id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.435 Rolnummer: A. 136592/XII-3860 Zaak: Arrest 156435 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 13:51 Fiche Arrest nr 156.435 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.435 van 16 maart 2006 in de zaak A. 136.592/XII-
- In zake : François KEYMIS, wonende te Tongeren, Ketsingerdries 33 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat François Keymis op 7 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 maart 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken om zijn vergunning voor de uitoefening van het beroep van privé-detective niet te vernieuwen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 21 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van attaché P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-3860-1/5 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker, in hoofdberoep buschauffeur bij De Lijn, sinds 1978 ook werkzaam is als expert-schaderegelaar bij verzekerings- ondernemingen; dat hij met een beslissing van 29 december 1997 door de minister van Binnenlandse Zaken voor een termijn van vijf jaar wordt gemachtigd het beroep van privé-detective uit te oefenen; dat hij met een brief van 22 maart 2002 vraagt de vergunning te verlengen; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 14 maart 2003 de vernieuwing weigert op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat uit het gunstig advies van de Minister van justitie de dato 1 juli 2002, blijkt dat betrokkene in hoofdberoep voor de Lijn werkt en zijn vergunning als privé-detective nodig heeft voor zijn bijberoep als expert voor verzekeringsmaatschappijen; Overwegende dat artikel 4 van de wet van 19 juli 1991 stelt dat het beroep van privé-detective, behoudens uitzondering toegestaan door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, enkel als hoofdberoep kan worden uitgeoefend; dat deze toestemming enkel kan toegekend worden aan de detective die voor de eerste maal de vergunning tot uitoefening van het beroep ontvangt (vergunning tot uitoefening van het beroep als bijberoep wordt dan enkel toegekend voor de eerste termijn van vijf jaar) of aan de privé-detective waarvan de activiteit een inherent bestanddeel uitmaakt van de hoofdactiviteit; Overwegende dat de heer Keymis zich op geen van deze beide uitzonderingen kan beroepen; dat hij bijgevolg enkel de vernieuwing van zijn vergunning als privé-detective in hoofdberoep kan bekomen en dat dit enkel kan als blijkt dat hij dit beroep ook effectief als hoofdactiviteit uitoefent; Overwegende dat betrokkene bij schrijven de dato 16 oktober en 6 november 2002 hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld werd; Overwegende dat betrokkene zich niet akkoord verklaart met het feit dat hij door het desbetreffende artikel 4 van de wet van 19 juli 1991 het beroep van privé-detective bij de vernieuwing niet meer in bijberoep kan uitoefenen terwijl hij in hoofdberoep als autogeleider voor De Lijn werkt; dat de betrokkene activiteiten als privé-detective uitoefent voor verzekeringsmaatschappijen; dat betrokkene zich gediscrimineerd voelt doordat de wetgeving hem verbiedt zijn werkzaamheden als privé-detective verder te zetten in bijberoep met inkomens- verlies tot gevolg; Overwegende dat de verklaringen van betrokkene niets afdoen aan het feit dat de wet van 19 juli 1991 voor hem geen mogelijkheid voorziet om de vernieu- wing van de vergunning als privé-detective in bijberoep te verkrijgen”; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert doordat “men de categorie van personen van verzoeker beknot om verder hun zelfstandige activiteit verder te zetten”; dat hij XII-3860-2/5 uiteenzet dat een privé-detective in hoofdberoep na zijn 65ste jaar wel voort mag werken in bijberoep; dat verzoeker tevens er op wijst dat de beslissing een inkomstenverlies voor hem meebrengt, dat zij ingaat tegen “alle regels van de huidige politiek” om mensen langer aan het werk te houden, dat lopende dossiers mogelijk in het gedrang worden gebracht en dat hij grote investeringen inzake opleiding deed; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord daar nog aan toevoegt, in essentie, dat hij niet wordt behandeld zoals iedereen, rekening er mee gehouden dat hij al 25 jaar zelfstandige in bijberoep is, ruimschoots vóór de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective tot stand kwam, dat hij zich “zelfs geviseerd” voelt door het artikel 4 van deze wet, die geen rekening houdt met zijn bestaande toestand; Overwegende dat de verwerende partij daar onder meer tegen inbrengt dat verzoeker niet aantoont dat de minister personen die zich in een vergelijkbare situatie als die van verzoeker bevinden, anders zou hebben behandeld, dat ook voor een gepensioneerde geldt dat hij slechts detectiveactiviteiten kan uitoefenen indien ze zijn professionele hoofdactiviteit uitmaken, en dat de Raad van State niet bevoegd is om een wet aan de Grondwet te toetsen; Overwegende dat de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie er zich tegen verzetten dat personen die in dezelfde of een vergelijkbare toestand verkeren, zonder objectieve en redelijke verantwoording verschillend worden behandeld; dat verzoeker, om de schending van die regels door de bestreden beslissing te doen aannemen, dan ook op voldoende concrete wijze diende aan te geven ten opzichte van welke vergelijkbare categorie van personen hij door de minister van Binnenlandse Zaken ongelijk is behandeld; Overwegende dat hij dat niet heeft gedaan; dat verwerende partij in de memorie van antwoord overtuigend uitlegt dat ook aan personen van meer dan 65 jaar alleen wordt toegelaten het beroep van privé-detective als hoofdberoep uit te oefenen; dat, in zoverre verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat wie behoort tot de categorie “architectenbureau als hoofdactiviteit en nevenactiviteit privé-detective” “volgens de wet levenslang [kan] verder werken als privé-detective, zelfs na 65 jaar ouderdom”, hij niet duidelijk maakt waarop die uitspraak steunt; dat hij de bewering zelfs niet nader beargumenteert nadat er in het auditoraatsverslag aan voorbij is gegaan; dat, ten slotte, het de Raad van State niet toekomt de overeenstem- XII-3860-3/5 ming van een wet met de Grondwet na te gaan; dat verzoeker dat terecht niet betwist; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de formele en materiële motiveringsplicht geschonden noemt, doordat onvoldoende rekening is gehouden met de argumentatie die hij bijbracht en met het gunstig advies van 1 juli 2002 van de minister van Justitie; Overwegende dat de aangevochten beslissing stelt, eensdeels, toepassing te maken van het artikel 4 van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective en, anderdeels, dat verzoekers verklaringen van die toepassing niet kunnen doen afzien; dat bedoeld artikel luidt : “Het beroep van privé-detective mag, behoudens uitzondering toegestaan door de Minister van Binnenlandse Zaken, enkel als hoofdberoep worden uitgeoefend. De in het eerste lid bedoelde uitzondering zal kunnen worden toegekend : - hetzij aan de privé-detective waarvan de activiteit een inherent bestanddeel uitmaakt van de hoofdactiviteit; - hetzij aan de privé-detective die voor de eerste maal de vergunning tot uitoefening van het beroep ontvangt. In dit geval zal de vergunning tot uitoefening als bijberoep slechts worden toegekend voor de eerste termijn van vijf jaar”; Overwegende dat op grond van de aangehaalde bepaling de minister van Binnenlandse Zaken zich ertoe verplicht ziet de vergunning tot het uitoefenen van het beroep van privé-detective te weigeren wanneer het beroep niet als hoofdberoep wordt uitgeoefend en wanneer de betrokkene zich ook niet in één van de twee gevallen, vermeld in het tweede lid, bevindt; Overwegende dat niet betwist is dat verzoeker het beroep van privé-detective niet als hoofdberoep wil uitoefenen, en evenmin dat hij niet in één van de twee gevallen verkeert waarin de minister een uitzondering kan toestaan op de regel van de uitoefening als hoofdberoep; dat in die omstandigheden verwerende partij terecht van oordeel was dat verzoekers verklaringen, in verband met onder meer zijn gezondheidstoestand, leeftijd, inkomstenverlies, gevolgde bijscholingen en de afhandeling van lopende dossiers, niet ertoe konden leiden dat hem alsnog, in strijd met voormeld artikel 4, een vergunning als privé-detective werd verleend; dat ook het advies van de minister van Justitie dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden XII-3860-4/5 van artikel 3, § 1, 1/, 2/, 3/ en 5/, van de wet van 19 juli 1991, niet tot gevolg heeft de minister van Binnenlandse Zaken van de toepassing van het artikel 4 van die wet vrij te stellen; Overwegende dat de bestreden beslissing afdoende formeel omkleed is met materieel draagkrachtige redenen; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3860-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.