omstandigheden, gelet op artikel 8, derde lid, van de wet van 10 april 1841 en op de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli XII-867-4/6 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de bestendige deputatie mocht en moet verwacht worden dat zij in de motivering zelf van de beslissing tot erkenning van de weg op afdoende wijze doet uitkomen dat én waarom de weg een publieke bestemming heeft;
- Overwegende dat de motivering van de bestreden erkenning daar niet aan voldoet; dat zij er op neerkomt vast te stellen, zoals in het technisch verslag van 9 juni 1995 waarop de beslissing berust, dat de verbindingsweg er als een gewone voetweg uitziet; dat die vaststelling, voor zoveel zij al een uitspraak over het openbaar karakter van de weg zou inhouden, dit openbaar karakter hoe dan ook niet genoegzaam aannemelijk maakt; Overwegende dat een meer uitvoerige motivering des te meer vereist is waar verzoekers reeds ten overstaan van de gemeenteraad bezwaren hadden geuit omtrent onder meer het publiek karakter van de weg én waar de bestendige deputatie op 10 augustus 1995 zelf vaststelde “dat over dit bezwaar door de gemeenteraad geen uitspraak werd gedaan”; dat nochtans artikel 6, tweede lid, van de wet van 10 april 1841 de gemeenteraad tot die uitspraak verplicht; Overwegende dat een nadere motivering zich eveneens opdrong in het licht van het vonnis van 16 november 1994 van de vrederechter te Aalst, waarnaar in het beroepschrift wordt verwezen ter betwisting van het openbaar karakter van de voetweg; dat verwerende partij in de laatste memorie weliswaar laat uitschijnen dat “de rechtspraak inzake de betrokken weg” onderzocht is geworden in het technisch verslag van 9 juni 1995, waarop zij zich heeft gesteund; dat een echt onderzoek van de bedoelde rechtspraak in dat verslag evenwel geenszins heeft plaatsgehad; dat het verslag alleen een opsomming van die rechtspraak bevat, zonder meer, “[v]oor al wat dienen kan”; dat zonder commentaar of conclusie de loutere opsomming van ogenschijnlijk tegenstrijdige rechtspraak tot niets dient;
- Overwegende dat de beslissing van de bestendige deputatie om het beroep van eerste verzoeker af te wijzen en om de besproken verbindingsweg als buurtweg te erkennen, niet naar behoren met redenen omkleed is; dat het middel alvast in die mate gegrond is, XII-867-5/6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 10 augustus 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om, na verwerping van het beroep dat Luc Beeckman instelde, de verbindingsweg tussen de Rosthoutweg en de Hoefstraat te Haaltert als buurtweg te erkennen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-867-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.432 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.58.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.