← België

Arrest 156434 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.434 Rolnummer: A. 68645/XII-1430 Zaak: Arrest 156434 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 13:51 Fiche Arrest nr 156.434 van 16 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.434 van 16 maart 2006 in de zaak A. 68.645/XII-

  1. In zake :
  2. Frans VAN DEUREN,
  3. Paul VAN DEUREN, die woonplaats kiezen bij advocaat F. Landuyt, kantoor houdende te Beernem, Bloemendalestraat 147 tegen : de GEMEENTE BREDENE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat dat Frans Van Deuren en Paul Van Deuren op 23 april 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bredene, dd. 26.02.1996, betekend aan eerste verzoeker bij schrijven dd. 04.03.1996”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 3 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1430-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Landuyt, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat P. Content, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
  4. Overwegende dat verzoekers marktkramers zijn en sinds 1987 houder van een jaarabonnement voor steeds dezelfde standplaats op de wekelijkse dinsdagmarkt te Bredene; Overwegende dat de gemeenteraad van Bredene op 27 december 1995 de lasten en voorwaarden voor standplaatsen op de wekelijkse dinsdagmarkt tijdens het jaar 1996 vaststelt; dat, ten gevolge van die beslissing, bij de toewijzing van de standplaatsen geen rekening meer kan worden gehouden met de anciënniteit; dat de vaste standplaatsen nog slechts worden toegewezen “in chronologische volgorde van de aanvragen”, welke aanvragen bij een ter post aangetekende brief aan het schepencollege dienen gericht; dat de gemeente alle marktkramers hiervan inlicht met een op 29 december 1995 verstuurd schrijven, waarbij onder meer een “Inschrijvingsformulier standplaats markt Bredene - dienstjaar 1996” is gevoegd; Overwegende dat verzoekers het inschrijvingsformulier ingevuld retourneren met een op 2 januari 1996 aangetekend verzonden brief; dat de gemeente de aanvraag op 3 januari 1996 ontvangt; dat zij alsdan al meer dan tachtig andere aanvragen heeft ontvangen, het merendeel 26 december 1995 gedateerd; dat, naar blijkt, reeds inschrijvingsformulieren verdeeld werden tijdens de markt van 26 december 1995, aan de toen aanwezige marktkramers; Overwegende dat op 29 januari 1996 het college van burgemeester en schepenen aan verzoekers voor 1996 een jaarabonnement verleent voor de modules nr. 121-124; dat eerste verzoeker daartegen protesteert met schrijven van 7 februari 1996; dat met een schrijven van 21 februari 1996 verzoekers meedelen dat XII-1430-2/9 de voorgestelde standplaats “niet aanvaardbaar” is en dat zij “geen afstand doen van onze rechten op onze oude plaats”; dat het college op 26 februari 1996 het bezwaarschrift van 7 februari 1996 verwerpt “omdat bij de toewijzing van de standplaatsen er enerzijds rekening gehouden werd met de chronologische datum van de aanvragen en anderzijds voorrang werd gegeven aan de marktkramers, met op jaarbasis de hoogste aanwezigheidsfrequentie op de wekelijkse dinsdagmarkt”; dat het college de verwerping aan eerste verzoeker meedeelt met een brief van 4 maart 1996; dat op 11 maart 1996 het college de vergunning van verzoekers op de modules nr. 121-124 intrekt; Het voorwerp
  5. Overwegende dat met zijn beslissing van 26 februari 2006 het college van burgemeester en schepenen het bezwaar van 7 februari 1996 van eerste verzoeker afwijst, na het aan een onderzoek te hebben onderworpen; dat het bezwaar er toe strekte de aan verzoekers toegewezen standplaats te doen vervangen door de standplaats die zij voorheen bezetten; dat zodoende als het voorwerp van het annulatieberoep nader omschreven moet worden: de beslissing van 26 februari 2006 van het college van burgemeester en schepenen waarbij geweigerd wordt verzoekers voor het jaar 1996 de standplaats te verlenen die hen in 1995 werd toegekend en waarbij, derhalve, de toewijzing van die standplaats aan een ander wordt gehandhaafd; De ontvankelijkheid
  6. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord in de eerste plaats de “onontvankelijkheid wegens het niet uitputten van de voorafgaandelijke administratieve beroepen” opwerpt; dat wordt toegelicht, ten eerste, dat verzoekers geen beroep hebben aangetekend bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen en, ten tweede, dat “enkel eerste eiser een bezwaarschrift heeft ingediend bij verweerster, zodat tweede eiser zelfs niet eens het eerste administratieve beroep bij verweerster heeft ingesteld”; Overwegende dat niet blijkt dat enige normatieve regel een administratief beroep organiseert tegen de beslissing van 29 januari 1996 van het college van burgemeester en schepenen om voor het jaar 1996 aan verzoekers een andere standplaats dan voorheen te geven en om hun vroegere standplaats aan een XII-1430-3/9 ander toe te wijzen; dat het bezwaar van 7 februari 1996 dat eerste verzoeker tot het college richtte, om het er toe te bewegen alsnog op zijn beslissing 29 januari 1996 terug te komen, alleen een zogenaamd willig beroep betreft; dat het niet verplicht moest worden uitgeoefend; dat het echter wel zo is dat, nu het beroep dan toch werd ingesteld en tot een nieuw onderzoek van de zaak heeft geleid, het antwoord er op geacht moet worden een nieuwe beslissing te zijn die in de plaats van de oorspronkelijke komt; Overwegende dat ook het beroep op de toezichthoudende overheid om in het kader van de uitoefening van het algemeen administratief toezicht gebruik te maken van haar facultatieve schorsings- of vernietigingsbevoegdheid, geen georganiseerd en dus verplicht voorafgaand uit te putten administratief beroep uitmaakt; dat het niet ter zake doet dat dit beroep te dezen niet is ingesteld; Overwegende dat de exceptie ongegrond is;
  7. Overwegende dat, ten tweede, in de memorie van antwoord aan verzoekers een exceptie van “gebrek aan wettig belang” wordt tegengeworpen; dat verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekers niet bewijzen dat “de hen toegekende plaatsen slechter zouden zijn dan degene die zij het jaar daarvoor hadden gekregen” en dat verzoekers “indien zij als eerste hun aanvraag hadden ingediend, evengoed een andere standplaats toebedeeld [hadden] gekregen dan degene die zij hadden het jaar ervoor”; Overwegende dat het in de logica ligt van een toewijzing van de standplaatsen “in chronologische volgorde van de aanvragen” dat de eerste inschrijvers de beste plaatsen krijgen, minstens dat wanneer meerdere inschrijvers dezelfde standplaats verkiezen, de eerdere inschrijver voorrang geniet boven de latere inschrijver; dat, zelfs wanneer de inschrijvingen dezelfde dag zijn binnengekomen en er inzake de standplaatstoewijzing betwisting ontstaat, dan nog artikel 3, tweede lid, van de gemeenteraadsbeslissing van 27 december 1995 tot vaststelling van de lasten en voorwaarden voor standplaatsen op de wekelijkse dinsdagmarkt 1996 de verwerende partij niet toelaat zomaar eigenmachtig de standplaats toe te wijzen : “Indien meerdere inschrijvingen op dezelfde dag binnenkomen en er inzake de standplaatstoewijzing betwisting ontstaat, krijgen in eerste instantie de marktkramers met de langste anciënniteit voorrang. Bij gelijkheid van anciënni- teit geldt de loopduur van het abonnement”; XII-1430-4/9 Overwegende, met andere woorden, dat de volgorde van de inschrijving wél geacht moet worden van invloed te zijn op de toebedeelde plaatsen, en dat de verwerende partij niet gerechtigd zou zijn om de standplaats die verzoekers kennelijk verkiezen aan een andere, látere inschrijver toe te bedelen; Overwegende dat uit wat voorafgaat ook volgt dat de beoordeling van de commerciële aantrekkelijkheid van een standplaats wezenlijk en finaal de zaak van de betrokken marktkramers is, en niet van het bestuur; dat het, in verband met het belang van verzoekers bij hun beroep, dan ook niet aan hen is om te staven dat zij de nieuwe plaatsen terecht als slechter inschatten, maar -omgekeerd- aan de verwerende partij om aan te geven waarom verzoekers het verkeerd zien; Overwegende dat verwerende partij daar evenwel geen doorslaggevende elementen toe bijbrengt; dat verzoekers in hun verzoekschrift uitlegden dat de plaats die zij voor 1996 toegewezen kregen “verder van de kern van de markt” gelegen is “daar waar zij vroeger langs een drukke wandelweg stonden”; dat verwerende partij die commercieel minder interessante ligging niet tegenspreekt door op te merken dat de nieuwe standplaats slechts “enkele meters” van de oude verwijderd is; dat ook het argument van de verwerende partij dat de nieuwe standplaats “het voordeel [heeft] dat de marktbezoekers rond de stand van eisers konden lopen”, niet het gebrek aan belang van verzoekers aantoont; dat het argument goeddeels feitelijke grond mist, want blijkbaar alleen de hoekmodule van de stand betreft; Overwegende dat de besproken exceptie verworpen wordt;
  8. Overwegende dat, ten derde, het beroep volgens de memorie van antwoord onontvankelijk is “wegens niet naleven van de opgelegde vormvereisten”; dat meer bepaald worden opgesomd: het verzuim om het adres van verwerende partij te vermelden, het verzuim om bij het verzoekschrift een inventaris van de stukken te voegen, het verzuim verwerende partij een kopie van het verzoekschrift toe te sturen op hetzelfde ogenblik dat het verzoekschrift wordt ingediend, en het verzuim een afschrift van de bestreden beslissing bij te voegen; XII-1430-5/9 Overwegende dat het adres van de verwerende partij, voor zoveel daar überhaupt al twijfel over kon bestaan, genoegzaam blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken; dat van die stukken -zes in totaal- inderdaad geen inventaris aan het verzoekschrift was toegevoegd; dat het de verwerende partij in generlei mate in de uitoefening van haar rechten van verdediging heeft beperkt of anderszins heeft gehinderd; dat de stukken uitsluitend briefwisseling tussen verzoekers en verwerende partij betreffen; dat verwerende partij die briefwisseling kende en ze voor het grootste gedeelte ook zelf in het administratief dossier voorbrengt; dat op de miskenning van het voorschrift van artikel 3bis van het algemeen procedurereglement, in verband met toezending ter informatie van een kopie van het verzoekschrift, geen sanctie staat, laat staan nog de sanctie van de niet- ontvankelijkheid van de vordering; dat, ten slotte, bij het verzoekschrift wel degelijk een afschrift was gevoegd van de 4 maart 1996 gedagtekende brief van verwerende partij waaruit verzoekers de aangevochten beslissing vernamen; Overwegende dat de exceptie verworpen wordt;
  9. Overwegende dat, ten vierde, verwerende partij in de memorie van antwoord de “Onontvankelijkheid wegens de onmogelijkheid een arrest te bekomen tegen 31 december 1996” doet gelden; dat zij uiteenzet dat de toegekende abonnementen slechts tot 31 december 1996 lopen en dat een arrest van de Raad van State tegen die datum onmogelijk is; Overwegende dat de exceptie er op neerkomt dat het beroep niet ontvankelijk ratione materiae is omdat de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing op korte termijn volledig zijn uitgewerkt; dat evenwel uit niets blijkt dat de wetgever een dergelijke, kortlopende, beslissing uit het annulatiecontentieux heeft uitgesloten of heeft willen uitsluiten; dat de exceptie ongegrond is;
  10. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie er blijft op aandringen dat verzoekers zonder belang worden verklaard; dat zij nog opwerpt : dat het bezwaarschrift van 7 februari 1996 alleen van eerste verzoeker uitgaat, zodat het beroep tenminste onontvankelijk is in hoofde van tweede verzoeker, dat verzoekers geen recht hebben op hun oude plaats, dat de verleende standplaatsvergunning op hun verzoek is ingetrokken, dat verzoekers sinds 7 mei 1996 niet meer op de markt te Bredene hebben gestaan, dat zij tegen de weigering van een standplaatsvergunning voor 1997 weliswaar een beroep hebben ingesteld, XII-1430-6/9 maar dit beroep in een afstand heeft geresulteerd, en dat ze voor 1998 en 1999 zelfs niet eens meer een standplaats hebben aangevraagd; Overwegende dat verzoekers bij de verwerende partij hebben ingeschreven voor een standplaats met een jaarabonnement, dienstjaar 1996; dat zij verkozen de standplaats toegewezen te krijgen die zij ook de vorige jaren bezetten; dat zij terecht uit de brief van 4 maart 1996 van het college van burgemeester en schepenen de beslissing van 26 februari 1996 mochten opmaken om die standplaats aan een ander en niet aan hen te verlenen; dat zij zich daar door gegriefd mogen voelen; dat zij daarvoor niet van enig recht op hun oude plaats moeten doen blijken, noch verplicht zijn de nieuwe plaats die hen niet zint, aan te houden; Overwegende dat het ook niet ter zake doet dat de beslissing van 26 februari 1996 is uitgelokt door een willig beroep dat alleen de eerste verzoeker heeft ingesteld; dat het voor de beoordeling van het belang van verzoekers evenmin dienstig is dat zij vanaf 7 mei 1996 klaarblijkelijk geen genoegen meer wensten te nemen met een van de overblijvende vrije standplaatsen, die per marktdag worden toegewezen aan de marktkramers in volgorde van aankomst op de markt; dat al evenzeer relevantie mist, de houding die zij hebben aangenomen met betrekking tot een vaste standplaats voor het dienstjaar 1997 en volgende; dat, zoals gezegd, de onderhavige betwisting een vaste standplaats voor het jaar 1996 betreft; Overwegende dat verwerende partij tevergeefs verzoekers het vereiste belang ontzegt; Ten gronde
  11. Overwegende dat verzoekers in een enig middel onder meer de schending van artikel 10 van de Grondwet aanvoeren; dat zij toelichten dat verwerende partij niet alle marktkramers gelijk heeft behandeld, dat sommigen vroeger konden inschrijven dan anderen, dat dit een vervalsing van de eerlijke chronologische toebedeling der plaatsen uitmaakt, dat reeds op 26 december 1995 inschrijvingsformulieren werden uitgedeeld aan de aanwezige marktkramers op de dinsdagmarkt, dat het nieuwe marktreglement pas op 27 december 1995 werd goedgekeurd, dat zij maar met een schrijven van 29 december 1995, ontvangen op 2 januari 1996, van de wijziging van het reglement op de hoogte werden gesteld; XII-1430-7/9 Overwegende dat verwerende partij in essentie haar ontvankelijkheidsbezwaren herhaalt;
  12. Overwegende dat, ten gevolge van de gemeenteraadsbeslissing van 27 december 1995, de onderhandse toewijzing van de vaste standplaatsen voor het dienstjaar 1996 nog uitsluitend “in chronologische volgorde van de aanvragen” mag gebeuren; dat, volgens artikel 3 van de beslissing, de gegadigden voor een standplaats op basis van een abonnement, hun aanvraag “vóór een vastgestelde datum” bij een ter post aangetekende brief aan het college van burgemeester en schepenen moeten richten, en die datum schriftelijk aan de belanghebbenden wordt meegedeeld, alsook door aanplakking en door bekendmaking in de lokale pers; Overwegende dat, teneinde de gelijkheid onder de inschrijvers niet in het gedrang te brengen en geen afbreuk te doen aan de eerlijke competitie voor de meest begeerlijke standplaatsen, verwerende partij erover diende te waken dat de inschrijvingstermijn voor de mogelijke gegadigden, onder wie vanzelfsprekend de houders van een abonnement voor het jaar 1995, op eenzelfde moment begon te lopen; Overwegende dat verwerende partij dat niet heeft gedaan; dat zij de voormelde belanghebbenden weliswaar terzelfder tijd heeft aangeschreven, met een 29 december 1995 gedateerde brief; dat zij echter bovendien één categorie van potentiële gegadigden, namelijk deze van de marktkramers die op 26 december 1995 op de markt stonden, reeds op die dag -en dus zelfs nog voor de gemeenteraadsbeslissing van 27 december 1995- een inschrijvingsformulier voor 1996 ter hand stelde; dat die begunstiging de betrokken marktkramers toeliet om vóór, en dus ten nadele van, de andere geïnteresseerden met hun inschrijving rang te nemen in de “chronologische volgorde van de aanvragen”; Overwegende dat voor die verschillende behandeling geen verantwoording wordt gegeven, tenzij de verantwoording in punt 3 van het feitenrelaas in de memorie van antwoord moet worden gelezen : “Zoals elk jaar werden op tweede kerstdag van 1995 door de marktmeester aan de aanwezige marktkramers inschrijvingsformulieren uitgedeeld voor de gegadigden voor een standplaats op de wekelijkse dinsdagmarkt”; XII-1430-8/9 Overwegende dat deze uitleg -als het er al een is- niet opgaat; dat de vroeger toegepaste praktijk geen belang vertoont, al was het maar omdat voor het dienstjaar1996 de toewijzing van de standplaatsen aan nieuwe regels onderworpen is geworden die, anders dan vroeger het geval was, van de chronologische volgorde der inschrijvingen in principe het enige toewijzingscriterium hebben gemaakt; Overwegende dat het enig middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 26 februari 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Bredene om Frans Van Deuren en Paul Van Deuren voor het jaar 1996 niet de standplaats te verlenen die hen in 1995 werd toegekend en om die standplaats aan een ander toe te wijzen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1430-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.